Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1860

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-05-2017
Datum publicatie
23-05-2017
Zaaknummer
15/5246 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Geen melding van in sexbranche verrichte werkzaamheden. Plaatsen advertenties betekent niet dat daadwerkelijke activiteiten zijn verricht. Eenmalig plaatsen advertentie onvoldoende om handel aan te nemen. Verzwegen bankrekening zonder overleggen afschriften. Verzoek om aanhouding om bankafschriften te overleggen wordt afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 17
Wet werk en bijstand 54
Wet werk en bijstand 58
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2017/222
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5246 WWB

Datum uitspraak: 9 mei 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 juni 2015, 14/5882 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Sluis (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. B. Vermeirssen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2017. Namens appellanten is verschenen mr. Vermeirssen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. C.G.M.E. Poppe.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft van 19 april 2010 tot 11 oktober 2010 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ontvangen naar de norm voor een alleenstaande ouder. Met ingang van 11 oktober 2010 ontvingen appellanten bijstand naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Naar aanleiding van de melding van de consulente van appellanten dat zij appellanten in een auto met een Belgisch kenteken had zien rijden, hebben sociaal rechercheurs van de Sociale Recherche Zeeuwsch-Vlaanderen een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader hebben de sociaal rechercheurs onder meer dossieronderzoek verricht, registraties geraadpleegd en, nadat van de politie te Oostburg was vernomen dat appellante in de seksindustrie had gewerkt onder de naam [naam F] (F), een nader onderzoek op internet ingesteld. Voorts hebben de sociaal rechercheurs informatie ingewonnen bij onder meer het bedrijf [naam bedrijf] ([bedrijf]), waarnemingen verricht, appellante op 21 januari 2014 en appellant op 31 januari 2014 verhoord en nadere gegevens bij appellanten, waaronder afschriften van op naam van appellant staande bankrekeningen bij Bpost, opgevraagd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 22 april 2014.

1.3.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 8 mei 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 september 2014 (bestreden besluit), de bijstand van appellanten met ingang van 19 april 2010 in te trekken en de over de periode van 19 april 2010 tot en met 31 december 2013 gemaakte kosten van (bijzondere) bijstand en verleende langdurigheidstoeslag tot een bedrag van € 67.907,61 van appellanten terug te vorderen. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellanten in strijd met de op hen rustende inlichtingenverplichting geen melding hebben gemaakt van de door appellante verrichte werkzaamheden in de seksbranche en de daaruit verworven inkomsten. Appellanten hebben in bezwaar niet langer betwist dat appellante deze werkzaamheden vanaf 14 november 2013 verricht en dat met ingang van die datum geen recht op bijstand bestaat. Appellante heeft volgens het college reeds met ingang van 19 april 2010 werkzaamheden verricht en daaruit inkomsten verworven dan wel kunnen verwerven. Ook van de verkoop van

Kamagra-pillen en werkzaamheden voor [naam bedrijf] hebben appellanten geen melding gemaakt. Daarnaast hebben appellanten verzwegen dat zij over Belgische bankrekeningen beschikken. Nu appellanten hebben geweigerd rekeningafschriften van alle Belgische rekeningen te laten zien, is alleen al als gevolg van deze schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand met ingang van 19 april 2010 niet vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit voor zover het ziet op de intrekking en terugvordering over de periode van 19 april 2010 tot 11 oktober 2010 vernietigd en zelf in de zaak voorzien door het besluit van 8 mei 2014 te herroepen, voor zover het is gericht aan appellant en het deze periode betreft, en het bedrag van terugvordering bepaald op € 64.303,23. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat eerst met ingang van 11 oktober 2010 aan appellant bijstand is verleend.

3. Appellanten hebben zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het geschil tussen partijen ziet op de vraag of het college de bijstand van appellanten in de periode van 19 april 2010 tot 14 november 2013 (periode in geding), net als in de periode vanaf 14 november 2013, terecht heeft ingetrokken.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust. Deze bewijslast geldt voor de gehele periode in geding. Dat niet in geschil is dat appellante in de periode vanaf

14 november 2013 werkzaamheden heeft verricht, betekent niet dat er zonder meer van uit kan worden gegaan dat dit ook in de periode in geding het geval was.

4.3.

Appellanten hebben allereerst aangevoerd dat de onderzoeksbevindingen geen toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het college dat appellante ook in de periode in geding in de prostitutiebranche werkzaamheden heeft verricht. Deze beroepsgrond slaagt. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.3.1.

Uit de bevindingen van het onderzoek op internet zoals neergelegd in het rapport van 22 april 2014 blijkt dat appellante onder de naam F vóór 19 april 2010 werkzaamheden in de seksbranche heeft verricht. Onder de naam F heeft appellante op diverse websites advertenties geplaatst waarin zij haar diensten tegen betaling aanbiedt. In deze advertenties staat voor de contactgegevens onder meer het facebookaccount van appellante onder de naam F vermeld. Dit facebookaccount is aangemaakt in 2008, maar hierop zijn in 2010, 2011 en 2012 geen berichten geplaatst. Het eerste bericht in de periode in geding dateert van 16 februari 2013. Uit de berichten op dit facebookaccount is in de periode in geding echter niet af te leiden dat appellante werkzaamheden heeft verricht. In een aantal van de advertenties van appellante onder de naam F op de diverse websites worden wel data en locaties genoemd waar appellante werkzaamheden verricht. Deze advertenties zijn echter geplaatst vanaf 14 november 2013 en zien op activiteiten van na die datum.

4.3.2.

Het standpunt van het college dat, gelet op het feit dat de in 2009 geplaatste advertenties in de periode in geding nog steeds op de websites staan vermeld, sprake is van doorlopende, op geld waardeerbare werkzaamheden, kan niet worden onderschreven. Het enkele plaatsen van een advertentie betekent immers nog niet dat daadwerkelijk activiteiten zijn verricht. Het college doelt op twee advertenties op naam van F, die op twee verschillende websites op respectievelijk 19 maart 2009 en 21 mei 2009 zijn geplaatst, in 2014 nog steeds op die websites vermeld staan en verwijzen naar de facebookpagina van appellante onder de naam F en naar een telefoonnummer van appellant. Hieruit kan echter niet worden afgeleid dat appellante in de periode in geding ook daadwerkelijk activiteiten heeft verricht. Anders dan blijkt uit de advertenties die vanaf 14 november 2013 zijn geplaatst, maken deze advertenties immers geen melding van concrete data of locaties waar appellante haar werkzaamheden zou hebben verricht.

4.3.3.

Ten aanzien van de van de op internet aangetroffen advertentie van 15 april 2013 betreffende de verkoop van Kamagra-pillen, geldt eveneens dat het eenmalig plaatsen van een advertentie ontoereikend is om aan te nemen dat appellante zich heeft bezig gehouden met de handel in deze pillen.

4.3.4.

Anders dan het college heeft betoogd kan verder uit het door appellante in mei 2010 ontvangen bedrag van [bedrijf] evenmin worden afgeleid dat appellante in de periode in geding werkzaamheden in de seksbranche heeft verricht. Weliswaar blijkt uit de van [bedrijf] ontvangen informatie dat dit bedrag ziet op inkomsten in verband met een zogenaamde sekslijn, maar uit deze informatie blijkt tevens dat deze inkomsten zien op de maand februari 2010 en daarmee op werkzaamheden vóór de periode in geding. Nu in de periode in geding geen andere aanwijzingen voorhanden zijn, berust het standpunt van het college dat appellante ook in die periode op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht in de seksbranche op een ontoereikende feitelijke grondslag.

4.4.

Het college heeft aan de intrekking van de bijstand echter tevens ten grondslag gelegd dat appellanten een tweetal Belgische bankrekeningen op naam van appellant hebben verzwegen.

4.4.1.

Niet in geschil is dat appellanten geen melding hebben gemaakt van een betaalrekening en een spaarrekening bij Bpost die in de periode in geding op naam van appellant hebben gestaan. Appellanten hebben aangevoerd dat zij zich niet bewust waren van deze bankrekeningen, omdat er toch niks meer op stond. Anders dan appellanten stellen, gaat het hier om financiële gegevens waarvan het hen redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Voor zover bij appellanten twijfel bestond of deze gegevens voor de verlening van bijstand van belang konden zijn, hadden zij daarin aanleiding moeten zien om contact op te nemen met het college om op dit punt duidelijkheid te verkrijgen. Appellanten hebben de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken van de Belgische bankrekeningen. Hierbij is niet relevant of appellanten bewust de informatie voor het college hebben willen achterhouden. De in artikel 17, eerste lid, van de WWB neergelegde verplichting is een objectief geformuleerde verplichting, waarbij opzet geen rol speelt. Beoordeeld moet worden of appellanten de bankrekeningen hadden moeten melden en dit heeft nagelaten. Dat laatste is, zoals hiervoor reeds is vastgesteld, het geval.

4.4.2.

De stelling van appellanten dat uit de overgelegde bankafschriften blijkt dat de Belgische bankrekeningen niet of nauwelijks werden gebruikt, kan niet worden gevolgd. Appellanten hebben van de spaarrekening in het geheel geen afschriften overgelegd en van de betaalrekening ontbreken afschriften over de periode van 19 april 2010 tot 28 januari 2011. Nog daargelaten dat geen volledig inzicht in deze rekeningen is gegeven, blijkt uit de wel overgelegde afschriften van de betaalrekening dat in de periode in geding bedragen van de spaarrekening naar de betaalrekening zijn overgemaakt. Hieruit blijkt dat op de spaarrekening in de periode in geding ook een saldo moet hebben gestaan. Verder hebben appellanten geen inzicht gegeven in de mutaties op de betaalrekening in de hiervoor genoemde periode waarvan de afschriften ontbreken. De door appellanten overgelegde afschriften bieden dan ook onvoldoende informatie om het recht op bijstand in de periode in geding te kunnen beoordelen.

4.4.3.

De stelling van appellanten dat zij, nu de bankrekeningen in januari 2014 zijn opgeheven, niet de beschikking kunnen krijgen over meer bankafschriften dan zij hebben ingeleverd, hebben zij niet aannemelijk gemaakt. Bovendien hebben appellanten van de betaalrekening over een langere periode wel afschriften overgelegd.

4.5.

Uit 4.4 volgt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het recht op bijstand van appellanten in de periode in geding niet kan worden vastgesteld.

4.6.

Gelet op 4.4 en 4.5 kan de grond van appellanten dat informatie uit de van de politie verkregen processen-verbaal van 17 februari 2010 en 19 maart 2010 buiten beschouwing dient te blijven, verder onbesproken blijven.

4.7.

De gemachtigde van appellanten heeft ter zitting van de Raad verzocht om aanhouding van de zaak zodat hij alsnog kan trachten de beschikking te krijgen over de ontbrekende bankafschriften dan wel nadere informatie van Bpost te overleggen. Appellanten hebben in bezwaar, beroep en hoger beroep echter ruimschoots de gelegenheid gehad nadere stukken te overleggen. De gemachtigde van appellanten heeft niet concreet te kennen gegeven dat de ontbrekende bankafschriften zouden kunnen worden verstrekt door appellanten. Onder deze omstandigheden wijst de Raad dit verzoek af.

4.8.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut als voorzitter en G.M.G. Hink en J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2017.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) S.A. de Graaff

HD