Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:192

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-01-2017
Datum publicatie
23-01-2017
Zaaknummer
16/1288 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

1) Korting bezoldiging berust op goede gronden. Geen sprake van buitensporige werkomstandigheden. Dat alleen al betekent dat van arbeidsongeschiktheid in en door de dienst niet kan worden gesproken. 2) Bezoldiging ten onrechte gestaakt. Geen sprake van omstandigheden als bedoeld in artikel 7:14, tweede lid, aanhef en onder a, van de CAR/UWO, die noopten tot staking van de bezoldiging. Het college had op zijn minst nader overleg had moeten voeren met de bedrijfsarts. 3) Afwijzing verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2017/53
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/1288 AW, 16/1289 AW, 16/1334 AW, 16/3253 AW

Datum uitspraak: 19 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van

21 januari 2016, 14/1906 en 14/3191 (aangevallen uitspraak 1) en 15/919 (aangevallen uitspraak 2) en van 6 april 2016, 15/3171 (aangevallen uitspraak 3) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Nuth (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. Ph.W.A.M. van Roy, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Roy en mr. M.W.M. Pennings. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.P.F. van Duren en W.A.B. van der Donk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als [functie] bij de gemeente Nuth. Begin 2010 is hij uitgevallen wegens ziekte. Naar aanleiding van de ziekmelding heeft mediation plaatsgevonden. Afgesproken is dat appellant zijn werkzaamheden als [functie] niet zal hervatten. In de maanden juni tot en met september 2011 heeft appellant een verlofstuwmeer weggewerkt. In september 2011 is hij gestart in aangepaste werkzaamheden.

1.2.

In 2013 is appellant opnieuw uitgevallen wegens ziekte. Bij besluit van 29 augustus 2013 (besluit 1), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 mei 2014 (bestreden besluit 1), heeft het college, met toepassing van artikel 7:3 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO), met ingang van

3 september 2013 een korting van 10% op de bezoldiging van appellant toegepast wegens zijn arbeidsongeschiktheid. Het college heeft geen omstandigheden aanwezig geacht op grond waarvan de verlaging achterwege zou kunnen blijven.

1.3.

Bij besluit van 25 februari 2014 (besluit 2), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

9 september 2014 (bestreden besluit 2), heeft het college, met toepassing van artikel 7:3 van de CAR/UWO, met ingang van 6 maart 2014 een korting van 25% op de bezoldiging van appellant toegepast wegens zijn arbeidsongeschiktheid. Het college heeft opnieuw geen omstandigheden aanwezig geacht op grond waarvan de verlaging achterwege zou kunnen blijven.

1.4.

In mei 2014 heeft een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. In juli 2014 heeft de arbeidsdeskundige rapport uitgebracht. Conclusie van het rapport is dat de functie van [functie] niet passend is voor appellant. Aanpassingen bieden geen oplossing om de functie passend te maken en er zijn geen andere passende functies voorhanden binnen de gemeente. De arbeidsdeskundige heeft geadviseerd om spoor 2 op te starten. Spoor 1 blijft parallel lopen.

1.5.

Het college heeft appellant bij brief van 5 augustus 2014 uitgenodigd voor een gesprek met een externe re-integratiecoach op 11 augustus 2014. Op 28 augustus 2014 stond een tweede afspraak gepland. De re-integratiecoach heeft het college over deze beide afspraken op laatstgenoemde datum het volgende laten weten:

“In het kader van re-integratie spoor 2 is cliënt met partner na uitnodiging op gesprek gekomen op ons kantoor (…). Helaas heeft op dat moment geen inhoudelijk gesprek kunnen plaatsvinden. De oorzaak hiervoor is gelegen in het feit dat de heer [naam appellant] te emotioneel was op dat moment waardoor hij geen woord heeft kunnen uitbrengen. Gedurende de tijd dat hij aan tafel heeft gezeten heeft de heer [naam appellant] aan een stuk door gehuild. De heer [naam appellant] was nauwelijks te kalmeren. Tot aanvang van het geplande gesprek heeft het dus niet kunnen komen.

Wij hebben een nieuwe afspraak gemaakt met de heer en mevrouw [naam appellant] op 28 augustus 2014 (…). Opnieuw kan de conclusie getrokken worden dat met de heer [naam appellant] geen gesprek mogelijk is, aangezien hij weer gedurende de afspraak alleen maar gehuild heeft en er geen woord uit hem is gekomen. Het huilen is na een 20 minuten brullen geworden waarna de heer [naam appellant] op een gegeven moment brullend de ruimte is uitgestormd en de deur geforceerd heeft om naar buiten te geraken. Een gesprek is derhalve wederom voor de 2e keer niet als geslaagd te noemen.

Advies:

Wij zijn van mening dat een traject richting passend werk op dit moment niet haalbaar is. Betrokkene is niet in staat om op dit moment in deze situatie aan dit traject deel te kunnen nemen vanwege zijn emotionele toestand. Ons advies in deze is dan ook een deskundig oordeel aan te vragen bij het UWV.”

1.6.

Op 5 september 2014 heeft appellant de bedrijfsarts bezocht. Deze heeft over dat bezoek het volgende laten weten:

“Cliënt (en zijn echtgenote) geeft aan dat het hem niet goed gaat. Door zijn huisarts is gesproken over het mogelijk uitbreiden/opschalen van hulpverlening. Gezien de duur en de mate van klachten is dit mijns inziens duidelijk geïndiceerd.

Ondergetekende zal opnieuw overleg hebben met de huidige behandelaar. Naar aanleiding van arbeidsdeskundig onderzoek werden spoor 2 re-integratieactiviteiten gestart. Op dit moment bestaan beperkingen t.a.v. de fysieke maar vooral de mentale belastbaarheid, conform eerder opgestelde FML. Ik adviseerde cliënt een deskundigenoordeel aan te vragen bij het UWV wanneer hij van mening is niet te kunnen voldoen aan de opgelegde

re-integratieactiviteiten.”

1.7.

Bij brief van 9 september 2014 heeft het college appellant opgedragen om een afspraak voor een intakegesprek met de re-integratiecoach te maken en het gesprek uiterlijk op

25 september 2014 met hem te voeren. Daarbij heeft het college appellant voorgehouden dat hij zich, als hij niet aan deze opdracht voldoet, schuldig maakt aan plichtsverzuim en dat in dat geval, ingaande 25 september 2014, zijn bezoldiging zal worden gestaakt. Appellant heeft het college op 18 september 2014 via zijn advocaat laten weten dat hij niet in staat is aan de opdracht te voldoen en heeft daarbij gevraagd om een gesprek over de kwestie in aanwezigheid van zijn advocaat.

1.8.

Op 25 september 2014 heeft de bedrijfsarts het college ingelicht over een door hem gevoerd telefoongesprek met de behandelaar van appellant. De behandelaar geeft aan, aldus de bedrijfsarts in dit bericht, dat de klachten zoals deze begin september bestonden inmiddels deels weer zijn gereduceerd en dat een en ander verder in de werksituatie dient te worden opgelost. Het eerder gegeven advies zoals in belastbaarheidsprofiel en arbeidskundig advies met betrekking tot spoor 2 blijven derhalve van kracht.

1.9.

Bij besluit van 30 september 2014 (besluit 3), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

24 februari 2015 (bestreden besluit 3) heeft het college met toepassing van artikel 7:14, tweede lid, aanhef en onder a, van de CAR/UWO, de bezoldiging van appellant gestaakt met ingang van 29 september 2014 en zo lang hij nalatig blijft in de nakoming van zijn

re-integratieverplichtingen. Appellant is daarbij herinnerd aan de mogelijkheid tot het aanvragen van een deskundigenoordeel bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

1.10.

Na een bericht van de re-integratiecoach dat de medewerking van appellant aan zijn

re-integratie met ingang van 5 januari 2015 voldoende is, is de bezoldiging van appellant met ingang van 1 januari 2015 hervat. Bij besluit van 2 februari 2015 (besluit 4) heeft het college, met toepassing van artikel 7:3 van de CAR/UWO, met ingang van 6 maart 2015 een korting van 30% toegepast op de bezoldiging van appellant. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.11.

Bij besluit van 26 maart 2015 (besluit 5) is de bezoldiging van appellant opnieuw, ditmaal met ingang van 1 april 2015, met toepassing van artikel 7:14 van de CAR/UWO gestaakt, dit omdat appellant zich tijdens een re-integratiegesprek met de externe coach op

16 maart 2015 zodanig heeft gedragen dat het gesprek geen doorgang heeft kunnen vinden. Appellant heeft ook tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.12.

Op 18 mei 2015 heeft appellant een deskundigenoordeel aangevraagd bij het Uwv betreffende de vraag of hij in staat moet worden geacht tot het deelnemen aan

re-integratieactiviteiten. Het Uwv heeft op 10 juni 2015 als zijn oordeel te kennen gegeven dat appellant niet in staat wordt geacht loonvormende arbeid te verrichten en/of deel te nemen aan re-integratieactiviteiten.

1.13.

Bij besluit van 18 juni 2015 is de bezoldiging van appellant met ingang van 18 mei 2015 hervat. Bij besluit van 16 juli 2015 heeft het college genoemd besluit gewijzigd, in die zin dat besluit 5 is ingetrokken, als gevolg waarvan de hervatting van de bezoldiging niet per 18 mei 2015, maar met terugwerkende klacht vanaf 1 april 2015 ingaat.

1.14.

Appellant is per 4 augustus 2015 wegens volledige arbeidsongeschiktheid ontslag verleend. Per gelijke datum is hem een uitkering krachtens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen toegekend.

1.15.

Bij besluit van 22 september 2015 (bestreden besluit 4) heeft het college, voor zover hier van belang, het bezwaar tegen besluit 4 ongegrond verklaard en het bezwaar tegen

besluit 5, vanwege het ontbreken van een belang bij inhoudelijke behandeling van dat bezwaar, niet-ontvankelijk verklaard.

2. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank de beroepen tegen bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 3 ongegrond verklaard. Bij aangevallen uitspraak 3 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 4 ongegrond verklaard en afwijzend beslist op het verzoek van appellant om schadevergoeding.

3. De Raad komt op grond van wat partijen hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.

Korting bezoldiging

3.1.

In artikel 7:3, eerste lid, van de CAR/UWO is bepaald dat de ambtenaar bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek vanaf de eerste dag van die ongeschiktheid gedurende de eerste zes maanden recht heeft op doorbetaling van zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n).

Op grond van het tweede lid van genoemde bepaling heeft de ambtenaar bij voortduring van deze ongeschiktheid gedurende de zevende tot en met de twaalfde maand recht op doorbetaling van 90% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n). Het derde lid bepaalt dat de ambtenaar bij voortduring van deze ongeschiktheid na 12 maanden gedurende de dertiende tot en met de vierentwintigste maand recht op doorbetaling van 75% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n). Op grond van het vierde lid heeft de ambtenaar bij voortduring van deze ongeschiktheid na 24 maanden tot het einde van zijn dienstverband recht op doorbetaling van 70% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).

3.2.

Op grond van artikel 7:3, zevende lid van de CAR/UWO behoudt de ambtenaar bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst evenwel na afloop van de termijn van zes maanden recht op de doorbetaling van zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n). Onder arbeidsongeschiktheid in en door de dienst wordt, zo is bepaald in artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de CAR/UWO, voor zover hier van belang verstaan: arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken die in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht.

3.3.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 24 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7194) moeten bij de toepassing van een regeling als onder 3.2 omschreven, eerst de in het werk of de werkomstandigheden gelegen bijzondere factoren, die de arbeidsongeschiktheid zouden hebben veroorzaakt, worden geobjectiveerd. Naarmate de ziekte meer van psychische aard is, zal in meerdere mate sprake moeten zijn van factoren die in verhouding tot dat werk of die werkomstandigheden - objectief bezien - een buitensporig karakter dragen. Het ligt daarbij op de weg van de ambtenaar om voldoende feiten aan te dragen ter onderbouwing van zijn stelling dat van dergelijke omstandigheden sprake is.

3.4.

Appellant is van mening dat in zijn geval sprake is van arbeidsongeschiktheid in en door de dienst en dat de bij de besluiten 1, 2 en 4 toegepaste kortingen op zijn bezoldiging dus achterwege hadden moeten blijven. Er is in het geval van appellant sprake van psychische klachten. Dat betekent dat in dit verband eerst de vraag moet worden beantwoord of het werk of de werkomstandigheden, gemeten naar objectieve maatstaven, een buitensporig karakter droegen. De Raad beantwoordt die vraag ontkennend. Uit wat appellant heeft aangevoerd komt naar voren dat de buitendienst van de gemeente Nuth door de jaren heen meermaals onderwerp van discussie is geweest. Er is op verschillende manieren en op verschillende momenten gezocht naar mogelijkheden om de werkzaamheden van de dienst anders in te richten dan wel af te stoten naar een externe partij. De hier bedoelde besluitvormingsprocessen hebben kennelijk met zich gebracht dat de aanwas van nieuw personeel is gestagneerd, dat het aanwezige personeel niet langer een evenwichtige leeftijdsopbouw vertoonde en dat investeringen in de dienst tot het noodzakelijke beperkt zijn gebleven. Hoewel duidelijk is dat dit alles geen ideale werkomstandigheden opleverde, en het voorstelbaar is dat de medewerkers van de buitendienst zich, zoals naar voren komt in een verklaring van een collega, ondergewaardeerd voelden, kan toch niet worden gezegd dat de hier beschreven situatie, objectief gezien, als buitensporig te beschouwen werkomstandigheden heeft opgeleverd. Het gaat veeleer om niet als zeer ongebruikelijk te beschouwen onzekerheden in de werksfeer, waarbij, zoals namens het college is benadrukt, die onzekerheden nog werden gerelativeerd doordat de medewerkers nimmer met onvrijwillig ontslag zijn bedreigd. Dat deze onzekerheden kennelijk, met tussenpozen, langdurig aan de orde zijn geweest kan het zojuist overwogene niet anders maken.

3.5.

Ook de werkomstandigheden na de re-integratie van appellant in 2011 zijn niet als buitensporig in de onder 3.3 bedoelde zin te beschouwen. Appellant stelt dat hij na de bedoelde re-integratie gedurende 27 maanden doelloos over de veldwegen van de gemeente heeft gereden, waarbij niet of nauwelijks van enige werkopdracht sprake is geweest. Dat beeld is gemotiveerd weersproken in verschillende door het college overgelegde verklaringen van collega’s. Uit die verklaringen komt naar voren dat appellant belast is geweest met het inventariseren van de onverharde wegen van de gemeente met als doel het maken van een nieuwe wegenlegger, wat een omvangrijke klus is geweest. Daarnaast hield hij zich bezig met onderzoek naar de riolering en met inventarisatie van de pompgemalen. Er was sprake van zinvol werk waarover op de gebruikelijke wijze overleg werd gepleegd met collega’s. Nu niet is gebleken dat appellant op enig moment gedurende de bewuste periode, op welke wijze dan ook, zijn ongenoegen over de werkomstandigheden kenbaar heeft gemaakt, ziet de Raad geen reden de verklaringen van de collega’s in twijfel te trekken.

3.6.

Het overwogene onder 3.4 en 3.5 betekent dat van buitensporige werkomstandigheden als bedoeld onder 3.3 in dit geval geen sprake is geweest. Dat alleen al betekent dat van arbeidsongeschiktheid in en door de dienst niet kan worden gesproken. Aan de vraag naar het verband tussen de werkomstandigheden en de ziekte van appellant wordt dus niet meer toegekomen. De besluiten 1, 2 en 4 houden stand. Het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 slaagt niet. De Raad zal die uitspraak bevestigen. Het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 3 slaagt niet voor zover deze uitspraak betrekking heeft op besluit 4. In zoverre komt ook die uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

Staking bezoldiging

3.7.

Op grond van artikel 7:14, tweede lid, aanhef en onder a, van de CAR/UWO, worden de doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), bedoeld in artikel 7:3, gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar weigert mee te werken aan, door het college of een door hem aangewezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen, als bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onder a, die erop gericht zijn om de betrokkene in staat te stellen de eigen of passende arbeid te verrichten. Het derde lid van artikel 7:14 bepaalt dat de doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), als genoemd in het tweede lid, wel plaatsvindt indien de ambtenaar op grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag, genoemd in het tweede lid.

3.8.

Besluit 3, waarbij de bezoldiging van appellant is gestaakt, is gebaseerd op het niet voldoen aan de opdracht van 9 september 2014 tot het voeren van een intakegesprek met een externe re-integratiecoach. Het college acht die opdracht en het daaropvolgende besluit 3 gerechtvaardigd, gelet op de arbeidskundige rapportage van juli 2014 en het advies van de bedrijfsarts van 5 september 2014. De Raad kan het college daarin niet volgen. Twee eerdere pogingen tot het voeren van het door het college gewenste gesprek waren op niets uitgelopen omdat appellant psychisch onmachtig bleek om dat gesprek te voeren. De re-integratiecoach heeft het college na die twee pogingen laten weten appellant vanwege zijn emotionele toestand niet in staat te achten aan het traject deel te nemen, en heeft geadviseerd een deskundigenoordeel aan te vragen bij het Uwv. Anders dan het college leest de Raad ook in het advies van de bedrijfsarts van 5 september 2014 twijfel over de mate waarin appellant in staat moest worden geacht om aan het re-integratietraject deel te nemen. Ook de bedrijfsarts heeft daarin de mogelijkheid van het vragen van een deskundigenoordeel genoemd. Er was dus reden tot zorg, waaraan het college niet voorbij had mogen gaan op de wijze waarop het dat heeft gedaan. De arbeidskundige rapportage uit juli 2014 kan dat niet anders maken. Nog los van het tijdsverloop sinds deze rapportage, bevat deze geen zelfstandig oordeel over de medische geschiktheid van appellant; op dat punt is verwezen naar het (toekomstig) oordeel van de bedrijfsarts. Bovendien vermeldt de arbeidsdeskundige in zijn rapportage dat tijdens twee gevoerde gesprekken voornamelijk de zoon en echtgenote van appellant aan het woord zijn geweest, omdat appellant te emotioneel was om in gesprek te kunnen gaan. In zoverre vormt de arbeidskundige rapportage alleen maar een bevestiging van de latere signalering door de re-integratiecoach, en dus van de zorgelijke situatie die rondom het re-integratietraject was ontstaan.

3.9.

Het overwogene onder 3.8 wordt niet anders doordat appellant er in dit stadium nog niet zelf toe is overgegaan het Uwv in te schakelen. Ook het college had immers de procedure bij het Uwv tot verkrijging van een deskundigenoordeel in gang kunnen zetten.

3.10.

Conclusie is dat het college, alvorens na ontvangst van de terugkoppeling van de

re-integratiecoach te beslissen over voortzetting van het traject, op zijn minst nader overleg had moeten voeren met de bedrijfsarts, dit al dan niet in combinatie met een eigen verzoek om een deskundigenoordeel aan het Uwv, dan wel met aanvaarding van de suggestie van appellant tot het aangaan van een gesprek over de ontstane situatie, zoals gedaan in reactie op de opdracht van 9 september 2014. Het op 25 september 2014 door de bedrijfsarts met de behandelaar van appellant gevoerde telefoongesprek doet daar niet aan af. Nog los van het gegeven dat dit gesprek dateert van ruim na de opdracht van 9 september 2014, is dit enkele gesprek, gevoerd met een derde, ontoereikend om de conclusie op te kunnen baseren dat de zorgen rondom appellant inmiddels tot het verleden waren gaan behoren.

3.11.

Het overwogene onder 3.8 tot en met 3.10 betekent dat ten tijde van besluit 3 (nog) geen sprake was van omstandigheden als bedoeld in artikel 7:14, tweede lid, aanhef en onder a, van de CAR/UWO, die noopten tot staking van de bezoldiging. Nader onderzoek, op welke manier dan ook, naar de mate waarin appellant in staat moest worden geacht het

re-integratietraject te vervolgen, was aangewezen. Dat geldt te meer gelet op artikel 7:14, derde lid, van de CAR/UWO, dat met zo veel woorden een uitzondering formuleert in geval van niet-verwijtbaarheid vanwege de geestelijke toestand van de ambtenaar. Besluit 3 kan dus geen stand houden. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Op dit punt slaagt het hoger beroep. De Raad zal aangevallen uitspraak 2 vernietigen. Ook bestreden besluit 3 moet worden vernietigd. Aangezien het gebrek dat kleeft aan besluit 3 zich niet meer leent voor herstel, zal de Raad dat besluit herroepen.

3.12.

De Raad onderschrijft wel het standpunt van het college dat appellant geen belang meer heeft bij beoordeling van besluit 5, nu dat besluit is ingetrokken. Dat wordt niet anders doordat appellant zich door genoemd besluit onheus behandeld voelt. Bestreden besluit 4 houdt dus ook op dit punt stand. Dat betekent dat aangevallen uitspraak 3 ook in zoverre voor bevestiging in aanmerking komt. De Raad zal deze uitspraak bevestigen voor zover aangevochten.

Schadevergoeding

4. Appellant heeft, in het kader van het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 3, verzocht om veroordeling tot vergoeding van schade. Nu appellant geen melding heeft gemaakt van schade die valt te relateren aan het te herroepen besluit 3, zal de Raad dit verzoek afwijzen. Ter voorlichting aan appellant wordt daarbij opgemerkt dat de bedoelde herroeping op zichzelf al aanspraak geeft op nabetaling van het op grond van dat besluit ingehouden salaris.

5. De Raad zal tot slot het college veroordelen in de kosten van appellant, in bezwaar tot een bedrag van € 990,-, in beroep tot een bedrag van € 990,- en in hoger beroep tot een bedrag van eveneens € 990,-, in totaal € 2.970,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt aangevallen uitspraak 1;

- vernietigt aangevallen uitspraak 2;

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 3 van 24 februari 2015 gegrond en vernietigt dat

besluit;

- herroept besluit 3 van 30 september 2014 en bepaalt dat zijn uitspraak in zoverre in de

plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- bevestigt aangevallen uitspraak 3, voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep tegen bestreden besluit 3 en het in hoger

beroep tegen aangevallen uitspraak 2 betaalde griffierecht van (in totaal) € 291,- vergoedt;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 2.970,-.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en B.J. van de Griend en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2017.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) A.M. Pasmans

HD