Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2008

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-06-2017
Datum publicatie
12-06-2017
Zaaknummer
15/6090 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beschikking over onroerend goed. Vanaf datum aankoop, niet vanaf datum volmacht. Intrekking en terugvordering voor deel periode vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 6090 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

6 augustus 2015, 14/4781 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk (college)

Datum uitspraak: 6 juni 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. A. Çinar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 3 maart 2017 heeft mr. P. van Wegen zich als opvolgend advocaat gesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Wegen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

P.J. Boonstra en C. van Bodegom.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen sinds 11 november 2007 bijstand ten tijde hier van belang op grond van de Wet werk en bijstand naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Naar aanleiding van een telefonische melding van een schoonzus van appellanten dat appellant een huis in Marokko heeft gekocht, heeft de sociale recherche van de gemeente Beverwijk (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer de broer en schoonzus van appellant op 20 augustus 2013 gehoord en van hen een eigendomsbewijs ontvangen. Hieruit blijkt dat een perceel met een woning in [plaatsnaam] met eigendomsaktenummer [eigendomsaktenummer] op naam van appellant staat. Daarop heeft de sociale recherche het Internationaal Bureau Fraude-informatie (IBF) gevraagd om een rechtmatigheidsonderzoek in te stellen naar vermogen in de vorm van onroerende zaken in Marokko van appellanten. Uit het vervolgens in opdracht van het IBF door het Bureau Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Rabat verrichte onderzoek blijkt dat het perceel met de woning van de eigendomsakte op naam van appellant is gelegen aan de [adres] , [plaatsnaam] (woning) en dat de waarde daarvan door een beëdigd taxateur in een daartoe opgesteld taxatierapport van 2 oktober 2013 is geschat op € 230.000,-.

1.3.

De sociale recherche heeft vervolgens nader onderzoek gedaan en in dat kader onder meer dossieronderzoek gedaan, aanvullende stukken ontvangen betreffende de woning, waaronder een verzoek de onderhandse verkoopovereenkomst in te schrijven in het register van Eigendommen en een op 27 juli 2009 door appellant aan zijn moeder gegeven volmacht met betrekking tot de woning, en appellant op 18 maart 2014 en appellante op 19 maart 2014 verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 1 april 2014.

1.4.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om, voor zover hier van belang, bij besluit van 9 mei 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 november 2014 (bestreden besluit), de bijstand van appellanten over de periode van 11 november 2007 tot en met 8 mei 2014 in te trekken, per 9 mei 2014 te beëindigen en de over de periode van

11 november 2007 tot en met 28 februari 2014 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 120.488,59 van appellanten terug te vorderen. Het college heeft aan de besluitvorming, voor zover hier van belang, ten grondslag gelegd dat appellant in ieder geval vanaf 27 juli 2009 beschikte over de woning in Marokko. Appellanten hebben in de periode van 27 juli 2009 tot en met 9 mei 2014 in strijd met de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting geen melding gemaakt van het bezit van vermogen boven de voor hen geldende vermogensgrens met als gevolg dat niet langer recht op bijstand bestaat.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover het ziet op de ongegrondverklaring van de bezwaren van appellanten tegen het besluit van 9 mei 2014 en de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het college ten onrechte geen onderzoek heeft verricht naar de authenticiteit van de aan de besluitvorming ten grondslag liggende documenten terwijl appellanten deze hebben betwist. In de beroepsfase heeft het college echter alsnog onderzoek laten doen en daartoe de rapportage van 13 april 2015 van de attaché van het Bureau Sociale Zaken bij de Nederlandse Ambassade in Marokko (attaché) overgelegd. Hieruit blijkt onder andere dat de authenticiteit van het eigendomsbewijs door een ambtenaar van het Kadaster is bevestigd alsmede dat de eigendomsakte met

nummer [eigendomsaktenummer] op naam van appellant staat als enige eigenaar van de woning.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Gelet op het verhandelde ter zitting beperkt het geschil zich in hoger beroep tot de periode van 27 juli 2009 tot en met 8 mei 2014 (periode in geding).

4.2.

Het besluit tot intrekking van de bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Niet langer in geschil is dat in de periode in geding appellant in het kadaster als eigenaar van de woning stond geregistreerd. Appellanten hebben aangevoerd dat appellant niet over de woning kan beschikken omdat deze (mede) toebehoort aan en bestemd is voor familieleden van appellant.

4.4.

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 28 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX6120) rechtvaardigt het feit dat onroerende zaken in een officieel eigendomsregister op naam van een betrokkene staan geregistreerd de vooronderstelling dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover hij beschikt dan wel redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

4.5.

Uit de rapportage van de attaché van 13 april 2015 en de voorhanden zijnde stukken betreffende de woning volgt dat op 27 juli 2009 een notariële volmacht is opgemaakt waarbij appellant zijn moeder heeft gemachtigd om hem te vertegenwoordigen en als plaatsvervanger op te treden met betrekking tot de woning. Krachtens deze volmacht heeft de moeder van appellant het kadaster op 2 oktober 2012 verzocht de onderhandse verkoopovereenkomst in te schrijven en daartoe verklaard dat zij namens appellant op 6 augustus 2009 de gehele onroerende zaak heeft gekocht voor de prijs van 1.500.000 dirham. Uit de eigendomsverklaring van 24 juni 2013 blijkt dat appellant de enige eigenaar is en dat geen zakelijke rechten of lasten op de onroerende zaak zijn ingeschreven. Uit de rapportage van de attaché blijkt verder dat de medewerkers op 19 maart 2015 een bezoek hebben gebracht aan het Kadaster en aan de notariële rechtbank te [plaatsnaam] . Hieruit blijkt dat appellant in het Kadaster geregistreerd staat als enige eigenaar van de woning en dat de stukken van de inschrijving van de verkoopovereenkomst en de gegeven volmacht correct zijn en staan ingeschreven in de registers van de notariële afdeling van de rechtbank.

4.6.

Uit 4.5 blijkt dat appellant in de periode in geding niet slechts mede-eigenaar was van de woning. Ook anderszins heeft appellant niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat hij in die periode of een deel daarvan niet de (volledige) beschikkingsmacht had over de woning. In de beschikbare gegevens zijn geen aanknopingspunten voorhanden dat de woning (mede) in eigendom van meerdere familieleden zou zijn.

4.7.

Appellant heeft ter zitting van de Raad verzocht het onderzoek te heropenen, om nader onderzoek te laten verrichten in verband met de onderbouwing van de stelling dat de woning (mede) in eigendom zou zijn van meerdere familieleden. Hiervoor bestaat geen aanleiding, reeds omdat in deze stelling geen aanknopingspunten te vinden zijn voor twijfel aan de juistheid van de bevindingen van de attaché en de voorhanden zijnde stukken betreffende de woning.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat appellant beschikte dan wel redelijkerwijs kon beschikken over onroerende zaken. Uit 4.5 volgt echter dat appellant, anders dan het college betoogt, eerst op 6 augustus 2009 kon beschikken over de woning. Dat appellant op 29 juli 2009 een volmacht met betrekking tot de woning heeft getekend, betekent niet dat hij op die datum reeds beschikte over de woning. De gegeven volmacht strekte immers ook tot aankoop van de woning, welke aankoop eerst op 6 augustus 2009 heeft plaatsgevonden. Vaststaat dat de waarde van de woning ruimschoots boven het vrij te laten vermogen ligt. Uit zowel het in opdracht van het college opgestelde taxatierapport als het in opdracht van appellanten opgestelde taxatierapport blijkt immers dat de waarde van de onroerende zaak in de periode van 6 augustus 2009 tot 9 mei 2014 is gelegen boven de voor appellanten van toepassing zijnde vermogensgrens.

4.9.1.

Uit 4.8 volgt dat de intrekking van de bijstand over de periode tot 6 augustus 2009 niet in stand kan blijven. Daarmee is tevens de grondslag aan de terugvordering over deze periode komen te ontvallen. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak moet daarom worden vernietigd voor zover de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het bestreden besluit vernietigen voor zover het betreft de intrekking van de bijstand over de periode tot 6 augustus 2009 en het bestreden besluit in zijn geheel vernietigen voor zover het betreft de terugvordering omdat deze ondeelbaar is. Aangezien het besluit van 9 mei 2014, voor zover daarbij de bijstand over die periode is ingetrokken, op dezelfde ondeugdelijke grondslag berust en niet aannemelijk is dat het college dit gebrek nog kan herstellen, ziet de Raad tevens aanleiding dit besluit in zoverre te herroepen. Vervolgens dient te worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven.

4.9.2.

Gelet op 4.8 heeft het college de gemaakte kosten van bijstand over de periode tot

6 augustus 2009 ten onrechte van appellanten teruggevorderd en was het college gehouden de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 6 augustus 2009 tot en met 28 februari 2014 van appellanten terug te vorderen. De Raad heeft onvoldoende financiële gegevens om in zoverre zelf in de zaak te voorzien. Het college zal een nieuwe berekening van het terug te vorderen bedrag moeten maken over de periode van 6 augustus 2009 tot en met 28 februari 2014. De Raad zal het college op dit punt opdragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 9 mei 2014 voor zover het betreft de terugvordering.

4.9.3.

Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- vernietigt het besluit van 10 november 2014 voor zover het betreft de intrekking over de

periode tot 6 augustus 2009 en de terugvordering in zijn geheel;

- herroept het besluit van 9 mei 2014, voor zover het betreft de intrekking over de periode tot

6 augustus 2009, en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het

vernietigde gedeelte van het besluit van 10 november 2014;

- draagt het college op met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het

bezwaar te nemen over de terugvordering;

- bepaalt dat tegen het nieuw te nemen besluit op het bezwaar slechts bij de Raad beroep kan

worden ingesteld;

- veroordeelt het college in de kosten van appellanten tot een bedrag € 990,-;

- bepaalt dat het college aan appellanten het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 123,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en G.M.G. Hink en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van W.A.M. Ebbinge als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2017.

(getekend) M. Hillen

(getekend) W.A.M. Ebbinge

HD