Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2021

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-06-2017
Datum publicatie
12-06-2017
Zaaknummer
16/5874 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking na opschorting. Niet verstrekken CIN-nummer kan appellant worden verweten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/5874 PW, 16/5876 PW

Datum uitspraak: 6 juni 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van
19 augustus 2016, 16/2 en 15/3849 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] en [appellante] beiden te Roermond (appellanten)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. W.H.A. Bos, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2017. Appellanten zijn verschenen, vergezeld door hun zoon en bijgestaan door de opvolgend gemachtigde mr. M.J.J. Smeets. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.J.A. Erkens-Hanssen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen in aanvulling op hun ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling).

1.2.

Op 23 maart 2015 heeft de Svb in het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende AIO-aanvulling een aangekondigd huisbezoek afgelegd en appellanten gevraagd hun CIN-nummer (Carte d’Identité Nationale) te verstrekken. Appellanten hebben het gevraagde CIN-nummer niet verstrekt. Aan appellanten is daarop de brief “opvragen Marokkaans identiteitsnummer” overhandigd en verzocht de CIN-nummers in te sturen voor 23 april 2015. Appellanten hebben niet gereageerd. De Svb heeft vervolgens bij brief van 23 april 2015 de gelegenheid geboden de CIN-nummers alsnog vóór 7 mei 2015 te verstrekken. Bij brief van 6 mei 2015 heeft de toenmalige gemachtigde van appellanten aan de Svb meegedeeld dat appellanten niet beschikken over een CIN-nummer, dat zij niet weten hoe zij dit nummer kunnen verkrijgen en de Svb gevraagd contact met hem op te nemen. De Svb heeft hierop telefonisch contact opgenomen met de gemachtigde en hem meegedeeld dat appellanten wel in het bezit zijn van een CIN-nummer, maar dat niet willen verstrekken. De gemachtigde heeft vervolgens de Svb verzocht een nieuwe brief te sturen. Bij brief van

26 mei 2015 heeft de Svb appellanten opnieuw gevraagd hun CIN-nummer te verstrekken vóór 16 juni 2015. De Svb heeft daarbij, voor zover van belang, meegedeeld dat als appellanten niet reageren de betaling van de AIO-aanvulling kan worden gestopt. Appellanten hebben niet gereageerd.

1.3.

Bij besluit van 30 juni 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 december 2015 (bestreden besluit 1), heeft de Svb het recht op AIO-aanvulling per 1 juli 2015 opgeschort. Daarbij heeft de Svb appellanten verzocht hun CIN-nummer alsnog in te zenden vóór 14 juli 2015 en dat bij niet of niet tijdig reageren zal worden bezien of het recht op AIO-aanvulling definitief eindigt.

1.4.

Bij besluit van 16 juli 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 december 2015 (bestreden besluit 2), heeft de Svb de AIO-aanvulling met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet (PW) met ingang van 1 juli 2015 ingetrokken. Hieraan heeft de Svb ten grondslag gelegd dat het CIN-nummer nodig is om een onderzoek in Marokko te starten, dat iedere persoon met de Marokkaanse nationaliteit over een CIN-nummer beschikt en dat de weigering van appellanten om dit nummer te achterhalen voor eigen risico komt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de PW kan de Svb, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten. Artikel 54, tweede lid, van de PW bepaalt dat de Svb aan de belanghebbende mededeling doet van de opschorting en hem uitnodigt binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen. Artikel 54, vierde lid, van de PW bepaalt dat als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van die termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

4.2.

Niet in geschil is dat een Marokkaans CIN-nummer - vergelijkbaar met het burgerservicenummer - voor de verlening van een AIO-aanvulling van belang is en dat appellanten daarover beschikken. Evenmin is in geschil dat appellanten niet binnen de daarvoor door de Svb gestelde termijnen hun CIN-nummer hebben verstrekt.

4.3.

Appellanten hebben aangevoerd dat zij de Nederlandse taal slecht beheersen en dat zij als gevolg van miscommunicatie hun CIN-nummer niet tijdig hebben verstrekt. Appellanten meenden dat zij niet hadden hoeven te reageren op diverse brieven van de Svb en dat hun daarom geen verwijt kan worden gemaakt. Dit betoog faalt. Uit het verslag van het op

23 maart 2015 afgelegde huisbezoek blijkt, anders dan aangevoerd, niet van relevante communicatiestoornissen. Dat medewerkers van de Svb tijdens dat huisbezoek aan appellanten hebben meegedeeld dat zij, zoals zij voor het eerst in hoger beroep stellen, niet hoeven te reageren op volgende verzoeken om verstrekking van hun CIN-nummer is niet geloofwaardig. Bovendien hebben appellanten, bijgestaan door een gemachtigde, eerder in bezwaar en beroep aangevoerd dat zij niet beschikken over een CIN-nummer en niet weten hoe ze dat kunnen verkrijgen. De stelling dat ook sprake is geweest van miscommunicatie met hun voormalig gemachtigde hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt.

4.4.

De Svb was, gelet op wat onder 4.2 en 4.3 is overwogen, bevoegd om na opschorting de AIO-aanvulling van appellanten met ingang van 1 juli 2015 in te trekken met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW. Dat appellanten groot belang hebben bij een inkomen op het bestaansminimum en dat aan hen met ingang van 8 augustus 2016 weer een AIO-aanvulling is toegekend, nadat zij alsnog hun CIN-nummer hebben verstrekt, dwingt niet tot een ander oordeel. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 16 januari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7575) komt in beginsel geen betekenis toe aan gegevens of stukken die na het verstrijken van de bij een opschortingsbesluit gestelde termijn alsnog zijn verstrekt. Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken indien appellanten aannemelijk maken dat het gaat om gegevens of stukken die zij redelijkerwijs niet binnen de gestelde hersteltermijn hebben kunnen verstrekken. Gelet op wat in 4.3 is overwogen bestaat daarvoor geen grond. Het betoog ter zitting dat appellanten alsnog aannemelijk hebben gemaakt dat zij bijstandbehoevend zijn en dat om die reden, gelet op de naar analogie toe te passen vaste rechtspraak over artikel 54, derde lid, van de PW, intrekking in dit geval achterwege moet blijven kan daarom evenmin slagen. De gevolgen van het niet tijdig verstrekken van hun

CIN-nummer heeft de Svb met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW voor rekening en risico van appellanten mogen laten.

4.5.

Uit 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspaak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2017.

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) C. Moustaïne

HD