Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1951

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2017
Datum publicatie
02-06-2017
Zaaknummer
16-7086 MPW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De doelstellingen van de toepassing van artikel 12, eerste lid, aanhef en onder e, van de MWR, onder gelijktijdige toekenning van de regeling, zoals door minister geformuleerd, zijn legitiem te achten. Het middel als omschreven in 6.3.5 is niet kennelijk ongeschikt om de legitieme doelstellingen te bereiken. De Raad volgt de vaststelling van de gerechtvaardigde aanspraak zoals door minister tot stand gebracht. Het middel, bezien naar het resultaat ervan, maakt geen excessieve inbreuk op de gerechtvaardigde aanspraak van appellant en gaat niet verder dan noodzakelijk is om de nagestreefde doelstellingen te bereiken. Geen sprake van een verboden onderscheid naar burgerlijke staat door minister. Geen strijd met gelijkheidsbeginsel. Veroordeling minister in proceskosten en griffierecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/7086 MPW, 16/7593 MPW, 17/2470 MPW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
6 oktober 2016, 15/7573 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

Datum uitspraak: 1 juni 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Nummerdor-Buijs hoger beroep ingesteld.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de minister op 6 december 2016 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Op 31 januari 2017 heeft de Raad de minister vragen gesteld. De minister heeft op 23 maart 2017 een nader besluit genomen. Verder heeft de minister op 24 maart 2017 een verweerschrift ingediend, waarin de minister op de gestelde vragen heeft geantwoord, en waarbij een individueel inkomensoverzicht is ingezonden. Appellant heeft vervolgens zijn reactie (nadere reactie) kenbaar gemaakt omtrent dit inkomensoverzicht, het verweerschrift en het nadere besluit van 23 maart 2017. Bij brief van 19 april 2017 heeft de minister een aangepast inkomensoverzicht ingezonden. Bij brief van 20 april 2017 heeft de minister gereageerd op de nadere reactie.

Het onderzoek ter zitting heeft op 20 april 2017 plaatsgevonden. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Nummerdor-Buijs en mr. W.E. Louwerse. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. van Arkel en mr. S.M.L. Timmermans, advocaten,
mr. M.A. Suwout en drs. D.S. Siesling.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was als militair werkzaam bij het Ministerie van Defensie. Aan appellant is met ingang van 1 juli 2015 overtolligheidsontslag verleend met toepassing van artikel 39, tweede lid, onder d, van het Algemeen militair ambtenarenreglement en het Sociaal Beleidskader Defensie 2004. Bij besluit van 3 juli 2015 heeft de minister aan appellant aansluitend aan zijn ontslag wachtgeld op grond van de Militaire Wachtgeldregeling 1961 (MWR) toegekend tot de dag waarop appellant de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Bij besluit van
22 september 2015 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar tegen het besluit van 3 juli 2015 ongegrond verklaard.

1.2.

Ingevolge de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd, Stb. 2012, 328 (Wet VAP), en de Wet van 4 juni 2015, Stb. 2015, 218, wordt de pensioengerechtigde leeftijd zoals bedoeld in de Algemene Ouderdomswet (AOW-leeftijd) vanaf 2013 in stappen verhoogd tot 67 jaar in 2021. Vanaf 2022 wordt de AOW-leeftijd gekoppeld aan de levensverwachting. Dit heeft onder andere tot gevolg dat appellant niet vanaf 65-jarige leeftijd recht heeft op een AOW-uitkering, maar pas vanaf de voor hem geldende verhoogde AOW-leeftijd. Het ABP kent het ouderdomspensioen aan militairen toe vanaf de leeftijd van 65 jaar.

1.3.

Op 1 oktober 2015 is de ‘Voorlopige voorziening tegemoetkoming inkomensderving als gevolg van ophoging AOW-leeftijd’, Stcrt. 28 september 2015, nr. 31772 (Voorlopige voorziening), in werking getreden. De Voorlopige voorziening vormt de vastlegging van de tussen de minister en vakbonden gemaakte afspraken. In artikel 2 van de Voorlopige voorziening is bepaald dat een gewezen defensieambtenaar die de leeftijd van 65 jaar bereikt waardoor zijn uitkering eindigt, tot het bereiken van de voor hem geldende AOW-leeftijd aanspraak heeft op een maandelijkse tegemoetkoming, die gelijk is aan de bruto

AOW-uitkering (inclusief vakantiegeld), die voor hem volgens de AOW in de desbetreffende maand gegolden zou hebben indien daarop aanspraak zou hebben bestaan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met beslissingen over vergoeding van proceskosten en griffierecht, het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar. De rechtbank is van oordeel dat de minister verboden onderscheid op grond van leeftijd heeft gemaakt door het wachtgeld van appellant te beëindigen bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. De rechtbank heeft verwezen naar het oordeel van het College voor de Rechten van de Mens (CRM, oordeel 2014-156) en het oordeel van het CRM onderschreven dat sprake is van direct onderscheid naar leeftijd. De rechtbank heeft in dit verband tevens verwezen naar de uitspraken van de Raad van 18 juli 2016 (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2016:2614). De rechtbank is van oordeel dat het doel van het gemaakte leeftijdsonderscheid, te weten het afbakenen van het wachtgeld tot diegenen die financiële compensatie nodig hebben, legitiem is te achten. Ook het door de minister genoemde doel van een eerlijke verdeling van de beschikbare gelden, acht de rechtbank legitiem. Als middel om de doelstelling te bereiken, beëindigt de minister het recht op wachtgeld als de gewezen militair de 65-jarige leeftijd heeft bereikt onder toekenning van een tegemoetkoming op grond van de Voorlopige voorziening. De rechtbank is van oordeel dat, indien al moet worden geoordeeld dat het middel niet kennelijk ongeschikt is om het gestelde doel te bereiken, dit middel in ieder geval een excessieve inbreuk maakt op de gerechtvaardigde aanspraken van appellant.

3. Appellant heeft in hoger beroep primair aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet zelf in de zaak heeft voorzien. Subsidiair heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank aan de minister een ontoereikend kader heeft meegegeven voor het nemen van het nieuwe besluit.

4. Bij het besluit van 6 december 2016 heeft de minister de beëindiging van het aan appellant toegekende wachtgeld bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd gehandhaafd. Daarbij is aan appellant, in aanvulling op de Voorlopige voorziening, voor de periode vanaf de dag dat hij 65 jaar wordt totdat hij de AOW-leeftijd heeft bereikt, een maandelijkse bruto uitkering toegekend die een netto uitkering oplevert die gelijk is aan de netto AOW-uitkering, inclusief vakantiegeld (tegemoetkoming AOW-hiaat). Het besluit van 6 december 2016 wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling betrokken.

5. Bij het besluit van 23 maart 2017 heeft de minister het besluit van 6 december 2016 aangevuld. Indien in de periode vanaf het bereiken van de leeftijd van 65 jaar tot aan het bereiken van de AOW-leeftijd het totaalbedrag van de tegemoetkoming AOW-hiaat, vermeerderd met het ouderdomspensioen, netto minder bedraagt dan 90% van de gerechtvaardigde aanspraak van appellant, dan wordt dit bedrag bruto zodanig aangevuld dat deze in ieder geval gelijk is aan 90% van de gerechtvaardigde aanspraak van appellant (aanvullende maatregel). Onder de gerechtvaardigde aanspraak verstaat de minister het bedrag van de gecombineerde netto AOW- en pensioenuitkeringen die bij 65 jaar zouden zijn uitgekeerd als ware de AOW- en pensioenleeftijd nog steeds 65 jaar. Het besluit van 23 maart 2017 wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb, mede in de beoordeling betrokken.

6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.1.

In artikel 12, eerste lid, aanhef en onder e, van de MWR is bepaald dat de aanspraak op wachtgeld vervalt met ingang van de dag waarop de betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt, indien de aanspraak op wachtgeld niet reeds eerder is vervallen.

6.2.

Met de Voorlopige voorziening, aangevuld met de bij de besluiten van 6 december 2016 en 23 maart 2017 getroffen voorzieningen (tezamen: regeling) is getracht een oplossing te vinden voor het gegeven dat als gevolg van de ophoging van de AOW-leeftijd ingevolge de Wet VAP, de AOW-aanspraken van appellant niet meer aansluiten op het wachtgeld op grond van de MWR, waardoor hij inkomensverlies lijdt. De Raad zal dan ook de regeling in dat licht bezien.

6.3.

Als eerste dient de vraag te worden beantwoord of de beëindiging van het wachtgeld op grond van artikel 12 van de MWR bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd, onder gelijktijdige toekenning van de regeling verboden onderscheid naar leeftijd oplevert als bedoeld in de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid (Wgbla).

6.3.1.

Tussen partijen is niet in geschil en ook de Raad gaat ervan uit dat sprake is van direct onderscheid naar leeftijd als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van de Wgbla door het wachtgeld te beëindigen bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, ook al is de duur van dat wachtgeld op grond van de artikelen 3 en 3a van de MWR nog niet verstreken.

6.3.2.

In artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wgbla is bepaald dat het verbod van onderscheid niet geldt indien het objectief gerechtvaardigd is door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. Met de Wgbla heeft Nederland Richtlijn 2000/78/EG van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep geïmplementeerd. De Wgbla moet mede in het licht van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) over Richtlijn 2000/78/EG worden uitgelegd.

6.3.3.

Volgens vaste rechtspraak van het Hof (zie bijvoorbeeld het arrest van 12 oktober 2010, C-45/09, Rosenbladt, punt 41) beschikken de lidstaten en de sociale partners op nationaal niveau over een ruime beoordelingsvrijheid, niet alleen bij de beslissing welke doelstelling van sociaal en werkgelegenheidsbeleid zij specifiek willen nastreven, maar ook bij het bepalen van de maatregelen waarmee deze doelstelling kan worden verwezenlijkt. Het Hof beoordeelt in dit verband of de genomen maatregelen niet onredelijk zijn of - anders gezegd - niet kennelijk ongeschikt zijn om het legitieme doel te bereiken (zie bijvoorbeeld het arrest van 26 februari 2015, C-515/13, Landin, punten 27 en 28, het arrest van

26 september 2013, C-546/11, Dansk Jurist- og Økonomforbund, punten 55 en 58, en het arrest van 12 oktober 2010, C-499/08, Andersen, punt 35). Wat de noodzakelijkheid van het middel betreft dient de rechter te onderzoeken of het middel verder gaat dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de nagestreefde doelstellingen en niet op excessieve wijze inbreuk maakt op de gerechtvaardigde aanspraken van de werknemers, waarbij het middel in zijn eigen regelingscontext dient te worden geplaatst en rekening moet worden gehouden zowel met het nadeel dat daaraan kleeft voor de betrokken personen als met het voordeel daarvan voor de samenleving in het algemeen en voor de individuen waaruit zij bestaat

(zie in die zin bijvoorbeeld het arrest van het Hof van 12 oktober 2010, C-45/09, Rosenbladt, punt 73, en het arrest van het Hof van 16 oktober 2007, C-411/05, Palacios de la Villa,

punt 73).

6.3.4.

De minister heeft de doelstellingen van de toepassing van artikel 12, eerste lid, aanhef en onder e, van de MWR, onder gelijktijdige toekenning van de regeling, als volgt geformuleerd. Het gaat om het afbakenen van de doelgroep van de MWR tot diegenen die financiële compensatie nodig hebben en om een eerlijke verdeling van de beschikbare gelden tussen degenen die nog in dienst zijn bij het Ministerie van Defensie en hen die de dienst hebben verlaten. Deze doelstellingen zijn legitiem te achten. Zoals hiervoor overwogen, beschikken de lidstaten en de sociale partners op nationaal niveau over een ruime beoordelingsvrijheid bij de beslissing welke doelstellingen van sociaal en werkgelegenheidsbeleid zij specifiek willen nastreven. Daaraan wordt, onder verwijzing naar het arrest van het Hof van 21 juli 2011, C-159/10, Fuchs, punten 41 en 44, toegevoegd dat een wijziging van de context van een wet, die inhoudt dat het doel van de wet wordt gewijzigd, op zichzelf niet uitsluit dat een legitiem doel wordt nagestreefd en dat het naast elkaar bestaan van verschillende doelstellingen evenmin uitsluit dat sprake is van een legitiem doel. Met het oog op voornoemde ruime beoordelingsvrijheid stelt de Raad vast dat in het op 16 april 2015 gesloten eerste deelresultaat de minister en de vakbonden hebben afgesproken dat het een gezamenlijke verantwoordelijkheid is om binnen de totale aan arbeidsvoorwaarden gerelateerde budgetten een voorziening te treffen voor voormalig defensiepersoneel dat geconfronteerd wordt met de gevolgen van het ontbreken van een AOW- en pensioenuitkering bij het bereiken van 65 jaar als gevolg van de verhoogde

AOW-leeftijd (AOW-hiaat). Het merendeel van de vakbonden heeft vervolgens ingestemd met de Voorlopige voorziening, die aanzienlijk minder ver strekte dan de thans voorgestane regeling. Verder heeft de minister diverse keren met de Tweede Kamer gesproken over de te treffen voorzieningen als oplossing voor het AOW-hiaat. Daarbij heeft de minister meerdere keren het belang benadrukt van de balans tussen de belangen van degenen die nog in dienst zijn bij het Ministerie van Defensie en de belangen van hen die de dienst hebben verlaten. Tijdens het begrotingsdebat met de Tweede Kamer op 16 november 2016 zijn onder andere de volgende drie moties ingediend: een motie waarin de regering is verzocht de Defensiebegroting te ontzien bij het compenseren van het AOW-hiaat en middelen te zoeken buiten de Defensiebegroting om (Kamerstukken II 2016/17, 34 550 X, nr. 22), een motie waarin de regering is verzocht over te gaan tot volledige compensatie van het AOW-hiaat van het voormalige defensiepersoneel, te financieren binnen de rijksbegroting (idem, nr. 23) en een motie waarin de regering is verzocht zich in te spannen om het AOW-hiaat te dichten door het wachtgeld door te laten lopen tot aan de AOW-leeftijd (idem, nr. 24). Deze moties zijn alle verworpen.

6.3.5.

Als middel om de doelstellingen te bereiken, handhaaft de minister de beëindiging van het recht op wachtgeld als de ambtenaar de 65-jarige leeftijd bereikt, kent de minister vanaf dat moment de militair de tegemoetkoming AOW-hiaat toe en past hij in voorkomende gevallen de aanvullende maatregel tot 90% van de gerechtvaardigde aanspraak toe. De Raad dient de vraag te beantwoorden of dit middel passend en noodzakelijk is om de doelstellingen te bereiken.

6.3.6.

Het overwogene onder 6.2 mede in aanmerking genomen, is de Raad van oordeel dat het middel als omschreven in 6.3.5 niet kennelijk ongeschikt is om de legitieme doelstellingen - het afbakenen van de doelgroep van de MWR tot diegenen die financiële compensatie nodig hebben alsmede een eerlijke verdeling van de beschikbare middelen - te bereiken.

6.3.7.

Wat de noodzakelijkheid van het middel betreft, verschillen partijen allereerst van mening over de vraag wat de gerechtvaardigde aanspraak van appellant is.

6.3.8.

De minister is voor de gerechtvaardigde aanspraak uitgegaan van de situatie van een AOW-leeftijd van 65 jaar en een pensioenleeftijd van 65 jaar. In deze situatie bestaat het bruto maandinkomen vanaf de 65-jarige leeftijd uit de AOW-uitkering en het opgebouwde ABP-pensioen. Het netto maandinkomen wordt berekend door het bruto maandinkomen te verminderen met de loonheffing en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet. Het netto maandinkomen dat resulteert, is de gerechtvaardigde aanspraak van appellant.

6.3.9.

Appellant heeft betoogd dat als gerechtvaardigde aanspraak moet worden aangemerkt de doorbetaling van het wachtgeld tot aan de verhoogde AOW-leeftijd of een uitkering tot aan de AOW-leeftijd die in hoogte netto gelijk is aan het wachtgeld. Daarin kan appellant niet worden gevolgd. Zoals ook uit het door de minister overgelegde inkomensoverzicht blijkt, zou dat betekenen dat appellant er in de periode vanaf het ontvangen van het ABP-pensioen tot aan de verhoogde AOW-leeftijd netto aanzienlijk op vooruit zouden gaan ten opzichte van de oude situatie, toen de AOW-leeftijd nog 65 jaar was.

6.3.10.

Appellant kan evenmin worden gevolgd in het subsidiair ingenomen standpunt dat de minister bij het bepalen van de gerechtvaardigde aanspraak ten onrechte is uitgegaan van een pensioenrichtleeftijd van 67 jaar vanaf 1 januari 2015 dan wel dat de minister voor het hanteren van die pensioenrichtleeftijd een compensatie had moeten bieden, zoals hij ook bij de burgerambtenaren heeft gedaan. Zoals is overwogen onder 6.2, is in deze zaak aan de orde de problematiek van het niet meer aansluiten van de AOW-aanspraken van appellant op zijn wachtgeld, waardoor hij inkomensverlies lijdt. Anders dan in de zaken van de voormalige burgerambtenaren, waarin het vervroegd laten ingaan van het ouderdomspensioen onderdeel was van de ter zake van het daar aan de orde zijnde AOW-hiaat getroffen regeling, staan in deze zaak de problematiek van het AOW-hiaat en het gegeven van de veranderde pensioenrichtleeftijd los van elkaar. Voor militairen is de daadwerkelijke pensioenleeftijd van 65 jaar immers niet gewijzigd. De keuze van de bij de wijziging van het Pensioenreglement betrokken sociale partners om de pensioenleeftijd van 65 jaar voor militairen te handhaven en (niettemin) een pensioenrichtleeftijd van 67 jaar vanaf 1 januari 2015 te gaan hanteren, heeft tot gevolg dat militairen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar een iets lager ouderdomspensioen krijgen dan in het geval de pensioenrichtleeftijd 65 jaar zou zijn gebleven. Het is niet aan de minister om voor de gevolgen van deze wijziging van het Pensioenreglement in het kader van deze zaak een compensatie te bieden. In dit verband kan de minister worden gevolgd in zijn standpunt dat hij aan de pensioenrichtleeftijd geen andere betekenis heeft hoeven toekennen dan aan andere uit het Pensioenreglement voortvloeiende factoren die de hoogte van het ouderdomspensioen nu eenmaal beïnvloeden, zoals indexeringen en opbouwpercentages. Er was dan ook geen reden voor de minister bij het bepalen van de gerechtvaardigde aanspraak van appellant de gewijzigde pensioenrichtleeftijd buiten beschouwing te laten dan wel daarvoor een compensatie toe te kennen. De Raad volgt dus de vaststelling van de gerechtvaardigde aanspraak zoals de minister die tot stand heeft gebracht.

6.3.11.

Met het oog op de vraag of het middel niet op excessieve wijze inbreuk maakt op de gerechtvaardigde aanspraak van appellant, moet worden vastgesteld dat in de besluiten van
6 december 2016 en 23 maart 2017 slechts in abstracto is weergegeven welke bedragen appellant op basis van de regeling na de beëindiging van het wachtgeld vanaf 65-jarige leeftijd ontvangt. Die besluiten bieden onvoldoende inzicht in de concrete betalingen die op grond van de regeling, uitgaande van ongewijzigde omstandigheden, bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd aan appellant worden gedaan. Teneinde hierin alsnog inzicht te bieden, heeft de minister desgevraagd, met gebruikmaking van de gegevens van het ABP, een individueel inkomensoverzicht laten opstellen en ingezonden voor de volgende drie situaties, waarbij telkens voor de periode vanaf 65 jaar tot de AOW-leeftijd alsmede voor de periode vanaf de AOW-leeftijd de bruto- en netto-inkomsten zijn vermeld:

- de oude situatie dat de AOW-leeftijd niet zou zijn verhoogd en waarbij appellant vanaf

65 jaar een AOW-uitkering naast ouderdomspensioen zou ontvangen;

- de situatie waarbij de AOW-leeftijd zou zijn verhoogd en het wachtgeld bij het bereiken van 65 jaar zou worden doorbetaald tot de verhoogde AOW-leeftijd onder aftrek van het ouderdomspensioen en appellant dus geen tegemoetkoming AOW-hiaat zou ontvangen;

- de situatie waarbij de aanvullende maatregel van 90% is toegepast.

6.3.12.

Uit het individuele inkomensoverzicht blijkt het volgende. Voor de periode vanaf het bereiken van de leeftijd van 65 jaar tot aan de AOW-leeftijd van appellant heeft de regeling een aanzienlijke stijging in bruto inkomen tot gevolg in vergelijking met de situatie dat de AOW-leeftijd nog steeds 65 jaar zou zijn geweest. Het netto inkomen is in die periode als gevolg van fiscale redenen weliswaar lager in vergelijking met de situatie dat de

AOW-leeftijd nog steeds 65 jaar zou zijn geweest, maar dat verschil is beperkt. Hierbij is van belang dat de minister heeft gegarandeerd dat appellant vanaf zijn 65ste jaar tot aan zijn AOW-leeftijd in ieder geval 90% van zijn gerechtvaardigde aanspraak ontvangt. Voor de periode vanaf de AOW-leeftijd wordt appellant blijkens het individuele inkomensoverzicht niet met een inkomensverlies geconfronteerd. Dit leidt de Raad tot het oordeel dat het middel, bezien naar het resultaat ervan, geen excessieve inbreuk maakt op de gerechtvaardigde aanspraak van appellant en aldus niet verder gaat dan noodzakelijk is om de nagestreefde doelstellingen te bereiken.

6.3.13.

Gezien het vorenstaande is de Raad van oordeel dat sprake is van een objectieve rechtvaardiging voor het uit artikel 12, eerste lid, aanhef en onder e, van de MWR voortvloeiende onderscheid naar leeftijd. Het beroep van appellant op artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) leidt niet tot een ander oordeel.

6.4.

Appellant heeft verder aangevoerd dat de minister een verboden onderscheid naar burgerlijke staat maakt, zoals beschermd door artikel 26 van het IVBPR en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM, nu de minister voor de hoogte van de tegemoetkoming AOW-hiaat aansluiting heeft gezocht bij de systematiek van de AOW, dus 70% van het minimumloon voor een ongehuwde (of daarmee gelijkgestelde) en 50% van het minimumloon voor een gehuwde (of daarmee gelijkgestelde).

6.4.1.

De Raad volgt appellant hierin niet. Bedoeld verschil in behandeling in de AOW tussen aan de ene kant gehuwden of daarmee gelijkgestelde ongehuwd samenwonenden en aan de andere kant ongehuwden die alleenstaand zijn en daarmee gelijkgestelden, waaraan de tegemoetkoming is gerelateerd, is terug te voeren op een niet vergelijkbare leefsituatie en daarmee samenhangende behoeften. Zo is sprake van besparende voordelen bij het voeren van een gezamenlijke huishouding ten opzichte van een eenpersoonshuishouden. In het licht bezien waarin de tegemoetkoming AOW-hiaat moet worden beoordeeld, zoals hiervoor in 6.2 is aangegeven, ziet de Raad niet in dat artikel 26 van het IVBPR en artikel 1 van het

Twaalfde Protocol bij het EVRM eraan in de weg staan dat de minister voor van elkaar te onderscheiden gevallen verschillende voorzieningen treft, waarbij met dat onderscheid rekening wordt gehouden, zoals ook in de AOW geschiedt.

6.5.

Appellant heeft tevens gesteld dat de minister in strijd handelt met het gelijkheidsbeginsel door de voormalige burgerambtenaren van Defensie een compensatie toe te kennen voor het vervroegd laten ingaan van het ouderdomspensioen en appellant niet. Deze stelling treft geen doel. Verwezen wordt naar het overwogene onder 6.3.10.

7. Het voorgaande leidt tot de volgende conclusies. Nu appellant niet kan worden gevolgd in zijn stellingen dat de rechtbank, zelf voorziend, had moeten bepalen dat het wachtgeld doorloopt tot aan de verhoogde AOW-leeftijd en evenmin geldt dat de rechtbank haar opdracht tot het nemen van een nieuw besluit zodanig had moeten formuleren dat dit tot eenzelfde netto resultaat zou leiden, slaagt het hoger beroep niet. De Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen, voor zover aangevochten. Het beroep van appellant tegen het besluit van 6 december 2016, zoals aangevuld bij het besluit van 23 maart 2017, moet ongegrond worden verklaard. Weliswaar zijn de besluiten van 6 december 2016 en 23 maart 2017 in zoverre niet draagkrachtig gemotiveerd dat daaruit onvoldoende concreet blijkt wat de financiële gevolgen van de regeling voor appellant, uitgaande van ongewijzigde omstandigheden, bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd zijn, maar de Raad ziet aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, nu de minister met het inkomensoverzicht en zijn toelichting daarop alsnog duidelijkheid heeft verschaft.

8.1.

Gelet op wat onder 7 is overwogen, bestaat aanleiding de minister op grond van

artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Deze kosten bedragen € 1.237,50.

8.2.

Voorts komen de door appellant gedeclareerde reiskosten voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten bedragen € 38,20.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 6 december 2016, nader aangevuld bij het besluit

van 23 maart 2017, ongegrond;

- bepaalt dat de minister aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 124,-

vergoedt;

- veroordeelt de minister in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.275,70.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en B.J. van de Griend en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van W.A.M. Ebbinge als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2017.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) W.A.M. Ebbinge

HD