Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1730

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2017
Datum publicatie
11-05-2017
Zaaknummer
16-4802 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank dat appellant kon worden gehouden aan zijn ontslagverzoek en dat de staatssecretaris hem terecht met ingang van 1 januari 2016 ontslag heeft verleend. De Raad maakt de overwegingen die ten grondslag liggen aan dat oordeel tot de zijne. Van staatssecretaris kan niet worden verwacht een reeds ingewilligd ontslagverzoek aan te passen om in aanmerking te komen voor een stimuleringspremie. Niet voldaan aan vereisten voor geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2017/122
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/4802 AW

Datum uitspraak: 4 mei 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant (rechtbank) van 15 juni 2016, 16/1314 en 16/1609 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Choufoer-van der Wel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Choufoer-van der Wel. De staatsecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.H. Laurs.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 16 augustus 1972 werkzaam bij het Ministerie van Financiën, laatstelijk in de functie van klachtbehandelaar bij de Belastingdienst/Particulieren, dienstverlening en bezwaar.

1.2.

Op 10 november 2015 heeft appellant via P-Direct verzocht hem per 1 januari 2016 ontslag te verlenen.

1.3.

Op 12 november 2015 is via P-Direct een ontslagbesluit gegenereerd. Bij besluit van

16 november 2015 (primair besluit) is appellant met ingang van 1 januari 2016 eervol ontslag verleend op grond van artikel 94 van het Algemeen rijksambtenarenreglement (ARAR).

1.4.

Op 25 november 2015, voormiddag, heeft appellant aan een medewerker van de afdeling P&O een brief met als onderwerp “aanvulling ontslagaanvraag” overhandigd. In deze brief heeft appellant aan zijn ontslagaanvraag per 1 januari 2016 het verzoek toegevoegd om gebruik te maken van de mogelijkheid tot directe uitstroom met een stimuleringspremie, zoals beschreven in de brief van de Directeur-Generaal Belastingdienst van 23 november 2015, nummer DGB/2015/5523. Daarnaast heeft appellant verzocht om, zo hij niet voldoet aan de voorwaarden, hem te informeren wat hij moet doen om daarvoor alsnog in aanmerking te komen.

1.5.

Het ontslagbesluit van 16 november 2015 is appellant op 25 november 2015, namiddag, in persoon uitgereikt.

2. Bij beslissing op bezwaar van 16 maart 2016 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het door appellant op 18 december 2015 gemaakte bezwaar tegen het ontslagbesluit ongegrond verklaard en geoordeeld dat er geen redenen aanwezig zijn om op het aan appellant verleende ontslag terug te komen. Een stimuleringspremie, bedoeld om medewerkers te bewegen de Belastingdienst te verlaten, is niet nodig. Appellant heeft om hem moverende redenen op

10 november 2015 ontslag verzocht per 1 januari 2016. Dat verzoek is bij besluit van

16 november 2015, uitgereikt op 25 november 2015, ingewilligd. De brief van appellant van 25 november 2015 kan bezwaarlijk worden gezien als een intrekking van het ontslagverzoek, dan wel een verzoek om het ontslag op een latere datum in te laten gaan. Voorts is de intrekking van het ontslag bij het bezwaarschrift niet mogelijk, aangezien op dat moment het ontslag reeds was geëffectueerd. Het door appellant gedane beroep op het vertrouwensbeginsel, gebaseerd op van de HR-adviseur afkomstige informatie, faalt. Tenslotte is de staatssecretaris niet gehouden appellant alsnog de stimuleringspremie toe te kennen.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - het beroep ongegrond verklaard. Daaraan heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat appellant met de brief van 25 november 2015 zijn ontslagverzoek niet heeft ingetrokken. De brief houdt naar strekking en bewoordingen een aanvulling van de eerdere ontslagaanvraag in. Daarnaast bevat de brief een verzoek om informatie in geval appellant niet aan de voorwaarden voor de stimuleringspremie mocht voldoen. Appellant heeft niet eerder dan met het bezwaarschrift van 18 december 2015 zijn ontslagverzoek van 10 november 2015 ingetrokken. De staatssecretaris heeft appellant dan ook terecht aan zijn ontslagverzoek gehouden en hem op grond van dat verzoek met ingang van 1 januari 2016 ontslag verleend. Van de staatssecretaris kan niet worden verwacht dat hij medewerkers als appellant in de gelegenheid stelt een reeds ingewilligd ontslagverzoek aan te passen teneinde in aanmerking te komen voor een stimuleringspremie. Appellant had reeds voor het in werking treden van het Van Werk Naar Werk (VWNW) beleid vrijwillig en op geheel andere gronden ontslag genomen. Bevordering van zijn vertrek was daarom niet meer nodig. De mededeling van K in de e-mail van

11 december 2015 kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als een aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezegging gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Daarnaast is die mededeling voor appellant niet gedragsbepalend geweest.

4. De Raad komt naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank dat appellant kon worden gehouden aan zijn ontslagverzoek en dat de staatssecretaris hem terecht met ingang van

1 januari 2016 ontslag heeft verleend. De Raad maakt de overwegingen die ten grondslag liggen aan dat oordeel tot de zijne. Naar aanleiding van wat in hoger beroep is aangevoerd voegt de Raad daaraan het volgende toe.

4.2.

Nu de staatssecretaris appellant terecht aan zijn ontslagverzoek heeft gehouden en hem op 16 november 2015 ontslag heeft verleend, treft de hoger beroepsgrond dat de staatssecretaris het ontslagbesluit gelet op de ontvangst van de brief van 25 november 2015 niet had mogen uitreiken geen doel. De Raad merkt ten overvloede nog op dat indien de brief van appellant van 25 november 2015 wel naar strekking en bewoordingen had kunnen worden geduid als een intrekking van de ontslagaanvraag, dit niet zou hebben geleid tot het door hem gewenste resultaat. Op 25 november 2015 was het ontslagverzoek reeds ingewilligd, zodat dit niet meer kon worden ingetrokken. Vergelijk de uitspraak van de Raad van 2 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX3536. Het vorenstaande geldt evenzeer ten aanzien van de expliciete intrekking van het ontslagverzoek bij bezwaarschrift.

4.3.

Het standpunt van appellant dat de rechtbank ongemotiveerd voorbij is gegaan aan de aanpassing van het ontslagverzoek mist feitelijke grondslag. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 10 van de aangevallen uitspraak op goede gronden overwogen dat van de staatssecretaris niet kan worden verwacht dat hij medewerkers als appellant in de gelegenheid stelt een reeds ingewilligd ontslagverzoek aan te passen teneinde in aanmerking te komen voor een stimuleringspremie. De Raad wijst in dit verband op zijn uitspraken van 28 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3453 en 9 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX4798.

4.4.

Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 19 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4735) alleen slagen als van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt.

4.5.

De Raad is van oordeel dat niet is voldaan aan de vereisten voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Uit de tekst en de opmaak van de e-mail van K, waarop appellant zich beroept, blijkt duidelijk dat K, gelet op de ten tijde van de e-mail van december 2015 nog bestaande onduidelijkheid over de precieze uitvoering van het beleid, geen uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging heeft willen doen over de mogelijkheid van het intrekken van een ontslagaanvraag in de bezwaarfase. In de betreffende e-mail komt dit des te scherper tot uitdrukking nu de tekst waarin wordt gesproken over de uitwerking van het akkoord en de daarmee bestaande situatie waarin nog geen goede afweging kan worden gemaakt in de keuzes die de medewerkers hebben, vetgedrukt is opgenomen. Anders dan appellant heeft betoogd is in dit kader geen ruimte voor een belangenafweging. De vraag of de mededeling van K in de e-mail van 11 december 2015 gedragsbepalend is geweest, is gelet op het vorenstaande niet relevant.

4.6.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2017.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) J. Smolders

HD