Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1676

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2017
Datum publicatie
08-05-2017
Zaaknummer
16/5197 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om vergoeding van het voorwaardelijk pensioen(deel) dat niet meer tot uitbetaling zal komen omdat hem ontslag wegens ziekte is verleend. Vaststaat dat partijen met de finale kwijtingsclausule hebben beoogd een finale regeling te treffen. Anders dan appellant heeft betoogd, mocht die clausule aldus worden uitgelegd dat de finale kwijting zag op al hetgeen betrekking heeft op de beëindiging van zijn dienstverband en dus ook op eventuele pensioenrechten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2017/99
TAR 2017/123
PS-Updates.nl 2017-0461
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/5197 AW

Datum uitspraak: 4 mei 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

5 juli 2016, 15/4894 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.L.A. Helmer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Helmer. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J. van Leersum.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren in 1950, was werkzaam bij de Belastingdienst/Douane West, laatstelijk in de functie van medewerker Douane groepsfunctie B.

1.2.

Op 9 januari 2004 is appellant een verkeersongeval overkomen waardoor hij (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt is geraakt. De staatssecretaris heeft dit ongeval aangemerkt als een dienstongeval. Aan appellant is met ingang van 23 mei 2006 een loongerelateerde arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend.

1.3.

Na het voornemen daartoe kenbaar te hebben gemaakt, heeft de staatssecretaris appellant bij besluit van 16 juli 2009 met ingang van 1 augustus 2009 met toepassing van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder f, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) ontslag verleend op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. In verband met het ontslagvoornemen zijn partijen vanaf maart 2009 in overleg getreden over het ineens uitbetalen van de aanvullende uitkering op grond van artikel 38, zevende lid, van het ARAR waarop appellant aanspraak maakt. De tussen partijen gemaakte afspraken zijn vastgelegd in een op 2 juli 2009 opgemaakte en door partijen ondertekende vaststellingsovereenkomst, waarin onder punt 5 is opgenomen: “Met inachtname van het vorenstaande verlenen ondergetekenden elkaar over en weer algehele en finale kwijting ter zake van al hetgeen zij uit hoofde van de aanstelling of daarmee verband houdende, buiten de in deze overeenkomst bedoelde, van elkaar te vorderen mochten hebben (…)”.

1.4.

Op 30 september 2014 heeft appellant de staatssecretaris verzocht om vergoeding van het voorwaardelijk pensioen(deel) dat niet meer tot uitbetaling zal komen omdat hem ontslag wegens ziekte is verleend.

1.5.

Bij besluit van 14 april 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 oktober 2015 (bestreden besluit), heeft de staatssecretaris afwijzend op dit verzoek beslist. Aan die afwijzing is ten grondslag gelegd dat het voorwaardelijk pensioen valt onder de in de vaststellingsovereenkomst opgenomen finale kwijtingsclausule en dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan appellant daaraan niet gebonden kan worden geacht. Appellant werd bijgestaan door een rechtsbijstandsverlener, heeft ruimschoots de gelegenheid en tijd gehad om relevante punten in de onderhandelingen te betrekken en heeft daarnaast een eigen verantwoordelijkheid om zich voorafgaand aan het ontslag te laten informeren over de mogelijke gevolgen voor zijn pensioen en is hierover ook door het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) geïnformeerd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank kwam tot een bevestigend antwoord op de vraag of de staatssecretaris in redelijkheid heeft kunnen weigeren de door appellant gestelde schade te vergoeden. Hiertoe heeft zij, samengevat, overwogen dat vaststaat dat partijen met de finale kwijtingsclausule hebben beoogd een finale regeling te treffen. Anders dan appellant heeft betoogd, mocht die clausule aldus worden uitgelegd dat de finale kwijting zag op al hetgeen betrekking heeft op de beëindiging van zijn dienstverband en dus ook op eventuele pensioenrechten. Dat nimmer over pensioenschade is gesproken komt voor zijn risico. Indien appellant had willen voorkomen dat de clausule ook betrekking zou hebben op deze pensioenrechten, had hij dit bij de onderhandelingen uitdrukkelijk aan de orde moeten stellen. Dit klemt te meer nu over twee onderwerpen wel voorbehouden zijn gemaakt. Bovendien had appellant redelijkerwijs kunnen weten dat en hoe de pensioenregeling als gevolg van de intrekking van de regeling Flexibel Pensioen en Uittreden was gewijzigd. Dat het vervallen van het voorwaardelijk pensioen ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst nog niet zeker was, laat onverlet dat partijen hierover iets hadden kunnen afspreken.

3. Naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

3.1.

Zoals de rechtbank in rechtsoverweging 5.2 van de aangevallen uitspraak heeft overwogen, is op het verzoek van appellant het bestuursrecht van toepassing zoals dat gold vóór 1 juli 2013.

3.2.

Het verzoek is gericht op verlening van een schadeloosstelling als bedoeld in artikel 69, eerste lid, van het ARAR. Op grond van deze bepaling kan de minister van Financiën de ambtenaar naar billijkheid schadeloos stellen, kosten vergoeden of overigens een geldelijke tegemoetkoming verlenen.

3.3.

Volgens vaste rechtspraak kan een bepaling als artikel 69, eerste lid, van het ARAR worden gezien als uitdrukking van de norm dat de overheidswerkgever verplicht is zich als een goed werkgever te gedragen (zie de uitspraken van 12 maart 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH7751 en van 11 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3033).

De in artikel 69, eerste lid, van het ARAR genoemde bevoegdheid is discretionair van aard, wat meebrengt dat de toetsing van het bestreden besluit in beginsel is beperkt tot de beantwoording van de vraag of de staatssecretaris in redelijkheid heeft kunnen weigeren om van bedoelde bevoegdheid gebruik te maken.

3.4.

Het geding spitst zich toe op de vraag of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel dat de staatssecretaris die weigering heeft kunnen baseren op de grond dat de

onder 1.3 aangehaalde clausule over finale kwijting in de vaststellingsovereenkomst in de weg staat aan het verlenen van de gevraagde schadeloosstelling.

3.5.

In de vaststellingsovereenkomst staan afspraken over de grond en de ingangsdatum van het aan appellant te verlenen ontslag, over het bedrag en de uitbetaling van de aanvullende uitkering en over de uitbetaling van niet opgenomen vakantiedagen en een evenredig gedeelte van de gratificatie wegens ambtsjubileum. Ook is afgesproken dat appellant over de opgebouwde en niet genoten vakantiedagen tijdens ziekte separaat een verzoek zal indienen. Op de finale kwijtingsclausule zijn op verzoek van appellant twee uitzonderingen gemaakt die in de vaststellingsovereenkomst zijn geconcretiseerd.

3.6.

Zoals de rechtbank, onder verwijzing naar de vaste rechtspraak hierover, met juistheid heeft overwogen, worden de afspraken die in de vaststellingsovereenkomst zijn gemaakt over de beëindiging van het ambtelijk dienstverband aangemerkt als een nadere regeling van de uitoefening van de aan de staatssecretaris toekomende ontslagbevoegdheid. Aan zo'n regeling zijn partijen gebonden op grond van het beginsel van de rechtszekerheid, dat niet alleen voor het bestuursorgaan geldt, maar ook voor de ambtenaar. Dit kan onder meer anders zijn als sprake is van wilsgebreken of als zich zodanig bijzondere omstandigheden voordoen dat volledige nakoming van de afspraken niet (meer) in redelijkheid kan worden verlangd. Verder komt het volgens eveneens vaste rechtspraak bij de uitleg van een overeenkomst zoals hier aan de orde niet uitsluitend aan op de bewoordingen van wat in de overeenkomst is bepaald, maar ook op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die bepalingen mochten toekennen en op wat zij in dat opzicht van elkaar mochten verwachten (uitspraak van 5 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:290).

3.7.

Appellant betwist niet dat hij aan de vaststellingsovereenkomst gebonden is, maar heeft in hoger beroep zijn standpunt gehandhaafd dat partijen niet hebben beoogd om daarin een allesomvattende finale regeling te treffen voor alle aspecten van de beëindiging van het dienstverband van appellant. Het financieel nadeel dat appellant ondervindt in verband met het vervallen van zijn voorwaardelijk pensioendeel maakt volgens hem geen onderdeel uit van de clausule over finale kwijting.

3.8.

Daartoe heeft appellant aangevoerd dat partijen, zoals ook in de preambule van de vaststellingsovereenkomst is vermeld, afspraken wensten te maken over de aanvullende uitkering. De clausule over finale kwijting heeft betrekking op de aanvullende uitkering en de zinsnede ‘met inachtneming van het vorenstaande’ in die clausule, die naar die preambule terugverwijst, duidt daar ook op. Dit betoog wordt niet gevolgd, reeds omdat in de clausule expliciet is vermeld dat finale kwijting wordt verleend ter zake van wat partijen uit hoofde van de aanstelling of daarmee verband houdende, buiten de in de vaststellingsovereenkomst bedoelde (naar de Raad begrijpt: aanspraken), van elkaar te vorderen mochten hebben. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat partijen met deze clausule onmiskenbaar hebben beoogd - behoudens voor zover in de vaststellingsovereenkomst anders is bepaald - een finale regeling te treffen voor alles wat betrekking heeft op de beëindiging van het dienstverband van appellant. Daaronder vallen dus ook (de gevolgen voor) eventuele pensioenrechten. Dat partijen aanvankelijk de intentie hadden om slechts afspraken te maken over een betaling ineens van de aanvullende uitkering is niet doorslaggevend.

3.9.

Appellant heeft voorts betoogd dat het recht op voorwaardelijk pensioen pas ontstaat als aan de voorwaarden wordt voldaan, zodat het hier gaat om een toekomstige vordering die niet onder het bereik van de vaststellingsovereenkomst valt. Voorts kon de vordering bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst niet bekend zijn. Dit betoog treft evenmin doel. Appellant kon immers al vóór het sluiten van de vaststellingsovereenkomst ermee bekend zijn dat hij voorwaardelijk pensioen opbouwde en dat hij aanspraak maakte op uitbetaling van dit extra pensioen, mits het dienstverband tot aan de datum van zijn pensionering in stand zou blijven. Appellant wist dus ook dat het uitzicht op dit extra pensioen bij uitdiensttreding verloren zou gaan, tenzij hij binnen vijf jaar na zijn ontslag weer bij een ABP-werkgever in dienst zou treden. Het behoorde tot de verantwoordelijkheid van appellant, die tijdens de onderhandelingen werd bijgestaan door een professionele rechtshulpverlener, om in de vaststellingsovereenkomst (ook) voor dit onderwerp een voorbehoud te maken, indien hij deze pensioenrechten buiten de finale kwijting had willen houden. Zo nodig had hij zich hierover door het ABP nader kunnen laten informeren. De Raad verwijst in dit verband tevens naar punt 6 van de vaststellingsovereenkomst waarin is opgenomen dat appellant zich (ook) bewust is van de consequenties van deze overeenkomst.

3.10.

Gelet op wat hiervoor is overwogen worden de onder 3.3 en 3.4 vermelde vragen bevestigend beantwoord.

3.11.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en

J.J.T. van den Corput en H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2017.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) A. Mansourova

HD