Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1998

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2017
Datum publicatie
08-06-2017
Zaaknummer
15/4073 AOR
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Betrokkene is aangemerkt als oorlogsslachtoffer in de zin van de AOR. De mate van ongeschiktheid voor het verrichten van passende arbeid als gevolg van het oorlogsletsel is vastgesteld op 20%. Afwijzing verzoek om een voorziening ter zake van huishoudelijke hulp, aangezien huishoudelijke hulp niet medisch noodzakelijk is op grond van het oorlogsletsel. Voldoende medische grondslag. Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABKort 2017/176
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4073 AOR

Datum uitspraak: 1 juni 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

de erven van [ betrokkene], laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] (appellanten)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

de Staat der Nederlanden

PROCESVERLOOP

In verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet van 17 december 2014 tot wijziging van de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen

(Stb. 2014. 583), is in deze zaak de Pensioen- en Uitkeringsraad in de plaats getreden van de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling Indonesië (CAOR). Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de

- voormalige - CAOR verstaan.

Namens [ betrokkene] (betrokkene) heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 6 mei 2015, kenmerk BZ01811955 (bestreden besluit). Dit besluit betreft de toepassing van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR).

Op 31 mei 2016 is betrokkene overleden. Appellanten hebben als zijn rechtverkrijgenden de procedure voortgezet.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met zaak 15/2038 WUBO, plaatsgevonden op

13 april 2017. Appellante [naam] is verschenen, bijgestaan door

mr. Van Berkel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene, geboren in 1932 in het toenmalig Nederlands-Indië, heeft verweerder in december 2013 verzocht om toekenning van een periodieke uitkering en een voorziening voor huishoudelijke hulp op grond van de AOR.

1.2.

Bij besluit van 24 september 2014, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder betrokkene aangemerkt als oorlogsslachtoffer in de zin van de AOR. De mate van ongeschiktheid voor het verrichten van passende arbeid als gevolg van het oorlogsletsel is vastgesteld op 20%. Betrokkene is op grond hiervan in aanmerking gebracht voor een invaliditeitsuitkering berekend naar een uitkeringspercentage van 10%. Betrokkene heeft voorts aanspraak op vrije geneeskundige behandeling ter zake van het oorlogsletsel. Het verzoek om een voorziening ter zake van huishoudelijke hulp is afgewezen, aangezien huishoudelijke hulp niet medisch noodzakelijk is op grond van het oorlogsletsel.

1.3.

In beroep hebben appellanten aangevoerd dat de arbeidsongeschiktheid van betrokkene is ondergewaardeerd en dat zijn verzoek om huishoudelijke hulp ten onrechte is afgewezen. Appellanten verwijzen naar het verslag van 28 mei 2015 dat de arts G.J. Laatsch heeft opgemaakt in verband met de aanvraag van betrokkene in het kader van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd overweegt de Raad als volgt.

2.1.

Het standpunt van verweerder is hoofdzakelijk gebaseerd op het medisch rapport van zijn geneeskundig adviseur A.S.E.P. Textor, arts, die appellant thuis heeft bezocht. Textor heeft bij zijn advies betrokken gegevens van de huisarts en de medische rapportage van de arts

G. Kho, opgemaakt in het kader van de Wubo-aanvraag van betrokkene. Textor heeft geconcludeerd dat betrokkene wat betreft de vier rubrieken die de American Medical Association (AMA) kent, aanzienlijke beperkingen ondervond in rubriek 4 (stressadaptatie), maar geen beperkingen in de overige rubrieken. Er zijn geen causale beperkingen vastgesteld in de rubrieken 1 en 3, zodat niet wordt voldaan aan het ten tijde van belang geldende beleid dat zowel in rubriek 1 als in rubriek 3 causale beperkingen moeten worden vastgesteld om in aanmerking te komen voor vergoeding van huishoudelijke hulp. De conclusie van Textor is in bezwaar onderschreven door geneeskundig adviseur

A.M. Ohlenschlager, arts.

2.2.

De Raad acht het bestreden besluit met deze adviezen voldoende zorgvuldig voorbereid en voldoende gemotiveerd. Voor de grond dat betrokkene zich beter heeft voorgedaan dan hij was en dat daarom ten onrechte niet is meegewogen dat hij slecht slaapt, bieden de rapporten van Textor en van Kho geen aanknopingspunten. Beide rapporten bevatten een min of meer gelijkluidende slaapanamnese, waaruit niet blijkt van slaapproblemen bij betrokkene. Verweerder heeft verder naar voren gebracht dat de dochter van betrokkene aanwezig was tijdens de huisbezoeken en van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt om betrokkene zo nodig aan te vullen. Verweerder heeft met inachtneming van het advies van Textor verder voldoende onderbouwd dat de arrestatie van vader en het gedrag van de katjongs niet als oorlogsgebeurtenissen in de zin van de AOR kunnen worden aangemerkt. De arrestatie van vader ging niet gepaard met geweld. De katjongs waren kinderen die zich vijandig opstelden jegens betrokkene.

2.3.

Het rapport van Laatsch, dat door verweerder ter advisering is voorgelegd aan Ohlenschlager, geeft onvoldoende aanleiding om de bevindingen van Textor niet te volgen. Daarbij komt nog dat nu ook Laatsch concludeert dat geen sprake is van beperkingen in rubriek 3, zijn rapport hoe dan ook niet kan leiden tot toekenning van een vergoeding voor huishoudelijke hulp. Voor het standpunt dat in afwijking van het gevoerde beleid een vergoeding voor huishoudelijke hulp had moeten worden toegekend, biedt ook het rapport van Laatsch geen aanknopingspunten.

2.4.

Het beroep van appellanten dient daarom ongegrond te worden verklaard.

3. Appellanten hebben verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

3.1.

In zaken zoals deze, waarin het primaire besluit is genomen na 1 februari 2014, is de redelijke termijn voor een procedure in twee instanties in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar in beslag heeft genomen (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188). Daarbij geldt dat in beginsel het bezwaar binnen een half jaar en het beroep binnen anderhalf jaar zou moeten worden afgehandeld. De omstandigheden van het geval kunnen een langere behandelingsduur rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden (uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRvB:2009:BH1009).

3.2.

Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 30 september 2014 tot aan deze uitspraak (1 juni 2017) zijn twee jaar en acht maanden verstreken. Er zijn geen bijzondere omstandigheden geweest die een tijdsverloop van meer dan twee jaar rechtvaardigen. De redelijke termijn is dus overschreden met 8 maanden en daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 1.000,-. Een overschrijding van afgerond een maand moet worden toegerekend aan de bezwaarfase en een overschrijding van zeven maanden aan de beroepsfase. Verweerder dient daarom 1/8 deel van € 1.000,- te betalen

(€ 125,-). Nu in dit geval twee zaken van appellanten, namelijk deze en de zaak 15/2038 WUBO, betrekking hebbend op hetzelfde onderwerp, in de rechterlijke fase gezamenlijk zijn behandeld, wordt in deze fase slechts eenmaal het tarief van € 500,- per half jaar gehanteerd, waarbij voor de berekening dient te worden uitgegaan van het eerst, hier in de zaak 15/2038 WUBO, ingestelde beroep. De Raad volstaat daarom wat betreft de beroepsfase met de vaststelling dat daarin de redelijke termijn is overschreden.

4. Voor het geslaagd beroep op schending van de redelijke termijn heeft in de zaak 15/2038 WUBO al een veroordeling in de proceskosten plaatsgevonden, zodat daarvoor in deze zaak geen aanleiding meer is.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot betaling aan appellanten van vergoeding van schade tot een

bedrag van € 125,-.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en M.T. Boerlage en

M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van W.A.M. Ebbinge als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2017.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) W.A.M. Ebbinge

HD