Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2009

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-06-2017
Datum publicatie
12-06-2017
Zaaknummer
16/1677 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking na opschorting. Verwijtbaarheid niet verschijnen met medebrenging stukken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/1677 WWB

Datum uitspraak: 6 juni 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
1 februari 2016, 15/3260 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H. Zahi, advocaat, hoger beroep ingesteld, een nader stuk ingediend en een verzoek om vergoeding van schade ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 25 april 2017. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 17 juni 2008 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), thans Participatiewet (PW). In het kader van een rechtmatigheidsonderzoek heeft het college bij brief van 14 november 2014 appellante uitgenodigd voor een gesprek op

18 november 2014 met het verzoek nader genoemde gegevens mee te nemen. Op

18 november 2014 heeft appellante deze afspraak afgezegd. Daarop heeft het college op diezelfde dag appellante opnieuw uitgenodigd voor een gesprek op 21 november 2014. Bij besluit van 21 november 2014 (opschortingsbesluit) heeft het college het recht op bijstand met ingang van 21 november 2014 opgeschort, omdat appellante die dag niet is verschenen op de afspraak. Daarbij is appellante alsnog uitgenodigd voor een gesprek op 24 november 2014 en wederom verzocht nader genoemde gegevens, waaronder bankafschriften, mee te nemen.

1.2.

Bij besluit van 5 december 2014 (intrekkingsbesluit), na bezwaar van 2 januari 2015 gehandhaafd bij besluit van 15 april 2015 (bestreden besluit), heeft het college met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB de bijstand met ingang van 21 november 2014 ingetrokken. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellante niet is verschenen op de gesprekken op 21 en 24 november 2014, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de PW kan het college, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten. Artikel 54, tweede lid, van de PW bepaalt dat het college aan de belanghebbende mededeling doet van de opschorting en hem uitnodigt binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen. Artikel 54, vierde lid, van de PW bepaalt dat als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van die termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

4.2.

Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen het opschortingsbesluit. Appellante stelt dat zij tegen dat besluit op 23 december 2014 bezwaar heeft gemaakt en heeft daartoe een bezwaarschrift overgelegd. Dit betoog kan niet slagen. Het college ontkent de ontvangst van dat bezwaarschrift. Met de verwijzing naar een etiket van een medicijn tegen ontstekingspijn en algemene informatie over het chikungunya-virus heeft appellante, tegenover de betwisting door het college, niet aannemelijk gemaakt dat zij een bezwaarschrift heeft ingediend tegen het opschortingsbesluit.

4.3.

Niet is in geschil dat appellante niet is verschenen op de gesprekken van 21 en

24 november 2014 en dat zij evenmin de gevraagde gegevens heeft overgelegd. De door het college bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens, waaronder bankafschriften, zijn, anders dan appellante heeft aangevoerd, van belang voor de verlening van bijstand.

4.4.

In wat appellante heeft aangevoerd, is geen grond gelegen voor het oordeel dat haar geen verwijt kan worden gemaakt van het niet verschijnen op de gesprekken en het niet verstrekken van de gevraagde gegevens. Met de enkele stelling dat zij het chikungunya-virus had opgelopen en de verwijzing naar het gebruik van een medicijn tegen ontstekingspijn heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij daartoe niet in staat was. Ook in hoger beroep heeft appellante geen concreet en verifieerbaar bewijs, zoals een doktersverklaring, overgelegd.

4.5.

Het college was gelet op wat onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen, bevoegd om met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW de bijstand van appellante met ingang van

21 november 2014 in te trekken. Dat appellante volledig afhankelijk is van bijstand, noopt niet tot een ander oordeel.

4.6.

Uit 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade moet daarom worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2017.

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) C. Moustaïne

HD