Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2027

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-06-2017
Datum publicatie
12-06-2017
Zaaknummer
15/5496 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregel. Recidive ten aanzien van niet meewerken aan voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Ernstig misdragen. Te snel interen op vermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5496 WWB, 15/6161 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
30 juli 2015, 14/6571 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Culemborg (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 6 juni 2017

PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. M.M. Dezfouli, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens appellant heeft mr. B.J.M. de Leest, advocaat, hoger beroep ingesteld en verweer gevoerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2017. Voor betrokkene is

mr. Dezfouli verschenen. Voor appellant is mr. De Leest verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Appellant heeft de bijstand van betrokkene met ingang van 1 oktober 2012 ingetrokken op de grond dat betrokkene de beschikking had over vermogen boven het voor hem geldende vrij te laten vermogen.

1.2.

Bij besluit van 10 juli 2013 heeft appellant betrokkene met ingang van 14 mei 2013 weer bijstand ingevolge de WWB toegekend, naar de norm voor gehuwden. Bij datzelfde besluit heeft appellant betrokkene een maatregel opgelegd. Dit betreft een gecumuleerde maatregel, inhoudende een verlaging van de bijstand van 100% gedurende de maanden juli en augustus 2013. Aan de maatregel heeft appellante ten grondslag gelegd dat betrokkene geen gebruik heeft gemaakt van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling bij het traject WIOR en te snel heeft ingeteerd op het onder 1.1 bedoelde vermogen.

1.3.

Betrokkene heeft in verband met zijn arbeidsinschakeling op 3 september 2013 een gesprek gehad met [naam inkomensconsulent J] (J), inkomensconsulent, en [naam projectleider B] (B), projectleider bij WIOR. In het van dat gesprek opgemaakte gespreksverslag is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld: "[naam A] geeft een uitleg over de werkzaamheden en de tijden in het WIOR-traject. [Betrokkene] geeft aan dat hij nog steeds geen uitkering ontvangen heeft en dus niet meewerkt. Hij zegt letterlijk: "dat zou jij toch ook niet doen, als je geen geld krijgt ga je toch ook niet wat doen". (…) Dan uit blh. dreigementen richting de collega [naam collega] met de zinsnede: "als ik [naam collega] tegenkom sla ik hun kop eraf, hij zal hier wel achter zitten". (…) "ik heb tot nu toe nog geen geld gehad en ik ga nergens aan mee werken, eerst wil ik geld zien. En als ik die [naam collega] tegenkom sla ik zijn kop eraf. En ook moet ik die [naam B] niet tegenkomen, want dan gaat die er ook aan, ook die [naam B] zijn kop sla ik eraf, ik zie hem vaak genoeg hier over de markt lopen. (…) Blh. houdt vast aan zijn stelling dat hij niet gaat meewerken aan het traject WIOR."

1.4.

J heeft op 21 april 2015 verklaard dat het onder 1.3 weergegeven gespreksverslag een feitelijke weergave is van wat door betrokkene, J en B is gezegd tijdens het gesprek op

3 september 2013.

1.5.

Bij besluit van 25 september 2013, voor zover hier van belang en zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 31 juli 2014 (bestreden besluit), heeft appellant betrokkene opnieuw een maatregel opgelegd. Dit betreft een verlaging van de bijstand met 100% gedurende vijf maanden, met ingang van 1 oktober 2013. Aan de besluitvorming heeft appellant ten grondslag gelegd dat betrokkene opnieuw onvoldoende gebruik heeft gemaakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB (gedraging I) en zich bovendien heeft misdragen door twee ambtenaren te bedreigen (gedraging II). Op grond van de Verordening maatregelen 2013 (Verordening) past bij gedraging I, gelet op het feit dat sprake is van recidive, een verlaging van de bijstand met 60% gedurende vier maanden. Bij gedraging II past een verlaging van de bijstand met 40% gedurende één maand. Met toepassing van de cumulatiebepaling van

artikel 8 van de Verordening, komt appellant uit op een verlaging van de bijstand van

100% (60% + 40%) gedurende vijf maanden (vier + één maand).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat aannemelijk is geworden dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan de gedragingen I en II. De rechtbank is echter van oordeel dat appellant de hoogte van de maatregel - voorafgaand aan de cumulatie - niet juist heeft bepaald voor zover dit gedraging II betreft. Ook had appellant geen toepassing mogen geven aan de cumulatiebepaling van artikel 8 van de Verordening. De rechtbank heeft gelet daarop het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 25 september 2013 herroepen en bepaald dat de bijstand van betrokkene in verband met gedraging I, rekening houdend met recidive, wordt verlaagd met 60% gedurende twee maanden en dat de bijstand in verband met gedraging II wordt verlaagd met 40% gedurende één maand.

3. Betrokkene en appellant hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het hoger beroep van betrokkene

4.1.

Betrokkene betwist, gelet op het verhandelde ter zitting, niet langer dat hij geen medewerking heeft verleend aan een door appellant aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Hij voert aan dat gedraging I voortvloeide uit frustratie. Deze grond slaagt niet. Mogelijk was betrokkene gefrustreerd omdat hij in verband met de onder 1.2 genoemde maatregel gedurende twee maanden geen uitkering ontving, maar dat leidt er niet toe dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Betrokkene moest ondanks de maatregel meewerken aan de door appellant aangeboden voorziening. Appellant diende, nu betrokkene dit heeft nagelaten, gelet op artikel 18, tweede lid, van de WWB de bijstand van betrokkene te verlagen.

4.2.

Anders dan betrokkene in hoger beroep aanvoert, is aannemelijk dat hij zich jegens appellant zeer ernstig heeft misdragen. De rechtbank heeft, mede gelet op de verklaring van B van 20 april 2015 dat het gesprek op 3 september 2013 heftig was en de mededeling ter zitting van de rechtbank zijdens betrokkene dat het logisch was dat hij door het lint ging, terecht geen reden gezien om te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van het onder 1.3 weergegeven gespreksverslag. Dat de strafzaak van betrokkene in verband met bedreiging is geseponeerd vormt, anders dan betrokkene aanvoert, geen indicatie dat dit verslag niet een juiste weergave vormt van wat betrokkene tijdens het gesprek heeft gezegd. Een bedreiging betreft in het kader van het strafrecht een ander verwijt dan het zich jegens een ambtenaar zeer ernstig misdragen in het kader van de WWB.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat de door betrokkene in hoger beroep aangevoerde gronden niet slagen.

Het hoger beroep van appellant

4.4.

Appellant voert in hoger beroep aan dat de rechtbank ten onrechte de verlaging van 100% gedurende vijf maanden niet in stand heeft gelaten. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij de bijstand met toepassing van artikel 2, tweede lid, van de Verordening kon afstemmen naar die vijf maanden. Appellant heeft dat gemotiveerd met de stelling dat betrokkene bij herhaling heeft laten blijken zich niet te houden aan de verplichtingen uit de WWB en te volharden in zijn gedrag. Om die reden is er volgens appellant in dit geval aanleiding om af te wijken van de in de Verordening bepaalde maatregelen.

4.5.

Deze grond slaagt niet. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant desgevraagd bevestigd dat de gedingstukken geen aanknopingspunten bieden voor andere gedragingen in strijd met de voor betrokkene ingevolge de WWB geldende verplichtingen dan de gedragingen zoals die uit de in deze uitspraak weergegeven feiten blijken. Een maatregel wegens misdraging had appellante niet eerder aan betrokkene opgelegd. Voor de gedragingen die betrokkene verweten worden namelijk het te snel interen op vermogen, het zich jegens een ambtenaar zeer ernstig misdragen en het opnieuw geen gebruik maken van een door appellant aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling, voorziet de Verordening in standaardverlagingen. Uit de ter beschikking staande gegevens blijkt niet van verzwarende omstandigheden die een afwijking rechtvaardigen van de in de Verordening opgenomen - in verband met recidive verhoogde - standaardverlagingen. De rechtbank heeft die standaardverlagingen zowel in geval van gedraging I als in het geval van gedraging II juist toegepast.

Conclusie

4.6.

Uit 4.3 en 4.5 volgt dat de beide hoger beroepen niet slagen. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. In het hoger beroep van betrokkene bestaat voor een veroordeling in de proceskosten geen aanleiding. In het hoger beroep van appellant ziet de Raad aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 495,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand ter zitting.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt appellant in de in hoger beroep door betrokkene gemaakte proceskosten tot een

bedrag van € 495,-;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 497,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk als voorzitter en P.W. van Straalen en

J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2017.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) C.A.E. Bon

HD