Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2010

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-06-2017
Datum publicatie
12-06-2017
Zaaknummer
15/5405 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzwegen gezamenlijke huishouding. Toepassing onweerlegbaar rechtsvermoeden. Onvoldoende feitelijke grondslag voor hele periode.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5405 WWB, 15/5407 WWB

Datum uitspraak: 6 juni 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

26 juni 2015, 14/3814 en 14/9135 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] (appellante) en [appellant] (appellant), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. L. Windhorst, advocaat, hoger beroepen ingediend tegen de aangevallen uitspraak.

Het college heeft verweerschriften in gediend.

Appellanten hebben een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Windhorst, die ook namens appellant optrad. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door D.L. Swart.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 1 augustus 2005 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellanten zijn van 10 april 2000 tot

2 juni 2006 gehuwd geweest en hebben samen drie kinderen, waaronder een op [geboortedatum] 2009 geboren tweeling. Appellante staat sinds 19 oktober 2005 samen met haar kinderen in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (gba), thans basisregistratie personen, ingeschreven op het adres [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres). Appellant stond vanaf 5 september 2007 in de gba ingeschreven op het adres [adres 2] te [woonplaats] .

1.2.

Naar aanleiding van een melding van de woningbouwvereniging van 8 december 2011 dat de woning van appellant waarschijnlijk wordt onderverhuurd en dat het vermoeden bestaat dat appellant bij appellante woont, hebben medewerkers van de Afdeling Bijzonder Onderzoek van de gemeente Den Haag een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader hebben de medewerkers onder meer dossieronderzoek gedaan, registraties geraadpleegd, in de periode van 19 november 2012 tot en met 14 december 2012 waarnemingen in de omgeving van het uitkeringsadres verricht, de werkgever van appellant als getuige gehoord en op 1 februari 2013 een huisbezoek op het uitkeringsadres afgelegd. Aansluitend hebben de medewerkers ook een huisbezoek op het adres van appellant afgelegd. De medewerkers hebben de bevindingen neergelegd in een rapportage van 13 februari 2013 en het onderzoek overgedragen aan de sociale recherche van de gemeente Den Haag (sociale recherche).

1.3.

De sociale recherche heeft vervolgens onder meer politiegegevens opgevraagd, informatie ingewonnen bij de wijkagent, getuigen, waaronder buurtbewoners van het uitkeringsadres, gehoord, en appellanten op 21 en 22 oktober 2013 verhoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 14 november 2013.

1.4.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

14 november 2013 de bijstand van appellante met ingang van 1 november 2013 in te trekken. Tevens heeft het college aanleiding gezien om bij besluit van 29 november 2013 de bijstand van appellante over de periode van 1 september 2009 tot en met 31 oktober 2013 te herzien (lees: in te trekken) en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen tot een bedrag van € 71.215,13. Bij besluit van 31 maart 2014 (bestreden besluit 1) heeft het college de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 14 en

29 november 2013 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellanten op het uitkeringsadres een gezamenlijke huishouding voerden. Appellante heeft hiervan in strijd met de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geen melding gemaakt.

1.5.

Bij besluit van 3 december 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 augustus 2014 (bestreden besluit 2), heeft het college de van appellante teruggevorderde kosten van bijstand mede van appellant teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellanten tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 september 2009 tot en met 14 november 2013.

4.2.

Een besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaderen. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat is voldaan aan de voorwaarden voor intrekking, in dit geval het voeren van een gezamenlijke huishouding op het uitkeringsadres, in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Vaststaat dat uit de relatie van appellanten kinderen zijn geboren. Voor de beantwoording van de vraag of in de te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding is daarom ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB uitsluitend van belang of appellanten hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Meer in het bijzonder ligt hier de vraag voor of appellant zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.

4.4.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Appellanten stonden in de te beoordelen periode op afzonderlijke adressen ingeschreven. Dat gegeven staat op zichzelf niet in de weg aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning op één van die adressen. Vergelijk de uitspraak van 21 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1370.

4.4.1.

Uit de waarnemingen in de periode van 19 november 2012 tot en met 14 december 2012 blijkt dat op meerdere werkdagen is waargenomen dat appellant vanaf het uitkeringsadres in de vroege ochtend werd opgehaald voor zijn werk. De werkgever van appellant heeft op 5 februari 2013 verklaard dat appellant sinds december 2012 wordt opgehaald op het uitkeringsadres.

4.4.2.

Tijdens het huisbezoek op 1 februari 2013 aan de woning op het uitkeringsadres hebben de medewerkers in de slaapkamer van appellante in en op de kledingkast en naast het bed meerdere kledingstukken van appellant aangetroffen. In de hal van de woning zijn onder andere een rugzak en schoenen van appellant aangetroffen. Ook in de badkamer zijn in de wasmachine en in de wasmand meerdere kledingstukken van appellant alsmede een scheermes en scheerschuim aangetroffen. Verder is appellant in de badkamer, verstopt achter het douchegordijn, aangetroffen. Aansluitend heeft een huisbezoek aan de woning van appellant plaatsgevonden. Appellant kon desgevraagd in het geheel geen (onder)kleding van zichzelf tonen. In de woning is in de door appellant als zijn slaapkamer aangewezen kamer wel dameskleding aangetroffen. Tijdens het huisbezoek waren twee vrouwen en een man in de woning aanwezig. De medewerkers hebben op 12 februari 2013 wederom een huisbezoek aan de woning van appellant afgelegd. Appellant is niet in de woning aangetroffen.

4.4.3.

Appellante heeft op 21 oktober 2013 tegenover de sociale recherche verklaard dat rond de geboorte van de tweeling in 2009 weer toenadering tot appellant is ontstaan en dat dit in februari 2013 nog meer is geworden. Appellante heeft verder verklaard dat appellant gisteren, eergisteren en de dag daarvoor bij haar sliep en dat hij af en toe van haar adres naar zijn werk vertrekt. Zij helpt appellant met alles, zoals bij het invullen van formulieren, zij doet de was voor hem en kookt voor hem. Op 22 oktober 2013 heeft appellante verklaard dat appellant een eigen sleutel heeft van de woning op het uitkeringsadres. Appellant is pas de laatste twaalf maanden vaker bij haar en zij is in haar beleving in februari of maart 2013 met appellant gaan samenwonen.

4.4.4.

Appellant heeft op 21 oktober 2013 tegenover de sociale recherche verklaard dat hij naar het uitkeringsadres gaat als hij dat wil. Hij eet twee of drie keer per week bij appellante en appellante kookt dan. Hij brengt soms de was naar appellante. Appellante vult ook formulieren voor hem in. Hij is dagelijks op de [uitkeringsadres] omdat hij daar vrienden en kennissen in de buurt heeft. Op 22 oktober 2013 heeft appellant verklaard dat hij elke dag op het uitkeringsadres komt, waar zijn was, kleding en administratie ligt, maar dat hij daar niet elke dag slaapt. Hij heeft verklaard dat hij woont op zijn eigen adres. Na de geboorte van de tweeling kwam hij wel vaker bij appellante.

4.5.

Met de in 4.4 genoemde waarnemingen, de verklaring van de werkgever van appellant, de huisbezoeken en de kort weergegeven verklaringen van appellanten heeft het college aannemelijk gemaakt dat appellant in ieder geval vanaf 3 december 2012, de eerste dag waarop is waargenomen dat hij vanaf het uitkeringsadres naar zijn werk vertrok, zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres heeft gehad. Voor zover appellanten met de beroepsgrond dat dit verblijf een incidenteel karakter had en was ingegeven door het alcoholmisbruik van appellant, die kennelijk steeds in beschonken toestand voor de deur stond en het verblijf in de woning heeft afgedwongen, hebben bedoeld te betogen dat rekening dient te worden gehouden met de reden waarom appellant op het uitkeringsadres verbleef, slaagt deze beroepsgrond niet. In de hiervoor genoemde onderzoeksbevindingen zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat slechts sprake was van een incidenteel verblijf in de woning op het uitkeringsadres. Verder dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.6.

De beroepsgrond dat onvoldoende feitelijke grondslag voorhanden is voor de conclusie dat appellant reeds vanaf 1 september 2009 zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante, slaagt wel. In de in 4.4.3 en 4.4.4 genoemde verklaringen van appellanten wordt weliswaar gesproken over een verandering in de relatie van appellanten na de geboorte van de tweeling op [geboortedatum] 2009, maar hieruit kan niet worden afgeleid dat appellant reeds vanaf die datum zijn hoofdverblijf in de woning op het uitkeringsadres heeft gehad. Daarvoor bevatten de verklaringen van appellanten geen aanknopingspunten.

4.6.1.

Anders dan het college heeft betoogd kan in de twee - in het rapport van 14 november 2014 samengevat weergegeven - verklaringen van (oud) buurtbewoners van het uitkeringsadres evenmin een toereikende feitelijke grondslag worden gevonden. Deze verklaringen houden in dat appellanten worden herkend op de getoonde foto’s als de bewoners van het uitkeringsadres die daar zijn komen wonen met een dochter en dat later de tweeling erbij is gekomen. Deze verklaringen zijn echter onvoldoende specifiek en gedetailleerd en daaruit blijkt onvoldoende of de verklaringen over het wonen van appellanten in de woning op het uitkeringsadres berusten op concrete feitelijke waarnemingen of dat dit slechts de indruk van de getuigen is. Ditzelfde geldt voor de - eveneens samengevat weergegeven - verklaring van de eigenaresse van het voertuig waarvan appellante

gebruikmaakt. Daarbij is haar verklaring dat appellant dagelijks op het uitkeringsadres komt niet gespecificeerd in tijd zodat hieruit niet kan worden afgeleid dat de verklaring over de aanwezigheid van appellant ook ziet op de in 4.5 genoemde periode. Verder bevat de verklaring dat appellanten op het moment dat de tweeling werd geboren weer bij elkaar zijn gekomen geen feitelijke gegevens over het hoofdverblijf van appellant.

4.6.2.

Appellanten hebben verder terecht aangevoerd dat uit het proces-verbaal van bevindingen van de wijkagent van 18 juni 2013 enkel kan worden afgeleid dat appellant op momenten in de woning op het uitkeringsadres aanwezig is geweest. De bevindingen van de wijkagent bevatten geen feitelijke elementen over het hoofdverblijf van appellant op het uitkeringsadres. Ditzelfde geldt voor de mutaties van de politie. Hieruit kan enkel worden afgeleid dat appellant herhaaldelijk is aangetroffen op de [uitkeringsadres] .

4.7.

Uit 4.4 tot en met 4.6.2 volgt dat niet al per 1 september 2009, maar pas vanaf

3 december 2012 sprake was van een gezamenlijke huishouding tussen appellanten, zodat geen toereikende grondslag bestaat voor de intrekking van de bijstand van appellante over de periode van 1 september 2009 tot en met 2 december 2012. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Het hoger beroept treft in zoverre doel. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en de bestreden besluiten wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen, voor zover het betreft de intrekking van de bijstand van appellante over de periode van 1 september 2009 tot en met 2 december 2012. In aanmerking genomen dat geen grondslag bestaat voor de (mede)terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over die periode en dat een (mede)terugvorderingsbesluit als ondeelbaar moet worden beschouwd, zullen de bestreden besluiten tevens worden vernietigd voor zover het de (mede)terugvordering betreft. Tevens bestaat aanleiding het besluit van

29 november 2013 te herroepen, voor zover dit betrekking heeft op de periode van

1 september 2009 tot en met 2 december 2012, aangezien aan dit besluit in zoverre hetzelfde gebrek kleeft als aan bestreden besluit 1 en niet aannemelijk is dat dit gebrek nog kan worden hersteld.

4.8.

Het college zal een nieuwe berekening van het terug te vorderen bedrag moeten maken over de periode van 3 december 2012 tot en met 31 oktober 2013. De Raad heeft onvoldoende financiële gegevens om in zoverre zelf in de zaak te voorzien. Mede in aanmerking genomen dat de toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus zich niet verdraagt met het rechtsmiddel van cassatie, bestaat aanleiding het college op te dragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellanten tegen de besluiten van 29 november 2013, voor zover het de terugvordering betreft, en van 3 december 2013.

4.9.

Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de nieuwe besluiten slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten van appellanten voor verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op € 1.485,- in bezwaar, op € 1.485,- in beroep en € 1.485,- in hoger beroep, dus in totaal op € 4.455,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- vernietigt het besluit van 31 maart 2014, voor zover het betreft de intrekking van de bijstand

over de periode van 1 september 2009 tot en met 2 december 2012 en de terugvordering;

- herroept het besluit van 29 november 2013, voor zover het betreft de intrekking van de

bijstand over de periode van 1 september 2009 tot en met 2 december 2012 en bepaalt dat

deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van

31 maart 2014;

- draagt het college op met betrekking tot de terugvordering een nieuwe beslissing op bezwaar

te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- vernietigt het besluit van 25 augustus 2014;

- draagt het college op met betrekking tot de medeterugvordering een nieuwe beslissing op

bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 4.455,-;

- bepaalt dat het college aan appellanten het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en G.M.G. Hink en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van W.A.M. Ebbinge als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2017.

(getekend) M. Hillen

(getekend) W.A.M. Ebbinge

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

HD