Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2017

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2017
Datum publicatie
08-06-2017
Zaaknummer
15/8095 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ZW-uitkering ten onrechte beëindigd. Het medisch onderzoek is toereikend en voldoende zorgvuldig geweest. De verzekeringsarts heeft de informatie van de behandelend sector alsnog bij de beoordeling betrokken en enkele beperkingen aan de FML toegevoegd. Geen aanleiding voor het oordeel dat de verzekeringsarts de medische toestand van appellant onjuist heeft ingeschat. De functie van acquisiteur kan niet aan de schatting ten grondslag worden gelegd. Gevolg hiervan is dat er onvoldoende functies overblijven om de mate van arbeidsongeschiktheid op te kunnen baseren en de eventuele geschiktheid van de overige geduide functies derhalve geen bespreking meer behoeft. Vernietiging bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/8095 ZW

Datum uitspraak: 7 juni 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

6 november 2015, 15/1190 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.C.M. Peper, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift en het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 25 januari 2016 ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Peper. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

T. van der Weert.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als vrachtwagenchauffeur voor gemiddeld 50 uur in de week. Zijn dienstverband is per 1 oktober 2012 geëindigd. Appellant heeft zich op 16 september 2013 ziek gemeld met psychische klachten. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Appellant is per 2 december 2013 weer arbeidsgeschikt geacht en per die datum is zijn WW-uitkering voortgezet.

1.2.

Appellant heeft zich op 17 april 2014 ziek gemeld wegens rugklachten. In het kader van een eerstejaars Ziektewet-beoordeling heeft een verzekeringsarts appellant op 11 maart 2015 gezien. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 maart 2015. Een arbeidsdeskundige heeft een vijftal functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 68,92% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 13 april 2015 vastgesteld dat appellant met ingang van 17 mei 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.

1.3.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 13 april 2015. Hij acht zich niet in staat om de geselecteerde functies te vervullen. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens vastgesteld dat een aantal functies niet passend zijn vanwege een overschrijding in de zitbelasting. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft door de primaire arbeidsdeskundige geselecteerde functies van schadecorrespondent (SBC-code 516080) en telefonisch werkvoorbereider, planner (SBC-code 521010) geheel laten vervallen. Binnen de functie van telefoniste receptioniste (SBC-code 515204) heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een functie laten vervallen en een vergelijkbare functie bijgeduid. Er blijven volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep nog voldoende geschikte functies met voldoende arbeidsplaatsen over waarmee appellant nog steeds ten minste 65% kan verdienen van zijn maatmaninkomen. Bij besluit van 5 juni 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 april 2015 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant, kort samengevat, herhaald dat hij meer beperkt is dan weergegeven in de FML en dat ten onrechte geen rekening is gehouden met zijn psychische klachten. Hij voelt zich hierbij gesteund door de in beroep en hoger beroep overgelegde medische informatie van de behandelend sector. Voorts heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ongemotiveerd voorbij is gegaan aan zijn stelling dat de belasting in de geselecteerde functies niet overeenkomt met zijn in de FML opgenomen beperkingen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de Ziektewet (ZW) heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Onder het maatmaninkomen wordt verstaan het inkomen dat een verzekerde zou hebben verdiend, als hij niet arbeidsongeschikt zou zijn geworden. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920). Op grond van artikel 19aa, tweede lid, van de ZW bestaat recht op ziekengeld tot een maand na de dag waarop de verzekerde in staat is om meer dan 65% van het maatmaninkomen per uur te verdienen.

4.2.

Hangende het beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de FML van 11 maart 2015 op een aantal aspecten aangepast. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de gevolgen hiervan onderzocht en met inachtneming van de aangepaste FML van 21 augustus 2015 vastgesteld dat appellant nog steeds geschikt is voor de aan de schatting ten grondslag gelegde functies van transsportplanner, medewerker bevrachting (SBC-code 484010), telefoniste receptioniste (SBC-code 515204) en acquisiteur (SBC-code 516180).

4.3.

Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit verenigt de Raad zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen die zij daaraan ten grondslag heeft gelegd. Het medisch onderzoek is toereikend en voldoende zorgvuldig geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de in de beroepsfase overgelegde informatie van de behandelend sector alsnog bij de beoordeling betrokken en enkele beperkingen aan de FML toegevoegd. Naar het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is er geen sprake van een psychiatrisch ziektebeeld op basis waarvan er beperkingen moeten worden aangenomen in de rubrieken persoon en sociaal functioneren. De in hoger beroep overgelegde informatie van de rugpoli Twente van 6 januari 2016, waaruit blijkt dat bij appellant sprake is van discogene rugklachten bij forse standsafwijkingen LWK en dat appellant voor het laatst is gezien op 16 april 2015, was reeds bekend bij het Uwv en is blijkens het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 21 augustus 2015 bij de beoordeling van de beperkingen meegenomen. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische toestand van appellant onjuist heeft ingeschat.

4.4.

Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit ziet de Raad zich gesteld voor de vraag of de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt zijn. Anders dan de rechtbank, beantwoordt de Raad deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt. Blijkens de FML van 21 augustus 2015 is appellant (onder meer) beperkt geacht voor aspect 5.4 staan. Volgens de FML kan appellant tijdens het werk zo nodig gedurende een beperkt deel van de werkdag staan (ongeveer 1 uur). In de functie van acquisiteur (SBC-code 516180) komt staan tijdens 8 werkuren 5 maal ongeveer 1 minuten achtereen en tijdens

1 werkuur 4 maal ongeveer 15 minuten achtereen (2 tot 3 keer per week) voor, waarmee het weliswaar binnen de maximaal aaneengesloten tijd blijft, maar een overschrijding van de totale tijd oplevert. Voorgaande betekent dat in de functie twee tot drie dagen per week ongeveer 2 uur per werkdag wordt gestaan, terwijl appellant, gezien de FML, slechts in staat is om ongeveer 1 uur per werkdag te staan. In zijn rapportages van 26 augustus 2015 en

25 januari 2016 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep deze belasting toelaatbaar geacht omdat het slechts incidenteel voorkomt, het staan in de showroom grotendeels vermeden kan worden door stukjes te lopen en omdat het ook goed mogelijk is om de werkzaamheden in de showroom op een sta-zithulp uit te voeren. De door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gegeven motivering met betrekking tot dit aspect acht de Raad niet in overeenstemming met de FML. De belasting is op een ontoelaatbare wijze gerelativeerd. Daarbij zij opgemerkt dat appellant in de FML ook beperkt is geacht voor aspect 4.19 lopen. Appellant kan tijdens het werk, zo nodig gedurende een beperkt deel van de werkdag, ongeveer 1 uur lopen. Gelet op voorgaande overwegingen, in combinatie met het gegeven dat er in de functie tevens vier tot twaalf keer per jaar sprake is van een overschrijding van de zitbelasting, moet worden geconcludeerd dat de functie van acquisiteur niet aan de schatting ten grondslag kan worden gelegd. Gevolg hiervan is dat er onvoldoende functies overblijven om de mate van arbeidsongeschiktheid op te kunnen baseren en de eventuele geschiktheid van de overige geduide functies derhalve geen bespreking meer behoeft.

4.5.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep slaagt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en dat het bestreden besluit een deugdelijke motivering mist en wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand kan blijven.

5. Gelet op het feit dat het Uwv reeds in beroep en in hoger beroep uitvoerig getracht heeft te motiveren waarom de geduide functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant, bestaat geen aanleiding om te volstaan met een vernietiging van het bestreden besluit en het Uwv gelegenheid te bieden de motivering aan te vullen. Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van Awb zal de Raad zelf voorzien en het besluit van 13 april 2015 herroepen. Daarmee vervalt de beëindiging van de ZW-uitkering per 17 mei 2015.

6. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in beroep en hoger beroep heeft gemaakt. De kosten worden begroot op € 992,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 992,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en € 44,74 aan reiskosten voor het bijwonen van de zitting in beroep en hoger beroep. Ten aanzien van de geclaimde kostenvergoeding in verband met het opvragen van medische informatie van de behandelend sector in beroep en in hoger beroep overweegt de Raad dat deze niet voor vergoeding in aanmerking komen, nu appellant heeft nagelaten deze kosten te specificeren, dan wel heeft nagelaten bewijsstukken over te leggen die aannemelijk maken dat zodanige kosten daadwerkelijk zijn gemaakt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 5 juni 2015;

  • -

    herroept het besluit van 13 april 2105 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 5 juni 2015;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 2.024,74;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van M. Gayir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2017.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) M. Gayir

IvR