Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1991

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-05-2017
Datum publicatie
07-06-2017
Zaaknummer
15/2720 WIA-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Met appellante, en anders dan de rechtbank, wordt overwogen dat het bestreden besluit een deugdelijke medische grondslag ontbeert. Niet gebleken dat Uwv een zorgvuldig, deugdelijk medisch onderzoek heeft verricht naar de (laattijdige) ziekmelding met terugwerkende kracht op 14 oktober 2009 door werknemer. Bewijsrechtelijke positie van werknemer hierbij niet onderkend. Standpunt dat arbeidsongeschiktheid voor het eigen werk 104 weken heeft voortgeduurd, berust niet op een objectief medische grondslag. Opdracht tot instellen van onderzoeken, waaraan werknemer medewerking zal moeten verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2017-0137
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/2720 WIA-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
10 maart 2015, 13/2848 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante B.V.]. te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Aan het geding heeft tevens als partij deelgenomen [naam werknemer] te [woonplaats] (werknemer)

Datum uitspraak: 12 mei 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.L.J. van der Meer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Werknemer heeft een zienswijze ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2016. Voor appellante is verschenen [naam directeur], directeur, bijgestaan door mr. Van der Meer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van Dalfsen. Werknemer is niet verschenen.

Na de zitting is het onderzoek heropend. Het Uwv heeft bij brief van 13 oktober 2016 geantwoord op een vraag van de Raad. Bij brief van 14 december 2016 heeft het Uwv een afschrift van een brief van 6 maart 2014 van psychiater W. Bohlmeijer ingezonden. Daarop heeft appellante bij brief van 22 december 2016 gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft andermaal plaatsgevonden op 31 maart 2017. Voor appellante is verschenen mr. Van Noord, bijgestaan mr. Van der Meer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Smit. Werknemer is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Werknemer heeft zich op 31 oktober 2012 met terugwerkende kracht per 14 oktober 2009 bij het Uwv ziek gemeld en verzocht om, na ommekomst van de wettelijke wachttijd van
104 weken, hem een Ziektewet- en IVA-uitkering toe te kennen. Werknemer heeft ten aanzien van de terugwerkende kracht toegelicht dat hij twee weken na het ontslag op

29 september 2009, ernstig ziek is geworden. De late melding is veroorzaakt doordat de diagnose zo laat is gesteld en door dat hij geen werkgever (meer) had bij wie hij zich had kunnen ziek melden. Ter onderbouwing van de ziekmelding per 14 oktober 2009 heeft werknemer een brief van 14 januari 2013 van psychiater W. Bohlmeijer overgelegd waarin deze heeft vermeld dat hij werknemer op 14 oktober 2009 heeft gezien in verband met ernstige psychische klachten die zich hebben gemanifesteerd op het werk en die geleid hebben tot zijn uitval.

1.2.

Bij besluit van 21 januari 2013 heeft het Uwv aan werknemer met ingang van
14 oktober 2009 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend omdat sprake is van nawerking op grond van artikel 46 van de ZW omdat hij binnen vier weken na het einde van de verzekering ongeschikt tot werken is geworden.

1.3.

Vervolgens heeft het Uwv, na een beoordeling door een verzekeringsarts, bij besluit van 26 februari 2013 vastgesteld dat voor werknemer met ingang van 12 oktober 2011 een recht op een loongerelateerde WGA-uitkering is ontstaan naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%. Deze uitkering is toegekend tot 12 oktober 2012.

1.4.

Appellante heeft tegen het besluit van 26 februari 2013 bezwaar gemaakt en aangevoerd dat werknemer zich niet heeft ziek gemeld noch bij de werkgever noch in de periode na het ontslag. In de periode tussen het ontslag en de ziekmelding heeft werknemer gewerkt waardoor er geen sprake van ziekte is. Na onderzoek door een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het Uwv bij besluit van 1 november 2013 (bestreden besluit 1) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 februari 2013 ongegrond verklaard.

2.1.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 1 en heeft in dat verband aangevoerd dat werknemer niet voldoet aan de voorwaarden van nawerking als bedoeld in artikel 46, eerste lid en onder b, van de ZW zoals deze bepaling ten tijde van belang luidde. Omdat het dienstverband slechts één maand heeft geduurd, van 1 september tot
29 september 2009 en werknemer zich niet binnen acht dagen nadat het dienstverband is beëindigd heeft ziekgemeld, valt de ziekmelding per 14 oktober 2009 niet binnen de nawerking zoals bepaald in voormeld artikel. Bovendien heeft werknemer vanwege het onregelmatig ontslag loon ontvangen over de resterende elf maanden van het eerder overeengekomen jaarcontract. Met de toegekende ZW-uitkering ontvangt werknemer dubbele betalingen. Voorts heeft het Uwv, volgens appellante, bij aanvragen om uitkeringen met terugwerkende kracht, een zwaardere motiveringsplicht met betrekking tot het vaststellen van arbeidsongeschiktheid, zeker gelet op (derden)belangen van appellante als voormalig werkgever. Dit geldt temeer omdat appellante bij het toekennen van een ZW-uitkering met terugwerkende kracht, geen invloed heeft kunnen uitoefenen op de re-integratieactiviteiten in de wachttijd van 104 weken.

2.2.

Het Uwv heeft naar aanleiding van deze gronden van appellante, bij besluiten van
27 februari 2014 (ZW-besluit) en 11 maart 2014 (WIA-besluit) vastgesteld dat werknemer niet voldoet aan de voorwaarden van nawerking als bedoeld in artikel 46, eerste lid en onder b, van de ZW, waardoor werknemer per 14 oktober 2009 en per 12 oktober 2011 geen recht heeft op ziekengeld, respectievelijk een WIA-uitkering. De bezwaren van werknemer tegen deze besluiten zijn bij besluiten van 30 juli 2014 ongegrond verklaard. Deze besluiten zijn in de rechtbankprocedure overgelegd.

2.3.

Vervolgens heeft werknemer een brief van 2 september 2014 van de huisarts bij het Uwv overgelegd waarin deze arts te kennen heeft gegeven dat werknemer zich al op 1 oktober 2009 bij hem heeft ziek gemeld. Hierop heeft het Uwv bij gewijzigd besluit van 5 november 2014 (bestreden besluit 2) vastgesteld dat werknemer niet per 14 oktober 2009 maar al per
1 oktober 2009 arbeidsongeschiktheid was zodat werknemer alsnog aan de voorwaarden van de nawerking heeft voldaan en aldus (toch) recht heeft op ziekengeld.

2.4.

Appellante heeft de rechtbank te kennen gegeven zich niet te kunnen vinden in het bestreden besluit 2 vanwege de plots door werknemer gewijzigde en de door het Uwv voetstoots geaccepteerde ingangsdatum van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van
14 oktober naar 1 oktober 2009 waardoor (alsnog) de nawerking van toepassing is. Op het Uwv rust volgens appellante een zware onderzoeks- en motiveringsplicht bij verzoeken om uitkeringen met terugwerkende kracht, temeer in de situatie als de onderhavige waarin werknemer eerst na vijf jaar van zijn eerdere, voor lange tijd gehandhaafde, arbeidsongeschiktheidsdatum van 14 oktober 2009 terugkomt en deze onder verwijzing naar een enkele brief van de huisarts naar 1 oktober 2009 verschuift. Het lag op de weg van het Uwv deze gestelde ziekmelding en het consult bij de huisarts op 1 oktober 2009 nader te onderzoeken.

2.5.

Het Uwv heeft bij brief van 29 januari 2015 meegedeeld geen aanleiding te zien te twijfelen aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van 1 oktober 2009. Omdat niet voldaan is aan de referte-eis van artikel 58 van de Wet WIA, heeft werknemer geen recht op een loongerelateerde uitkering. Wel heeft werknemer per 30 september 2009 recht op een loonaanvullingsuitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%.

2.6.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante tegen het bestreden besluit 1 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard met veroordeling van het Uwv in de proceskosten en vergoeding van het griffierecht, omdat appellante geen belang meer heeft bij de beoordeling van haar beroep tegen bestreden besluit 1. Ten aanzien van het beroep tegen bestreden besluit 2 heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig of onvolledig zou zijn geweest. De verzekeringsartsen hebben werknemer onderzocht en de brieven van psychiater Bohlmeijer en de huisarts betrokken bij hun conclusies. Begrijpelijk en inzichtelijk hebben de verzekeringsartsen gerapporteerd hoe zij tot de beoordeling zijn gekomen. Vervolgens heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat het Uwv, gelet op de belangen van appellante als werkgever, geen deugdelijk medisch onderzoek heeft verricht naar de (authenticiteit en de objectief medische gronden van de) ziekmelding die met terugwerkende kracht heeft plaatsgevonden. Vanwege (derden)belangen, zoals van appellante, rust op het Uwv een zwaardere motiveringsplicht bij het vaststellen van arbeidsongeschiktheid als een uitkering met terugwerkende kracht wordt aangevraagd. Deze eis mag temeer gesteld worden in het onderhavige geval waar werknemer terugkomt van een eerdere eerste arbeidsongeschiktheidsdag terwijl hij sinds het ontslag nooit heeft betoogd arbeidsongeschikt te zijn geweest. In dit verband heeft appellante gewezen op de WW-aanvraag van werknemer en op zijn opstelling in de civielrechtelijke procedure tegen de werkgever. Ook de brief van
2 september 2014 van de huisarts waarin ten faveure van werknemer wordt teruggekomen van een eerder aangenomen eerste ziektedag, had voor het Uwv reden moeten zijn een onderzoek in te stellen naar de objectief medische grondslag van de nadere eerste ziektedag. Daarbij had de wijze waarop de brief van 2 september 2014 van de huisarts is opgesteld, betrokken moeten worden. Het Uwv heeft dit nagelaten waardoor er geen sprake is van een zorgvuldig en deugdelijk onderzoek.

3.2.

Het Uwv heeft om bevestiging van de aangevallen uitspraak verzocht. Ter onderbouwing van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van 1 oktober 2009 is door het Uwv een brief van psychiater Bohlmeijer van 6 maart 2014 overgelegd waarin deze heeft aangegeven dat bij hem een wachttijd van 14 dagen geldt alvorens tot een afspraak komt. Gelet op deze wachttijd ligt de eerste arbeidsongeschiktheidsdag 14 dagen eerder dan 14 oktober 2009 zodat de datum van 1 oktober 2009 als eerste ziektedag, juist is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met appellante, en anders dan de rechtbank, wordt overwogen dat het bestreden besluit een deugdelijke medische grondslag ontbeert.

4.2.

Niet is gebleken dat het Uwv een zorgvuldig, deugdelijk medisch onderzoek heeft verricht naar de (laattijdige) ziekmelding met terugwerkende kracht op 14 oktober 2009 door werknemer. Evenmin heeft het Uwv de bewijsrechtelijke positie van werknemer onderkend toen hij, nadat het Uwv het besluit van 30 juli 2014 had genomen, met de brief van
2 september 2014 van de huisarts is teruggekomen van de eerste ziektedag van
14 oktober 2009 en deze heeft verschoven naar 1 oktober 2009. Het is aan werknemer om aannemelijk te maken dat de aanvang van de eerste ziektedag eerder ligt dan 14 oktober 2009. Met de (wijze van opstelling van de) brief van 2 september 2014 van de huisarts, is dit door werknemer vooralsnog niet aannemelijk gemaakt. Evenmin heeft het Uwv naar de nadere ziektedag van 1 oktober 2009 een onderzoek ingesteld; het Uwv is voetstoots van de brief van
2 september 2014 van de huisarts uitgegaan. Voorts berust het standpunt dat de arbeidsongeschiktheid voor het eigen werk 104 weken heeft voortgeduurd, niet op een objectief medische grondslag. De enkele verwijzing door het Uwv naar de brieven van de psychiater en huisarts is daartoe onvoldoende. Bij de vraag of de wachttijd is volgemaakt, dient niet alleen de grondslag van de ziekmelding te worden onderzocht maar ook of nadien behandeling is gevolgd dan wel of andere omstandigheden die er op wijzen dat de ongeschiktheid voor het eigen werk 104 weken heeft voortgeduurd. Verder is door het Uwv bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling niet betrokken dat werknemer na het ontslag een WW-uitkering heeft aangevraagd. Evenmin is kenbaar het door werknemer in de civielrechtelijke procedure ingenomen standpunt (vordering tot schadevergoeding wegens onregelmatig gedane opzegging van het dienstverband) gewogen. Tot slot is uit de rapporten niet gebleken dat het Uwv oog heeft gehad voor de gevolgen die voor appellante voortvloeien het standpunt van het Uwv. Omdat voornoemde onderzoeken ontbreken, staat niet vast dat op juiste (medische en arbeidskundige) gronden aan werknemer een loonaanvullingsuitkering is toegekend.

4.3.

Er bestaat aanleiding om met toepassing artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv op te dragen het gebrek in het bestreden besluit 2 binnen 6 weken te herstellen. Daarbij zullen de noodzakelijke onderzoeken moeten plaatsvinden waarbij het in de reden ligt om informatie van de huisarts en psychiater erbij te betrekken die inzicht geeft in de reden van ziekmelding alsmede de behandeling en het (ziekte)verloop daarvan. Omdat de opdracht aan het Uwv mede afhankelijk is van de medewerking van werknemer, wijst de Raad werknemer erop dat hij ingevolge artikel 8:28 van de Awb verplicht is mee te werken aan het onderzoek dat door het Uwv moet worden ingesteld, waarbij artikel 8:32 van de Awb in acht wordt genomen. Indien werknemer niet voldoet aan de verplichting om mee te werken aan dit onderzoek, kan de bestuursrechter, zoals bepaald in artikel 8:31 van de Awb, daaruit de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit van 5 november 2014 te herstellen overeenkomstig hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en L. Koper en H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van A.M.C. de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2017.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) A.M.C. de Vries

SS