Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:196

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-01-2017
Datum publicatie
24-01-2017
Zaaknummer
16/2849 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht gegeven ontslag wegens wangedrag, bestaande uit mishandeling van appellants vriendin en tevens collega. Niet is gebleken dat bij appellant sprake was van een psychisch defect waardoor hij buiten staat moet worden geacht zijn wil ten aanzien van het alcoholgebruik in vrijheid te bepalen. Appellant mag dan ook verantwoordelijk worden gehouden voor zijn (overmatig) alcoholgebruik en daarmee ook voor de gevolgen daarvan, zoals het (beweerdelijke) geheugenverlies, het mogelijk wegnemen van remmingen om geweld te gebruiken. De opgelegde maatregel van ontslag wegens wangedrag is niet onevenredig te achten aan de aard en ernst van de aan appellant verweten gedraging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2017/55
XpertHR.nl 2019-20001896
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/2849 MAW

Datum uitspraak: 19 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

21 maart 2016, 15/6005 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.D.W. Martens, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend en een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Martens. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.F. Vink.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam bij de Koninklijke Marechaussee (KMar), laatstelijk als beveiliger bij de brigade [naam eenheid] . Naar aanleiding van een op

14 december 2014 gedane melding bij de Sectie Interne Onderzoeken (SIO) van de KMar heeft de SIO onderzoek gedaan naar de mishandeling van Z, appellants vriendin en tevens collega, in de nacht van 14 december 2014 na een kerstborrel op de [naam Kazerne] te [plaatsnaam] . In het kader van het onderzoek is appellant verhoord en zijn diverse getuigen gehoord, waaronder Z. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van

12 februari 2015.

1.2.

Bij besluit van 30 april 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 juli 2015 (bestreden besluit), is appellant met toepassing van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het Algemeen militair ambtenarenreglement, met ingang van 15 mei 2015 ontslag wegens wangedrag verleend. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant in de nacht van 14 december 2014, kort nadat hij de kerstborrel had verlaten, Z op zijn legeringskamer op de kazerne met zijn vuist in haar gezicht heeft geslagen, waardoor zij blijvend letsel in de vorm van een litteken heeft opgelopen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. De minister heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van de door diverse getuigen bij de SIO afgelegde verklaringen, in onderling verband bezien, staat vast, en appellant gaat daar zelf ook vanuit, dat appellant Z in de nacht van 14 december 2014 met een vuist in haar gezicht heeft geslagen en haar daarbij ernstig letsel heeft toegebracht. Daarmee heeft appellant zich schuldig gemaakt aan wangedrag. Dat appellant het ziet als een aangelegenheid die uitsluitend de privésfeer raakt, leidt niet tot een ander oordeel. Overigens vond het incident plaats op een defensielocatie, was het slachtoffer weliswaar zijn vriendin maar tevens zijn collega en is een aantal collega’s direct na het incident met de verwondingen van hun collega Z geconfronteerd.

4.2.

Appellant heeft betoogd dat het wangedrag hem niet kan worden toegerekend. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij zich niet kan herinneren dat hij Z heeft geslagen, omdat hij als gevolg van alcoholgebruik in een toestand van een black-out is geraakt. Dat moet volgens appellant worden gezien als een medische aandoening.

4.2.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad vormt een alcoholprobleem op zichzelf niet een verontschuldigende factor bij de beoordeling van onder invloed van (overmatig) alcoholgebruik gepleegd wangedrag. Dit is slechts anders indien het overmatig gebruik van alcohol moet worden toegeschreven aan een zodanig, niet door alcohol veroorzaakt, psychisch defect waardoor de ambtenaar niet meer in staat moet worden geacht zijn wil over zijn drinkgedrag in vrijheid te bepalen (vergelijk de uitspraak van 16 oktober 1997, ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7176). Er is, anders dan appellant wenst, geen grond een andere toetsingsmaatstaf te hanteren.

4.2.2.

Uit de bij de SIO afgelegde verklaringen van diverse getuigen en van appellant zelf blijkt niet dat appellant in een zeer beschonken toestand het feest op 14 december 2014 heeft verlaten. Op grond van de verslaglegging door de geneeskundige dienst van het ministerie van Defensie van het consult van appellant op 18 december 2014 en het rapport van de door appellant ingeschakelde psycholoog dr. K.I.M. van Oorsouw van 31 augustus 2015 is de aanwezigheid van een black-out ten gevolge van alcoholgebruik bij appellant ten tijde van de verweten gedraging op 14 december 2014 niet uit te sluiten maar ook niet komen vast te staan.

4.2.3.

Ook indien bij appellant sprake zou zijn geweest van een black-out ten gevolge van (overmatig) alcoholgebruik, betekent dat nog niet dat de verweten gedraging hem niet zou zijn toe te rekenen. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat appellant zich het gebeurde niet meer kon herinneren. Uit zowel het rapport van Van Oorsouw als het rapport van

15 september 2016 van de bij het ministerie van Defensie werkzame psychiater

drs. P.F. Eland, blijkt dat het (beweerdelijke) geheugenverlies en het wegnemen van remmingen twee opzichzelfstaande fenomenen zijn die beide het gevolg zijn van (overmatig) alcoholgebruik. Niet is gebleken dat bij appellant sprake was van een psychisch defect waardoor hij buiten staat moet worden geacht zijn wil ten aanzien van het alcoholgebruik in vrijheid te bepalen. Appellant mag dan ook verantwoordelijk worden gehouden voor zijn (overmatig) alcoholgebruik en daarmee ook voor de gevolgen daarvan, zoals het (beweerdelijke) geheugenverlies, het mogelijk wegnemen van remmingen om geweld te gebruiken en de vuistslag. Uit de rapporten van Van Oorsouw en Eland blijkt voorts dat er geen aanwijzingen zijn gevonden dat ten tijde van het plegen van de verweten gedraging bij appellant sprake was van een andere aandoening op grond waarvan geoordeeld moet worden dat de verweten gedraging hem niet dan wel in verminderde mate is toe te rekenen. Nu het wangedrag appellant dan ook kan worden toegerekend, was de minister bevoegd appellant een disciplinaire maatregel op te leggen.

4.3.

De Raad is voorts van oordeel dat de opgelegde maatregel van ontslag wegens wangedrag niet onevenredig is te achten aan de aard en ernst van de aan appellant verweten gedraging.

4.3.1.

Terecht heeft de minister in zijn afweging groot belang gehecht aan de bijzondere positie van de KMar als een organisatie met politietaken binnen de samenleving en de hoge eisen die aan de medewerkers worden gesteld wat betreft de betrouwbaarheid en integriteit. De minister heeft in aanmerking mogen nemen dat van appellant als KMar-militair wordt verwacht dat hij weet om te gaan met conflictueuze situaties, te allen tijde de-escalerend optreedt en zich onthoudt van ongeoorloofd en excessief geweld jegens anderen. Door op een defensielocatie zijn collega met zijn vuist in het gezicht te slaan, heeft hij het tegenovergestelde laten zien. Appellant heeft door zijn handelwijze in ernstige mate het vertrouwen geschaad dat de minister in hem als integere en betrouwbare militair, belast met de beveiliging en bewaking van objecten, moet kunnen stellen.

4.3.2.

Het betoog van appellant dat het een eenmalig incident is geweest, hij zijn excuses heeft aangeboden, Z geen aangifte van mishandeling heeft gedaan en de relatie met hem vanwege de mishandeling niet heeft beëindigd, doet niet af aan de aard en ernst van de verweten gedraging. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat appellant Z zodanig met zijn vuist in haar gezicht heeft geslagen dat hij zijn hand daarbij heeft verwond, Z de volgende ochtend in verband met het daardoor opgelopen letsel aan haar oog voor een medische behandeling naar het ziekenhuis is gebracht, zij anderhalve week niet heeft kunnen werken en een litteken aan haar rechteroog heeft overgehouden.

4.3.3.

Appellant heeft ter rechtvaardiging van het verweten gedrag nog naar voren gebracht dat op de kerstborrel zonder reserve alcohol werd geschonken en dat hij door de leiding, die ook bij de borrel aanwezig was, niet is aangesproken op overmatig alcoholgebruik. Daarin wordt appellant niet gevolgd. Zoals hiervoor onder 4.2.3 reeds is overwogen mag appellant verantwoordelijk worden gehouden voor zijn alcoholgebruik en de gevolgen daarvan. Bovendien heeft appellant erkend dat zijn leidinggevende voorafgaand aan de borrel diverse keren erop heeft gewezen het drankgebruik tijdens de kerstborrel in toom te houden, teneinde, zo blijkt uit de verklaring van die leidinggevende, problemen, zoals die zich het jaar daaraan voorafgaand hadden voorgedaan, te voorkomen. Appellant had daarnaar dan ook moeten handelen.

4.3.4.

Voorts kon appellant aan het enkele feit dat hij pas in maart 2015 is geschorst niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat de minister hem geen ontslag wegens wangedrag zou opleggen. Na de melding op 14 december 2014 bij de SIO is onderzoek gedaan naar de mishandeling van Z door appellant. Vanwege het ontbreken van nadere informatie is uit oogpunt van zorgvuldigheid besloten eerst de resultaten van het onderzoek af te wachten alvorens appellant te schorsen. Dat onderzoek was in februari 2015 afgerond. Nadat appellant in het kader van het opleggen van een ordemaatregel en disciplinaire maatregel was gehoord, is hij met ingang van 6 maart 2015 geschorst. Gelet op deze gang van zaken, alsmede op de aard en de ernst van het verweten wangedrag, acht de Raad het tijdsverloop niet onaanvaardbaar lang. Evenmin heeft appellant aannemelijk gemaakt dat hij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zou worden volstaan met een lichtere maatregel. Er is daarom onvoldoende aanleiding om aan het tijdsverloop gevolgen te verbinden.

4.3.5.

De minister heeft verder nog naar voren gebracht dat vanwege de bijzondere positie van de KMar het plegen van een geweldsmisdrijf door een KMar-militair in beginsel tot ontslag leidt. In aanmerking nemend die bijzondere positie van de KMar met onder andere taken op het gebied van bewaking en opsporing van strafbare feiten, acht de Raad deze gedragslijn niet onredelijk. De minister heeft met het ontslag van appellant gehandeld in overeenstemming met deze gedragslijn. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die tot afwijking van deze gedragslijn nopen.

4.3.6.

Appellant heeft tot slot nog gewezen op een interview met de Commandant KMar,

H. Leijtens, in het blad Geestelijke Verzorging Present in de zomer van 2014. Daarin staat onder andere vermeld: ”Fouten maken mag van mij, daarvoor ben je mens. Voor mij gaat het erom: wat leer je ervan”. Volgens appellant past zijn ontslag niet bij deze opmerking. De Raad heeft geen aanleiding ervan uit te gaan dat deze opmerking van de commandant, gegeven vanuit een persoonlijke visie, ook ziet op een geweldsincident als het onderhavige. Dat zou ook niet overeenstemmen met de gedragslijn van de minister, het bevoegd gezag in deze, zoals hiervoor onder 4.3.5 uiteen is gezet.

4.4.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt dan ook bevestigd.

5. Voor een veroordeling de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en M.T. Boerlage en R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2017.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) J. Smolders

HD