Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:184

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-01-2017
Datum publicatie
23-01-2017
Zaaknummer
16/48 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep niet-ontvankelijk. College volledig tegemoetgekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/48 PW

Datum uitspraak: 17 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

11 december 2015, 15/1604 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Medemblik (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2016. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.D. Weber.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving ten tijde in geding algemene bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Participatiewet.

1.2.

Appellant heeft op 16 december 2014 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand in de kosten van griffierecht tot een bedrag van in totaal € 167,-. Bij brief van 31 december 2014 heeft het college appellant verzocht om een diagnosedocument. Bij besluit van 25 februari 2015 heeft het college de verzochte bijzondere bijstand toegekend.

1.3.

Appellant heeft op 4 maart 2015 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 25 februari 2015. Op 13 maart 2015 heeft appellant het college in gebreke gesteld. Op 3 april 2015 heeft appellant beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar. Bij besluit van 7 mei 2015 heeft het college het bezwaar van 4 maart 2015 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat appellant geen belang heeft bij een inhoudelijk besluit.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar niet-ontvankelijk en het beroep tegen het besluit van 7 mei 2015 ongegrond verklaard. Aan de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat appellant geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van dit beroep omdat bij besluit van 7 mei 2015 alsnog is beslist op dit bezwaar. Aan de ongegrondverklaring van het beroep tegen het besluit van

7 mei 2015 heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat het college het bezwaar van 4 maart 2015 terecht en op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft onder meer aangevoerd dat het college in de aanvraagfase ten onrechte diagnosedocumenten opvraagt en dat het college de besluitvorming ten onrechte heeft vertraagd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

het beroep tegen niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar tegen het besluit van

25 februari 2015

4.1.1.

Blijkens de gedingstukken heeft appellant op 4 maart 2015 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 25 februari 2015. Ingevolge artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beslist het bestuursorgaan indien een commissie als bedoeld in

artikel 7:13 is ingesteld binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is verstreken. Aangezien het college ten behoeve van de beslissing op bezwaar een adviescommissie heeft ingesteld als bedoeld in deze bepaling, diende het college uiterlijk op 9 juli 2015 te hebben beslist op het bezwaarschrift van appellant van 4 maart 2015. Appellant heeft bij brief van 3 april 2015 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaarschrift.

4.1.2.

Vastgesteld moet worden dat dit beroep is ingesteld ruim voor het verstrijken van de termijn in de zin van artikel 6:10, eerste lid, van de Awb. Ten aanzien van een dergelijk prematuur beroep blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien zich één van de uitzonderingssituaties, bedoeld in artikel 6:10, eerste lid, van de Awb voordoet. Naar het oordeel van de Raad is daarvan in dit geval niet gebleken. Dit betekent dat de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar tegen het besluit van

25 februari 2015 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4.1.3.

Uit 4.1.2 volgt dat de aangevallen uitspraak in zoverre met verbetering van gronden dient te worden bevestigd.

het beroep tegen het besluit van 7 mei 2015

4.2.1.

Voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft, is volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 24 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO4946) bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang.

4.2.2.

Het college is appellant bij besluit van 25 februari 2015 volledig tegemoet gekomen in zijn verzoek om bijzondere bijstand in de kosten van griffierecht. Appellant kan met het hoger beroep geen resultaat meer bereiken dat voor hem feitelijk van betekenis is. De stelling van appellant dat het college in de aanvraagfase ten onrechte om diagnosedocumenten heeft verzocht is in dit geval van louter principiële betekenis en levert dus geen procesbelang op.

4.2.3.

Uit 4.2.2 volgt dat het hoger beroep in zoverre niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover deze ziet op het beroep tegen het niet tijdig

nemen van een beslissing op bezwaar tegen het besluit van 25 februari 2015;

- verklaart het hoger beroep voor het overige niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2017.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) L.V. van Donk

HD