Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1995

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-06-2017
Datum publicatie
08-06-2017
Zaaknummer
16/4245 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft met het bestreden besluit het bezwaar van appellante ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Nu het besluit van 22 september 2015 eerst op 11 november 2015 is verzonden, is het bezwaarschrift van 17 november 2015 tegen dit besluit tijdig ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2017-0136
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/4245 WIA

Datum uitspraak: 2 juni 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

23 mei 2016, 15/6942 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T.P.M. Kouwenaar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2017. Appellante en haar gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.


OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante ontvangt sinds 24 november 2014 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Deze uitkering wordt door het Uwv verhaald op [naam werkgever B.V.] te ’[vestigingsplaats], werkgever van appellante (werkgever).

1.2.

De werkgever heeft op 15 september 2015 aan appellante meegedeeld dat de zij het Uwv heeft verzocht om appellante een maatregel van 100% voor onbepaalde tijd op te leggen in verband met het niet meewerken aan de re-integratie.

1.3.

Bij besluit van 22 september 2015 heeft het Uwv besloten de WIA-uitkering met ingang van 1 oktober 2015 niet meer aan appellante te betalen in verband met een maatregel van 100% voor onbepaalde tijd.

1.4.

De echtgenoot van appellante heeft op 10 november 2015 contact gehad met het Klant contact center (KCC). Uit de telefoonnotitie die naar aanleiding hiervan is opgesteld blijkt dat de echtgenoot van appellante de vraag heeft gesteld waarom de WIA-uitkering is geschorst en dat een terugbelverzoek is opgemaakt. Bij de toelichting ten aanzien van dit terugbelverzoek is opgenomen: “klant reageert op de brief van 22 september 2015. De uitkering is geschorst”. Voorts blijkt uit de telefoonnotitie dat de echtgenoot van appellante diezelfde dag is teruggebeld, dat gesproken is over de vraag waarom de uitkering is gestopt, dat van de zijde van het Uwv is aangegeven dat deze reden is opgenomen in de brief van 22 september 2015, dat de echtgenoot heeft aangegeven dat hij deze brief nimmer heeft ontvangen en dat hij slechts een brief van de werkgever heeft ontvangen. Vervolgens is door het Uwv toegezegd dat de brief van 22 september 2015 nogmaals aan appellante wordt toegezonden. Voorts is in de telefoonnotitie het navolgende opgenomen: “Ik heb aangegeven dat ik het raar vind dat partner de brief van 22092015 niet heeft ontvangen en dat dat wel in de melding van KCC staat. Is de brief van werkgever geweest geeft hij aan maar ik heb daar verder geen probleem mee”.

1.5.

Het besluit van 22 september 2015 is op 11 november 2015 aan appellante verzonden.
Bij brief van 13 november 2015, door het Uwv ontvangen op 17 november 2015, heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het besluit van 22 september 2015.

1.6.

Bij besluit van 11 december 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar

niet-ontvankelijk verklaard wegens het onverschoonbaar te laat indienen van het bezwaarschrift.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de betwisting van de ontvangst van het besluit niet geloofwaardig is. De rechtbank baseert dit oordeel op de telefoonnotitie van 10 november 2015 van het KCC van het Uwv, bezien in samenhang met het door het Uwv ter zitting overgelegde e-mailbericht van 18 april 2016, van de eerste medewerkster van het KCC die op 10 november 2015 met de echtgenoot van appellante heeft gesproken.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep op gelijke gronden als in bezwaar en beroep, het standpunt gehandhaafd dat sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding. Zij heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte betekenis hecht aan de opmerking van de medewerkster van het KCC dat appellante reageerde op de brief van het Uwv van 22 september 2015. Appellante betwist dat zij naar aanleiding van deze brief contact heeft gezocht met het Uwv. Zij heeft contact opgenomen met het Uwv, omdat ze merkte dat haar uitkering was gestopt. De twee gesprekken met medewerkers van het KCC op 10 november 2015 moeten in samenhang worden bezien. Appellante is van mening dat aan het e-mailbericht van

18 april 2016 weinig waarde kan worden gehecht, gelet op het tijdsverloop van 5 maanden.

3.2.

Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van aanwijzingen dat appellante bekend moet zijn geweest met het besluit van 22 september 2015. Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante heeft aangevoerd dat zij het besluit van 22 september 2015 pas heeft ontvangen nadat haar echtgenoot op 10 november 2015 telefonisch heeft gesproken met een medewerkster van het KCC van het Uwv. Haar bezwaar van 17 november 2015 tegen het besluit van 22 september 2015 is dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Deze beroepsgrond slaagt. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.2.

Indien de geadresseerde stelt dat hij een niet aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, is het volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9423) in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Verder dient niet gebleken te zijn van recente problemen bij de verzending van poststukken. Contra-indicaties kunnen echter meebrengen dat geoordeeld moet worden dat het besluit wel moet zijn ontvangen, waarmee − zonder nader bewijs − ook de verzending aannemelijk is. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om gevallen waarin naar aanleiding van dat besluit handelingen zijn verricht of om informatie is gevraagd waaruit moet worden afgeleid dat de aanbieding van het poststuk met het besluit aan het adres van de belanghebbende wel heeft plaatsgevonden.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat het Uwv het besluit van 22 september 2015 per gewone post heeft verzonden en dat het Uwv van die verzending geen verzendregistratie kan overleggen.

4.4.

Anders dan het Uwv meent, is in het geval van appellante geen sprake van een

contra-indicatie op grond waarvan moet worden geoordeeld dat zij het besluit van

22 september 2015 wel heeft ontvangen. In de telefoonnotitie van het KCC van het Uwv is vermeld dat de echtgenoot van appellante op 10 november 2015 telefonisch contact heeft gehad met een medewerkster van het KCC, en bij de interne toelichting ten aanzien van het terugbelverzoek is vermeld dat de echtgenoot van appellante ‘reageert op de brief van

22 september 2015’. De vermelding van de brief van 22 september 2015 in de toelichting kan niet als een dergelijke contra-indicatie worden aangemerkt. Dit is niet anders indien de telefoonnotitie in samenhang met het e-mail bericht van 18 april 2016 wordt beschouwd. Immers, niet valt op te maken hoe de datum 22 september 2015 in de telefoonnotitie terecht is gekomen. De betreffende medewerkster van het KCC heeft in haar e-mailbericht van

18 april 2016 de expliciete vraag of zij kan bevestigen of de echtgenoot van appellante zelf de datum 22 september 2015 heeft genoemd immers onbeantwoord gelaten. Daarbij komt dat appellante (consequent) staande heeft gehouden dat door haar echtgenoot slechts gerefereerd is aan de brief van de werkgever.

4.5.

Uit wat onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat niet kan worden aangenomen dat de termijn voor het maken van bezwaar een dag na 22 september 2015 is aangevangen. Nu het besluit van 22 september 2015 eerst op 11 november 2015 is verzonden, is het bezwaarschrift van 17 november 2015 tegen dit besluit tijdig ingediend. Het Uwv heeft met het bestreden besluit het bezwaar van appellante ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting zijn er onvoldoende gegevens beschikbaar om het geschil definitief te beslechten. Het Uwv krijgt dan ook de opdracht om opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van 22 september 2015 te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

5. Aanleiding bestaat het Uwv te veroordelen in de proceskosten in beroep en hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op € 990,- in beroep en € 495,- in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 11 december 2015;

- draagt het Uwv op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het besluit van

22 september 2015;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.485,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door L. Koper, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2017.

(getekend) L. Koper

(getekend) L.H.J. van Haarlem

KP