Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-01-2017
Datum publicatie
19-01-2017
Zaaknummer
14/5181 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitwonendenbeurs omgezet in thuiswonendenbeurs. Huisbezoek door 2 controleurs. Onbevoegde controleurs, bevindingen huisbezoek als bewijs ontoelaatbaar. Appellant heeft in bezwaar erkend dat hij ten tijde van huisbezoek niet meer op gba-adres woonde. Dat hij in (een deel van) de periode voorafgaande aan controle wel op gba-adres heeft gewoond, is wel gesteld maar heeft appellant niet met onomstotelijk bewijs ondersteund.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2017/277
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5181 WSF

Datum uitspraak: 4 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

29 juli 2014, 14/1652 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.M.L. Theelen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Theelen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. E.H.A. van den Berg.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de minister in de gelegenheid gesteld om nadere stukken in te dienen.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

De enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2016. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Theelen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.F. Hofstee.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant stond in de periode van 20 december 2012 tot 2 oktober 2013 in de gemeentelijke basisadministratie (gba) ingeschreven onder het adres [adres]

De minister heeft, voor zover van belang, over de maanden maart 2013 tot en met oktober 2013 aan appellant studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend, berekend naar de norm voor een uitwonende studerende. Vanaf

2 oktober 2013 staat appellant bij zijn ouders ingeschreven.

1.2.

Op 1 oktober 2013 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellant. Zij hebben daartoe een huisbezoek afgelegd op het adres waaronder appellant op dat moment in de gba stond ingeschreven. Van het onderzoek is eveneens op 1 oktober 2013 een rapport opgemaakt. De minister heeft op basis van de bevindingen van het huisbezoek geconcludeerd dat appellant ten tijde van de controle niet woonde op zijn gba-adres.

1.3.

Bij besluit van 18 oktober 2013 is de aan appellant toegekende uitwonendenbeurs met ingang van 1 maart 2013 omgezet in een thuiswonendenbeurs, waarbij over de periode van maart 2013 tot en met september 2013 een bedrag van € 1.365,- van appellant is teruggevorderd.

1.4.

De minister heeft het door appellant tegen de omzetting gemaakte bezwaar bij besluit van 20 februari 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft onder meer aangevoerd dat op grond van de gedingstukken de bevoegdheid van de controleurs niet blijkt. Verder heeft hij gesteld dat hij voorafgaand aan de controledatum wel op het gba-adres heeft gewoond.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1.

Ingevolge artikel 9.1a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsf 2000 zijn met het toezicht op de naleving van artikel 1.5 belast de bij besluit van de minister aangewezen ambtenaren of andere personen.

4.1.2.

Ingevolge artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder toezichthouder verstaan: een persoon, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.

4.2.

Bij besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 19 april 2012, nr. HO&S/399254, Stcrt nr. 8364, heeft de minister personen, werkzaam bij [BV 1] vanaf 1 januari 2012 belast met het toezicht bedoeld in artikel 1.5 van de Wsf 2000.

4.3.

Het onder 1.2 vermelde rapport van 1 oktober 2013 vermeldt bij gegevens controlerende partij als naam van de organisatie [BV 1] en onder namen controleurs [naam 1] en [naam 2] .

4.4.

Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft de minister bij brief van 9 februari 2016 meegedeeld dat [naam 1] ten tijde hier van belang in dienst was van [BV 3] en dat [naam 2] in dienst was bij [BV 2] In latere correspondentie en ter zitting van de Raad heeft de minister verklaard dat [BV 3] en [BV 2] werkmaatschappijen van [BV 1] zijn.

4.5.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 2 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4192, geoordeeld dat artikel 9.1a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsf 2000 in verbinding met artikel 5:11 van de Awb, en de bij die bepalingen horende wetsgeschiedenis, bezien in samenhang met de in de praktijk gegeven sturing door de minister aan de controleurs en de afwezigheid van een commercieel belang bij het resultaat van de controle door de gekozen bezoldigingsafspraken, een voldoende wettelijke grondslag biedt om werknemers van een private partij te belasten met het toezicht op de naleving van artikel 1.5 van de Wsf 2000. Dit betekent dat de minister een besluit tot herziening van de uitwonendenbeurs in een thuiswonendenbeurs in beginsel mag baseren op de resultaten van een huisbezoek dat is verricht door deze personen.

4.6.1.

[naam 1] en [naam 2] waren ten tijde van het huisbezoek niet werkzaam bij [BV 1] , maar bij een van haar werkmaatschappijen, zodat zij niet vallen onder het bereik van het in 4.2 genoemde aanwijzingsbesluit. Reeds daarom waren [naam 1] en [naam 2] op dat moment niet bevoegd tot het houden van toezicht op de naleving van artikel 1.5 van de Wsf 2000.

4.6.2.

In zijn uitspraak van 1 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1943, heeft de Raad geoordeeld dat hij geen aanleiding ziet voor een extensieve interpretatie van de zinsnede “de personen werkzaam bij” in artikel 1 van het in 4.2 bedoelde aanwijzingsbesluit.

4.6.3.

In de voorliggende zaak betekent dit dat onder de aanwijzing alleen personen vallen die – op basis van een arbeidsovereenkomst – in dienst zijn bij [BV 1] en niet ook de personen die in dienst zijn bij werkmaatschappijen van die rechtspersoon. In het door de minister in het geding gebrachte emailbericht van 17 juni 2016 tussen een medewerker van de Dienst Uitvoering Onderwijs en adjunct-directeur [naam 3] van de [BV 1] staat dat facturering van de werkzaamheden van de medewerkers in dienst van een werkmaatschappij plaatsvindt vanuit de vennootschap waarin de desbetreffende medewerker werkzaam is en dat het gezag over de medewerkers wordt uitgeoefend door een leidinggevende werkzaam bij diezelfde werkmaatschappij. Ondanks het gegeven dat de leidinggevende van de werkmaatschappij wordt ondersteund door de afdeling P&O van [BV 1] . ontbreken een voldoende rechtstreekse gezagsverhouding en sturingsmogelijkheden vanuit [BV 1] waardoor zorgvuldigheid en betrouwbaarheid van het door de controleurs uitgevoerde onderzoek in het gedrang komen.

4.6.4.

Hieruit volgt dat het huisbezoek op 1 oktober 2013 is verricht door onbevoegde controleurs en dat de bevindingen van dat huisbezoek als bewijs ontoelaatbaar zijn.

4.7.

Het door de minister genomen bestreden besluit steunt echter niet enkel op de bevindingen van het huisbezoek, maar ook op de erkenning van appellant in bezwaar van het feit dat hij ten tijde van het huisbezoek niet meer op het gba-adres woonde. Appellant heeft in dat verband aangevoerd en ter zitting van de Raad op 25 mei 2016 bevestigd dat hij op

26 september 2013 het gba-adres heeft verlaten, van 26 september 2013 tot 2 oktober 2013 bij vrienden heeft verbleven en op 2 oktober 2013 weer bij zijn ouders is gaan wonen en zich ook op die datum heeft laten inschrijven in de gba op zijn ouderlijk adres. De minister heeft dan ook terecht het standpunt ingenomen dat appellant ten tijde van de controle niet voldeed aan de voorwaarden genoemd in artikel 1.5 van de Wsf 2000.

4.8.

De vaststelling dat appellant op 1 oktober 2013 niet woonde op zijn gba-adres leidt, ingevolge artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000, in beginsel tot de vaststelling dat ook in de, hier relevante, periode van 1 maart 2013 tot 1 oktober 2013 niet is voldaan aan de verplichting van artikel 1.5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsf 2000. Dit neemt niet weg dat de minister aanleiding moet zien voor toepassing van de hardheidsclausule indien de studerende onomstotelijk heeft bewezen wél op het gba-adres te hebben gewoond in

(een deel van) de periode voorafgaande aan de controle. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraken van 2 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1146, en 13 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:86.

4.9.

Van de studerende die onomstotelijk bewijs moet leveren, worden bewijsmiddelen verlangd die zodanig overtuigend zijn, dat zij, ook als zij in onderlinge samenhang worden bezien, de conclusie rechtvaardigen dat de studerende in (een deel van) de periode voorafgaande aan de controle wel op het gba-adres moet hebben gewoond.

4.10.

De stelling van appellant dat hij in de periode van 1 maart 2013 tot 26 september 2013 wel op het gba-adres heeft gewoond, is niet met enig bewijsmiddel ondersteund. Met deze blote stelling heeft appellant dan ook niet het benodigde bewijs geleverd.

4.11.

Wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.10 betekent dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter, J. Brand en

I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2017.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) N. van Rooijen

IvR