Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:190

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-01-2017
Datum publicatie
20-01-2017
Zaaknummer
15/3998 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eervol ontslag wegens bereiken leeftijdsgrens. Weigering functioneel leeftijdsontslag op te schorten. De voor appellant op grond van artikel 171a van het Bard geldende leeftijdsgrens is 56 jaar. Appellant mocht er niet op vertrouwen dat voor hem een FLO-leeftijd van 60 jaar zou gelden. Niet is gebleken dat aan appellant van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan die bij appellant gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Dat appellant niet bekend was met de wijziging van de FLO-regeling is een omstandigheid die voor zijn risico behoort te blijven en die niet afdoet aan de bevoegdheid van de minister om de gewijzigde FLO-regeling toe te passen. De minister was in de gegeven situatie niet gehouden om appellant uit eigen beweging te wijzen op de wijziging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/3998 AW

Datum uitspraak: 19 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland (rechtbank) van 23 april 2015, 15/778 en 15/958 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.M. van Breet hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Breet. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

S.N. Kerkhoven, mr. C. Pasman en E.A. Willemsen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant vervulde vanaf 1 juni 1997 de functie van [functie 1]. In het kader van het loopbaanbeleid ‘van [functie 1] naar [functie 2] sleepboot’ is hij per 1 april 2007 geplaatst in de functie van aankomend/reserve [functie 2] sleepboot. Van 1 april 2009 tot 1 september 2009 is appellant belast met de volledige waarneming van de functie van [functie 2] sleepboot, waarna deze functie bij besluit van 3 november 2009 aan hem is opgedragen.

1.2.

Op 19 november 2012 is appellant mondeling ervan op de hoogte gesteld dat de eerder aan hem kenbaar gemaakte datum waarop hem functioneel leeftijdsontslag (FLO) zou worden verleend, onjuist was. Op grond van artikel 171a van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (Bard) is de FLO-datum van appellant vastgesteld op 1 maart 2014, bij een leeftijd van 56 jaar. Dit is aan appellant bevestigd bij brieven van 12 februari 2013 en 7 juni 2013.

1.3.

Bij besluit van 9 juli 2013 is op verzoek van appellant de voor hem geldende FLO-datum voor de duur van ten hoogste een jaar opgeschort tot 1 maart 2015. Bij besluit van

17 april 2014 heeft de minister geweigerd om de FLO-datum van appellant wederom op te schorten.

1.4.

Bij besluit van 28 november 2014 heeft de minister appellant per 1 maart 2015 eervol ontslag verleend. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 24 februari 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft op de hierna te bespreken gronden de juistheid van die uitspraak bestreden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 171a van het Bard, dat met terugwerkende kracht op 1 januari 2007 in werking is getreden, voorziet in een overgangsbepaling voor het FLO. In het eerste lid van artikel 171a is bepaald dat voor de ambtenaar die op 1 januari 2006 was geplaatst op een functie als [functie 1] aan boord van een zeesleper of een haven- of kustsleper van de Rijks Havendienst een leeftijdsgrens van 56 jaar geldt indien hij de leeftijd van 55 jaar bereikt in het jaar 2013. In het derde lid is bepaald dat aan de ambtenaar bedoeld in het eerste of tweede lid eervol ontslag kan worden verleend met ingang van de eerste maand, volgende op die waarin de voor de ambtenaar geldende leeftijdsgrens wordt bereikt.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de voor appellant op grond van artikel 171a van het Bard geldende leeftijdsgrens 56 jaar is.

4.3.1.

Appellant heeft betoogd dat hij erop mocht vertrouwen dat voor hem een FLO-leeftijd van 60 jaar zou gelden. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat in artikel 119 van het Bard, dat nog gold ten tijde van zijn benoeming tot aankomend [functie 2] sleepboot, een FLO-leeftijd van

60 jaar was vastgesteld voor een [functie 2]. De minister heeft hem ten onrechte niet geïnformeerd over de wijziging van de FLO-regeling. Verder heeft appellant aangevoerd dat in de vacature voor de functie van aankomend [functie 2] sleepboot was vermeld dat voor deze functie een FLO-leeftijd van 60 jaar geldt. Deze FLO-leeftijd volgt volgens appellant ook uit het loopbaanbeleid ‘van [functie 1] naar [functie 2] sleepboot’, een e-mail van 8 februari 2008 van P&O-adviseur W en een aan hem gericht besluit van 1 mei 2013.

4.3.2.

Dit betoog slaagt niet. Niet is gebleken dat aan appellant van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan die bij appellant gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Appellant is op 19 november 2012 door zijn leidinggevende op de hoogte gesteld van de op grond van artikel 171a van het Bard voor hem geldende FLO-leeftijd van 56 jaar. Ter zitting van de Raad is gebleken dat appellant pas ná dat gesprek kennis heeft genomen van de e-mail van 8 februari 2008, waarin in de bijlage bij zijn naam een onjuiste FLO-datum, te weten

1 december 2019, is vermeld. Nu appellant reeds wist dat de e-mail onjuiste informatie bevatte, kon hij daaraan geen gerechtvaardigde verwachtingen ontlenen. Het besluit van

1 mei 2013 dateert ook van ná het gesprek op 19 november 2012 en bevat bovendien geen toezegging over de FLO-datum, maar slechts de mededeling dat appellant de functie van [functie 2] sleepboot voor een periode van ten hoogste vijf jaren zal vervullen.

4.3.3.

De vacaturetekst waar appellant op doelt, dateert van 27 september 2000. Niet is vast komen te staan dat appellant heeft gesolliciteerd naar aanleiding van deze vacaturetekst in plaats van de door de minister overgelegde vacaturetekst van 5 februari 2007, waarin geen FLO-datum is vermeld. Daar komt bij dat de vacaturetekst en ook het loopbaanbeleid van

22 oktober 2001 dateren van vóór de wijziging van de FLO-datum in het Bard. Appellant kan aan die stukken dan ook geen gerechtvaardigde verwachtingen ontlenen ten aanzien van zijn FLO-leeftijd.

4.3.4.

Dat appellant niet bekend was met de wijziging van de FLO-regeling is een omstandigheid die voor zijn risico behoort te blijven en die niet afdoet aan de bevoegdheid van de minister om de gewijzigde FLO-regeling toe te passen. De minister was in de gegeven situatie niet gehouden om appellant uit eigen beweging te wijzen op de wijziging. Dat appellant een nieuwe hypothecaire lening heeft afgesloten waarbij hij is uitgegaan van een FLO-leeftijd van 60 jaar, hoefde voor de minister gelet op het voorgaande geen aanleiding te zijn om af te zien van ontslagverlening met ingang van 1 maart 2015.

4.4.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van

J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2017.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) J.L. Meijer

HD