Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:186

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-01-2017
Datum publicatie
23-01-2017
Zaaknummer
16/105 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechtbank onbevoegd te oordelen over besluiten die al onderwerp van hoger beroep waren geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/105 PW

Datum uitspraak: 17 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

11 december 2015, 15/1731 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling WerkSaam Westfriesland (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Krachtens een gemeenschappelijke regeling oefent het dagelijks bestuur met ingang van

1 januari 2015 de bevoegdheden op grond van de Wet werk en bijstand uit die voorheen werden uitgeoefend door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Medemblik met uitzondering van de bijzondere bijstand en de langdurigheidstoeslag. Onder dagelijks bestuur wordt hierna, voor zover van toepassing, tevens het college begrepen.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2016. Appellant is niet verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Mentink.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving ten tijde in geding algemene bijstand naar de norm voor een alleenstaande laatstelijk op grond van de Participatiewet.

1.2.

Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 25 november 2014, 14/689, heeft het dagelijks bestuur bij brief van 10 december 2014 meegedeeld dat in overleg met appellant wordt bepaald welk traject passend is bij de arbeidsinschakeling. Met appellant is afgesproken dat hij zich zal verdiepen in een passende vorm van ondersteuning dan wel opleiding en het college hierover een voorstel zal doen. Op 31 december 2014 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen deze brief. Bij brief van 16 april 2015 heeft appellant het dagelijks bestuur in gebreke gesteld en verzocht om een dwangsom. Op 18 april 2015 heeft appellant beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar.

1.3.

Bij besluit van 23 april 2015 (bestreden besluit 1) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen de brief van 10 december 2014 niet-ontvankelijk verklaard. Hieraan heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat deze brief geen besluit bevat als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat het slechts een bevestiging betreft van een afspraak die is gemaakt naar aanleiding van een gesprek met appellant en een verzoek om een reactie.

1.4.

Bij besluit van 29 april 2015 (bestreden besluit 2) heeft het dagelijks bestuur het verzoek van appellant om een dwangsom afgewezen. Hieraan heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat het besluit van 23 april 2012 is genomen binnen twee weken na de ingebrekestelling waardoor geen dwangsom is verschuldigd.

1.5.

Bij uitspraak van 11 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3901, heeft de Raad, voor zover hier van belang, het beroep tegen het besluit van 10 december 2014 ongegrond verklaard en de bestreden besluiten vernietigd. Daartoe heeft de Raad overwogen dat de brief van 10 december 2014 een besluit bevat als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb in zoverre daarin de met appellant gemaakte afspraak is neergelegd dat hij zelf met een concreet voorstel tot ondersteuning dan wel opleiding op het gebied van de arbeidsinschakeling zal komen en aan het dagelijks bestuur zal voorleggen, en dat dit van appellant was te vergen. Vervolgens heeft de Raad vastgesteld dat in het geval dat ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een besluit in de zin van artikel 6:19 van de Awb is genomen, het bestuursorgaan niet meer bevoegd is te beslissen op een bezwaar dat tegen dat nadere besluit is gemaakt. Hierin heeft de Raad aanleiding gezien de bestreden besluiten te vernietigen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar tegen de brief van 10 december 2014 niet-ontvankelijk en de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bij de in 1.5 vermelde uitspraak van 11 oktober 2016 heeft de Raad al geoordeeld over de bestreden besluiten en heeft de Raad deze besluiten vernietigd. Dit brengt met zich mee dat de rechtbank niet bevoegd was over de beroepen tegen deze besluiten te oordelen en dat zij zich onbevoegd had moeten verklaren.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en dat de rechtbank onbevoegd moet worden verklaard.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart de rechtbank onbevoegd;

- bepaalt dat het dagelijks bestuur aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep

betaalde griffierecht van in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2017.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) L.V. van Donk

HD