Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2011

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-06-2017
Datum publicatie
12-06-2017
Zaaknummer
16/4916 NIOAW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen NIOAW met terugwerkende kracht. Niet gebleken van eerder contact met college waarbij appellant zich heeft gemeld om IOAW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 4916 NIOAW

Datum uitspraak: 6 juni 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 juni 2016, 15/6815 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Molenaar, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om vergoeding van schade ingediend.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Molenaar. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.R. Keyser.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 14 mei 2013 een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW). Bij besluit van 10 december 2014 heeft het college deze uitkering met ingang van 1 juli 2014 ingetrokken.

1.2.

Op 29 december 2014 heeft appellant de dienst Werk en Inkomen van de gemeente Rotterdam (Werk en Inkomen) gebeld met de vraag wanneer zijn uitkering wordt uitbetaald. Uit de terugbelnotitie van 29 december 2014 blijkt dat appellant is teruggebeld en dat hierbij op zijn voicemail is ingesproken dat hij een nieuwe aanvraag IOAW moest indienen. Op 15 januari 2015 heeft Werk en Inkomen van appellant een wijzigingsformulier gedateerd 6 januari 2015 ontvangen, waarop appellant heeft ingevuld dat hij sinds 1 oktober 2014 is gestopt met werken bij [naam werkgever] en dat hij sindsdien werkloos is.

1.3.

Op 30 januari 2015 heeft appellant zich bij Werk en Inkomen gemeld om opnieuw een IOAW-uitkering aan te vragen. De daartoe strekkende aanvraag heeft hij op 2 februari 2015 ingediend. Daarbij heeft appellant 1 december 2014 als gewenste ingangsdatum opgegeven met als reden dat zijn IOAW-uitkering was stopgezet.

1.4.

Bij besluit van 30 maart 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 oktober 2015 (bestreden besluit), heeft het college een IOAW-uitkering toegekend met als ingangsdatum 30 januari 2015. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college de uitkering met terugwerkende kracht moet toekennen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het besluit van 30 maart 2015 herroepen, voor zover deze besluiten betrekking hebben op de ingangsdatum van de

IOAW-uitkering, en de ingangsdatum vastgesteld op 15 januari 2015. De rechtbank heeft overwogen dat het college op grond van bijzondere omstandigheden aan appellant per 15 januari 2015 een IOAW-uitkering had moeten verstrekken. Het college heeft op die datum het wijzigingsformulier van appellant ontvangen. In samenhang met wat appellant op 29 december 2014 telefonisch heeft meegedeeld is gebleken dat hij in aanmerking wilde komen voor een IOAW-uitkering en dat hij zich met dat doel tot het college heeft gewend.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank de ingangsdatum heeft vastgesteld op 15 januari 2015. Appellant wenst met ingang van 29 december 2014 in aanmerking te komen voor een IOAW-uitkering.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de IOAW stelt het college het recht op uitkering op schriftelijke aanvraag vast. Ingevolge artikel 16a, eerste lid, van de IOAW wordt, indien door het college is vastgesteld dat recht op uitkering bestaat, de uitkering toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om een uitkering aan te vragen.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 8 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2325), brengt artikel 16a, eerste lid, van de IOAW mee dat in beginsel geen uitkering wordt verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de aanvraag is ingediend en/of de melding heeft plaatsgevonden, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Van zulke omstandigheden kan sprake zijn als komt vast te staan dat betrokkene al eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend, of indien gebleken is dat betrokkene op enigerlei wijze actie in de richting van het college heeft ondernomen die tot het innemen van een daartoe strekkende aanvraag had moeten leiden.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat uit de terugbelnotitie blijkt dat hij op 29 december 2014 in aanmerking wilde komen voor een IOAW-uitkering en dat hij zich met dat doel tot het college had gewend. Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de terugbelnotitie van 29 december 2014 blijkt slechts dat appellant wilde weten wanneer zijn uitkering werd uitbetaald. Anders dan appellant betoogt, kan uit de vermelding in de terugbelnotitie, dat appellant sinds eind oktober geen werk meer heeft en dat hem een wijzigingsformulier is toegestuurd voor deze melding, niet worden afgeleid dat sprake is van een melding als bedoeld in artikel 16a, eerste lid, van de IOAW. Ook anderszins is niet gebleken dat appellant vóór 15 januari 2015 contact met Werk en Inkomen heeft opgenomen met als doel in aanmerking te komen voor een IOAW-uitkering of dat hij van het indienen van een aanvraag is afgehouden.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd. Gelet hierop is het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade niet voor toewijzing vatbaar.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2017.

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) C. Moustaïne

HD