Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2004

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-06-2017
Datum publicatie
12-06-2017
Zaaknummer
15/5398 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing bijzondere bijstand voor kosten die niet tot basispakket horen. Kostenvergoeding bezwaar door college. Overgangsrecht, leidend is datum ontvangst bezwaarschrift.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Besluit proceskosten bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABKort 2017/175
USZ 2017/290
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5398 WWB

Datum uitspraak: 6 juni 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 23 juli 2015, 15/425 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C.S. Grégoire hoger beroep ingesteld. Tevens heeft appellant verzocht om veroordeling van het college tot vergoeding van door hem geleden schade in de vorm van wettelijke rente.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2017. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.M. Benning-Hellenbrand.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving ten tijde hier van belang bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Op 8 september 2014 heeft appellant een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van psychologische behandelingen. Het gaat om de kosten van ‘QEEG en neuropsychologisch onderzoek’, ‘Overige Producten niet-basispakketzorg consult rTMS’ (hierna: OVP), het eigen aandeel van de kosten ‘Basis GGZ intensief’ en de kosten van het eigen risico.

1.3.

De zorgverzekeraar van appellant heeft de kosten van ‘QEEG en neuropsychologisch onderzoek’ en ‘OVP’ niet vergoed omdat deze kosten niet door de basisverzekering worden gedekt. Het eigen aandeel in de kosten van ‘Basis GGZ Intensief’ heeft de zorgverzekeraar niet vergoed omdat de zorg verleend is door een zorgverlener waarmee geen zorgovereenkomst is afgesloten.

1.4.

Bij besluit van 15 oktober 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 februari 2015 (bestreden besluit 1), heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat niet in geschil is dat de kosten van ‘QEEG en het neuropsychologisch onderzoek’ en ‘OVP’ buiten het basispakket van de ziektekostenverzekering vallen. Nu deze zorg, als zijnde niet noodzakelijk, niet behoort tot de prestaties die op grond van het bij of krachtens de Zorgverzekeringswet (Zvw) bepaalde voor vergoeding in aanmerking komen, staat het bepaalde in artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de WWB aan bijstandsverlening in de weg. De kosten van het eigen aandeel zijn niet noodzakelijke kosten omdat deze zijn ontstaan doordat de behandeling is uitgevoerd door een zorgverlener waarmee de zorgverzekeraar geen contract heeft. De kosten van het eigen risico behoren tot de incidenteel voorkomende algemene noodzakelijke kosten van het bestaan die de betrokkene in beginsel uit de bijstandsnorm dient te voldoen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf.

1.5.

Bij besluit van 16 oktober 2014 heeft het college aan appellant een maatregel in de vorm van een waarschuwing opgelegd op de grond dat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Bij besluit van 13 februari 2015 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 16 oktober 2014 gegrond verklaard, dit besluit

herroepen en een vergoeding voor de kosten in bezwaar toegekend tot een bedrag van € 487,-.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 voor wat betreft de waarschuwing gegrond verklaard en het college veroordeeld in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 980,- (één punt voor het indienen van het beroepschrift en

één punt voor het verschijnen ter zitting) en voor het overige ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het college in bestreden besluit 1 ook een besluit heeft genomen met betrekking tot de waarschuwing en dat bestreden besluit 2 moet worden gezien als een wijziging van bestreden besluit 1. Nu in bestreden besluit 2 de waarschuwing niet langer wordt gehandhaafd, is het beroep tegen bestreden besluit 1, voor zover het de waarschuwing betreft, gegrond.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de WWB bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.

4.1.2.

Artikel 16, eerste lid, van de WWB geeft het college de bevoegdheid om aan een persoon voor wie geen recht op bijstand bestaat op grond van het bepaalde in de artikelen 11 tot en met 15 van de WWB in afwijking van die bepalingen bijstand te verlenen indien, gelet op alle omstandigheden, zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

4.1.3.

In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij

artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

Kosten van ‘QEEG, neuropsychologisch onderzoek en OVP’

4.2.

Het college heeft, anders dan appellant heeft betoogd, aan de afwijzing van de aanvraag voor deze kosten niet ten grondslag gelegd dat geen sprake is van medisch noodzakelijke kosten. Het college heeft aan de afwijzing van deze kosten het bepaalde in artikel 15,

eerste lid, tweede volzin, van de WWB ten grondslag gelegd.

4.3.

Niet in geschil is dat de kosten voor ‘QEEG, neuropsychologisch onderzoek en OVP’ ten tijde in geding niet tot het basispakket van de ziektekostenverzekering behoorden.

4.4.

In gevallen waarin de zorg, als zijnde niet noodzakelijk, niet behoort tot de prestaties die op grond van het bij of krachtens de Zvw bepaalde voor vergoeding in aanmerking komen, staat het bepaalde in artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de WWB aan bijstandsverlening in de weg. Deze situatie doet zich hier voor. De rechtbank heeft dan ook, anders dan appellant heeft gesteld, terecht geoordeeld dat zij niet toekomt aan een beoordeling van de door appellant gestelde medische noodzaak van de behandelingen waarvoor hij bijzondere bijstand heeft aangevraagd.

4.5.

Appellant wordt niet gevolgd in zijn stelling dat het college op grond van het door hem aangehaalde beleid bijzondere bijstand had kunnen verlenen. Dit beleid ziet op toekenning van bijzondere bijstand met terugwerkende kracht, wat hier niet van toepassing is.

4.6.

Artikel 16, eerste lid, van de WWB biedt de mogelijkheid om, in afwijking van onder meer artikel 15, bijstand te verlenen indien, gelet op alle omstandigheden, zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Appellant heeft geen omstandigheden aangevoerd die als zeer dringende redenen moeten worden aangemerkt.

Kosten van het eigen aandeel ‘Basis GGZ intensief’

4.7.

Het college heeft aan de afwijzing van deze kosten ten grondslag gelegd dat deze als niet noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 35 van de WWB worden aangemerkt.

4.8.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat deze kosten als niet noodzakelijk worden aangemerkt omdat appellant gebruik heeft gemaakt van zorg verleend door een zorgverlener waarmee de zorgverzekeraar geen overeenkomst heeft. Deze keuze van appellant moet voor zijn rekening en risico komen. Appellant heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die tot het oordeel moeten leiden dat deze kosten als noodzakelijk moeten worden aangemerkt.

Kosten van het eigen risico

4.9.

Het college heeft aan de afwijzing van deze kosten ten grondslag gelegd dat deze niet voldoen aan het in artikel 35, eerste lid, van de WWB neergelegde vereiste dat het moet gaan om uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan, die niet uit het inkomen of vermogen kunnen worden voldaan.

4.10.

De kosten van het verplicht eigen risico ingevolge de Zvw behoren tot de incidenteel voorkomende algemene noodzakelijke kosten van het bestaan, die de betrokkene in beginsel uit de bijstandsnorm dient te voldoen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Afzonderlijke bijstandsverlening is niet mogelijk, tenzij de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

4.11.

De kosten waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft aangevraagd zijn het gevolg van het bestaan van het ingevoerde verplichte eigen risico in de Zvw. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 21 februari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV6493) betreft dit een algemene maatregel die voor alle zorgverzekerden geldt en waarmee alle zorgverzekerden te maken kunnen hebben.

4.12.

Appellant heeft aangevoerd dat in zijn geval sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan hij voor de gevraagde bijzondere bijstand in aanmerking dient te komen. Deze beroepsgrond slaagt niet. De enkele stelling van appellant dat hij nog andere kosten heeft, zoals een eigen bijdrage in verband met orthopedische schoenen, levert niet een dergelijke omstandigheid op.

Kosten bezwaarprocedure

4.13.

Appellant heeft tot slot aangevoerd dat het college bij de toekenning van de vergoeding van de kosten in bezwaar de puntwaarde, zoals vanaf 1 januari 2015 (€ 490,- per procespunt) vermeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, had moeten toepassen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.14.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1671), geldt ingevolge artikel IV, vierde lid, van de Regeling tot indexering van bedragen in de Algemene wet bestuursrecht, het Besluit proceskosten bestuursrecht en de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Stcrt. 2014, 37105) met ingang van 1 januari 2015 dat het tijdstip van de ontvangst van het bezwaar- of beroepschrift maatgevend is voor de vraag welk bedrag van toepassing is. In die bepaling is voorts bepaald dat dit niet onverkort geldt wanneer de bestuursrechter de proceskosten vaststelt. In dat geval is het mogelijk dat moet worden uitgegaan van de bedragen zoals die gelden ten tijde van de uitspraak.

4.15.

Ter beoordeling ligt voor het besluit van het college tot vaststelling van de vergoeding van de kosten in bezwaar. Gelet op wat in 4.14 is overwogen is het college terecht uitgegaan van de bedragen die golden ten tijde van de ontvangst van het bezwaarschrift. Ten tijde van de ontvangst van het bezwaarschrift, op 23 oktober 2014, gold een bedrag van € 487,- per procespunt.

4.16.

Uit 4.1 tot en met 4.15 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten moet worden bevestigd. Voor een toewijzing van het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade bestaat daarom geen grond.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en G.M.G. Hink en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van W.A.M. Ebbinge als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2017.

(getekend) M. Hillen

(getekend) W.A.M. Ebbinge

HD