Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:198

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-01-2017
Datum publicatie
23-01-2017
Zaaknummer
15/8269 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Geen erkenning als burger-oorlogsslachtoffer. Niet gebleken dat appellant (persoonlijk) direct betrokken is geweest bij oorlogsgeweld, zoals vereist op grond van artikel 2 van de Wubo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/8269 WUBO

Datum uitspraak: 19 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 23 november 2015, kenmerk BZO1871836 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2016. Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Pieterse.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren in 1938, heeft in november 2014 een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor onder meer de toeslag ter verbetering van de levensomstandigheden. Appellant heeft zijn aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die naar zijn mening het gevolg zijn van zijn ervaringen tijdens de Duitse bezetting. Als relevante oorlogsgebeurtenissen heeft vermeld:

- dat in 1944 Duitsers zijn ingereden op vrouwen en kinderen (onder wie appellant en zijn moeder) waarbij slachtoffers vielen;

- dat hij een huiszoeking heeft meegemaakt waarbij Duitsers geweren op hen richtten en door de vloer schoten;

- dat hij op 1 januari 1945 in Den Haag een V2-inslag heeft meegemaakt;

- dat hij het bombardement op het Bezuidenhout heeft meegemaakt.

1.2.

Bij besluit van 23 april 2015 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Deze afwijzing is na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Verweerder heeft daartoe overwogen dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk is gemaakt dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in de Wubo.

2. De Raad komt naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.

2.1.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wubo wordt - voor zover hier van belang - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 als burger lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen ten gevolge van met de krijgsverrichtingen direct verbonden handelingen of omstandigheden, dan wel ten gevolge van handelingen of maatregelen welke door of namens de vijandelijke bezettende macht tegen hem werden gericht of ten gevolge van confrontatie op jeugdige leeftijd met extreem geweld tegen derden door of namens de vijandelijke bezettende macht.

2.2.

Voor het erkennen als burger-oorlogsslachtoffer geldt als eerste voorwaarde dat de aanvrager persoonlijk en direct betrokken moet zijn geweest bij oorlogsgeweld als onder 2.1 bedoeld. Pas als een zodanige betrokkenheid is vastgesteld, kunnen de medische gevolgen daarvan aan de orde komen. Bij de onderhavige aanvraag heeft verweerder dan ook terecht zonder voorafgaand medisch onderzoek beoordeeld of er sprake is van een betrokkenheid van appellant bij oorlogsgeweld.

2.3.

De gebeurtenis waarbij Duitsers op mensen zouden hebben ingereden wordt door appellant geplaatst na de grote razzia in november 1944 waarbij mannen zich moesten melden voor de Arbeitseinsatz. Zo ook de vader van appellant. Nadat appellant en zijn moeder een pakketje bij de vader hadden gebracht moesten zij op de terugweg vluchten voor de Duitsers die op hen en anderen inreden. Over de omstandigheden waaronder deze gebeurtenis heeft plaatsgevonden en wat de aanleiding daarvan is geweest, zijn geen gegevens beschikbaar gekomen. Ook zijn er geen getuigen die het voorval of de betrokkenheid van appellant daarbij kunnen bevestigen. Er is dan ook onvoldoende bekend om aan te kunnen nemen dat er sprake is geweest van een gebeurtenis in de zin van de Wubo.

2.4.

Wat betreft de huiszoeking komt uit de stukken naar voren dat de Duitsers zochten naar stoffen. Daarbij is in de vloer geschoten. Mogelijkerwijs vermoedden de Duitsers dat het gezin familie was van een familie met een modezaak in de buurt met dezelfde achternaam. Nadat moeder dat ontkende vertrokken de Duitsers. De beschrijving van de gestelde huiszoeking geeft een dreigende situatie weer, maar niet zodanig dat sprake is geweest van excessief geweld. Daarmee is niet voldaan aan wat onder meer wordt vereist om een dergelijke gebeurtenis onder de werking van de Wubo te kunnen brengen (zie uitspraak van

6 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2656).

2.5.

Ten aanzien van het meemaken van de V2-inslag is de Raad met verweerder van oordeel dat niet is gebleken dat appellant daarbij (persoonlijk) direct betrokken is geweest, zoals vereist op grond van artikel 2 van de Wubo. Voor een dergelijke betrokkenheid is onder meer van belang de afstand tussen appellant en de inslagen en explosies, de plaats waar hij zich bevond ten tijde van de inslagen, de aard van de schuilplaats, de materiële schade in de directe omgeving en de vraag of hij zelf gewond is geraakt of rechtstreeks geconfronteerd is geweest met verwondingen of het omkomen van naasten. Appellant heeft hierover alleen verklaard dat de ramen van de ouderlijke woning zijn gesneuveld. Dit acht de Raad onvoldoende om te kunnen spreken van een directe betrokkenheid als hiervoor bedoeld. Dit geldt ook voor het bombardement op het Bezuidenhout. Appellant heeft over deze gebeurtenis alleen verklaard dat hij bommen uit de vliegtuigen heeft zien vallen en branden heeft gezien.

2.6.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep moet ongegrond worden verklaard. Benadrukt wordt dat daarmee niet is gezegd dat appellant niet wordt geloofd. Voor erkenning als getroffene door oorlogsgeweld als bedoeld in de WUBO is echter, naast een directe betrokkenheid bij dat oorlogsgeweld een zekere mate van objectieve bevestiging benodigd. Een en ander doet er vanzelfsprekend niet aan af dat appellant als kind in de oorlogsjaren angstige omstandigheden zal hebben meegemaakt.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2017.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) L.V. van Donk

HD