Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:200

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-01-2017
Datum publicatie
23-01-2017
Zaaknummer
16/3004 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Verzoek om herziening van eerdere afwijzing om erkend te worden als burgeroorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo, op goede gronden afgewezen. Geen nieuwe feiten of gegevens. Het als onwaardig kwalificeren van een gedraging brengt mee dat een nadien uitgedragen anti-NSB-houding geen verandering kan brengen in het vertoond, onwaardig, gedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/3004 WUBO

Datum uitspraak: 19 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellant] te [woonplaats], Duitsland (appellant)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 29 maart 2016, kenmerk BZ01946323 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden op 17 november 2016. Daar is appellant niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Pieterse.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren in 1924, heeft in september 2012 een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 18 maart 2013 en dat besluit, na bezwaar, gehandhaafd bij besluit van 12 september 2013 op de grond dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan onwaardig gedrag. Het tegen het besluit van 12 september 2013 ingestelde beroep is door de Raad bij uitspraak van 30 april 2015, 13/6027 WUBO, ongegrond verklaard. De Raad is met verweerder van oordeel dat, gezien het karakter van en de ideologie achter de politieopleiding in Schalkhaar, het volgen en voltooien van die opleiding uit Nederlands nationaal oogpunt moet worden aangemerkt als onwaardig gedrag in de zin van de Wubo. Overwogen is dat het in het kader van de Wubo, gezien de bijzondere solidariteit ten opzichte van degene voor wie de Wubo is bedoeld, niet verantwoord is om degenen die deel hebben uitgemaakt van het nationaal-socialistisch apparaat, toe te laten tot de Wubo samen met degenen die nu juist daaronder hebben geleden.

1.2.

In juni 2015 heeft appellant verzocht deze afwijzing te herzien. Verweerder heeft dat verzoek afgewezen bij besluit van 23 december 2015 op de grond dat appellant geen nieuwe feiten of gegevens heeft vermeld die aanleiding geven de eerdere afwijzing te herzien. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

2.1.

Op grond van artikel 61, derde lid, van de Wubo is verweerder bevoegd op een daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door hem gegeven beschikking in het voordeel van de bij die beschikking betrokkene te herzien. Gelet op het karakter van deze discretionaire bevoegdheid, kan de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid toetsen. Daarbij staat de vraag centraal of nieuwe feiten of gegevens naar voren zijn gekomen die tot een andere beslissing zouden moeten leiden.

2.2.

Zulke feiten of gegevens zijn niet naar voren gekomen. Zoals ook in de onder 1.1 genoemde uitspraak tot uitdrukking is gebracht, brengt het als onwaardig kwalificeren van een gedraging mee dat een nadien uitgedragen anti-NSB-houding geen verandering kan brengen in het vertoond, onwaardig, gedrag. Dat betekent dat hetgeen appellant na de politieopleiding in Schalkhaar heeft meegemaakt of heeft uitgedragen niet meer relevant kan zijn en bij de beoordeling van de aanvraag of herzieningsverzoeken buiten beschouwing moet worden gelaten.

2.3.

Het besluit van verweerder om niet tot herziening over te gaan kan de terughoudende toets van de Raad doorstaan. Het beroep moet daarom ongegrond worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2017.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) L.V. van Donk

HD