Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:189

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-01-2017
Datum publicatie
23-01-2017
Zaaknummer
16/534 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingebrekestelling. Aanvang termijn twee weken. Tijdige beslissing. Geen procesbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/534 WWB

Datum uitspraak: 17 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

11 december 2015, 15/2051 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Medemblik (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2016. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.D. Weber.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving ten tijde in geding algemene bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Bij brief van 20 december 2013 heeft appellant meegedeeld dat hij bezwaar maakt en een aanvraag indient omdat hij herhaaldelijk heeft verzocht “om opleidingen ter o.a. omscholing richting ICT, conform bij bestuursorgaan bekend zijnde Europees beleid en beschikbaar gestelde Europese en Nationale subsidie(s).” Het college heeft hierin een aanvraag gezien om in aanmerking te komen voor subsidiegelden en om te worden ondersteund bij arbeidsinschakeling. Bij besluit van 9 april 2014 heeft het college de aanvraag om subsidiegelden afgewezen. Appellant heeft daartegen op 19 mei 2014 bezwaar gemaakt.

1.3.

Bij brief van 4 oktober 2014 heeft appellant het college in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar van 19 mei 2014. Bij besluit van 10 oktober 2014 heeft het college het bezwaar van 19 mei 2014 ongegrond verklaard.

1.4.

Bij besluit van 15 oktober 2014 heeft het college het standpunt ingenomen dat geen dwangsom is verschuldigd wegens het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaarschrift van 19 mei 2014. Appellant heeft daartegen op 23 november 2014 bezwaar gemaakt. Bij brief van 18 april 2015 heeft appellant het college in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op dit bezwaar. Op 10 mei 2015 heeft appellant beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van 23 november 2014.

1.5.

Bij besluit van 27 mei 2015 heeft het college het op 23 november 2014 ingediende bezwaar tegen het besluit van 15 oktober 2014 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat binnen de in artikel 4:17, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genoemde termijn van twee weken een beslissing op bezwaar is genomen waardoor geen dwangsom is verschuldigd. Bij besluit van 29 mei 2015 heeft het college het standpunt ingenomen dat een dwangsom is verschuldigd over de periode van

6 mei 2015 tot en met 27 mei 2015 ten bedrage van € 520,-.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 27 mei 2015 ongegrond verklaard. Verder heeft de rechtbank de beroepen tegen niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van 23 november 2014 en tegen het besluit van 29 mei 2015

niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De ongegrondverklaring van het beroep tegen het besluit van 27 mei 2015

4.1.

Artikel 4:17, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom verbeurt voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. In het derde lid is bepaald dat de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag is waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat ten tijde van de ingebrekestelling de termijn voor het geven van een beslissing op de aanvraag was verstreken.

4.3.

In paragraaf 4.1.3.2 van de Awb is geen bepaling opgenomen waarin is geregeld wanneer de in 4.2.1 bedoelde termijn van twee weken aanvangt en wanneer deze eindigt. In de memorie van toelichting bij artikel 4:17, eerste en tweede lid, van de Awb (Kamerstukken II 2004/05, 29 934, nr. 3, blz. 7) is vermeld dat de termijn van twee weken aanvangt op de dag na die waarop de ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. Het college heeft de ingebrekestelling op 7 oktober 2014 ontvangen waardoor de termijn van twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling loopt van 8 oktober 2014 tot en met 22 oktober 2014. Niet in geding is dat appellant het besluit van 15 oktober 2014 binnen deze termijn heeft ontvangen. Dit betekent dat met de rechtbank moet worden geoordeeld dat het college binnen de termijn van twee weken een beschikking heeft gegeven als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb, zodat geen dwangsom is verschuldigd.

De niet-ontvankelijkverklaring van de beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van 23 november 2014 en tegen het besluit van 29 mei 2015

4.4.

Voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft, is volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 24 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO4946) bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang.

4.5.

De omstandigheid dat op 27 mei 2015 alsnog een reële beslissing op het bezwaar van

23 november 2014 is genomen brengt mee dat het procesbelang bij een beoordeling van

(de ontvankelijkheid van) het beroep tegen het niet tijdig nemen van die beslissing verloren is gegaan. Appellant kan met het hoger beroep geen resultaat meer bereiken dat voor hem feitelijk van betekenis is. De stelling van appellant dat het college structureel niet tijdig besluiten neemt waardoor appellant onnodig procedures moet voeren levert, wat daarvan zij, in dit geval geen procesbelang op. Hieruit volgt dat met de rechtbank wordt geoordeeld dat appellant geen belang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van 23 november 2014.

4.6.

Bij het besluit van 29 mei 2015 heeft het college alsnog een beslissing genomen op het bezwaar van 23 november 2014 en appellant in verband met het niet tijdig beslissen op dit bezwaar in aanmerking gebracht voor een dwangsom ten bedrage van € 520,-. Appellant kan zich vinden in de door het college vastgestelde dwangsom. Gelet hierop kon appellant ook met dit beroep bij de rechtbank geen resultaat meer bereiken dat voor hem feitelijk van betekenis is. Dit betekent dat met de rechtbank wordt geoordeeld dat appellant geen belang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het besluit van 29 mei 2015.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2017.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) L.V. van Donk

HD