Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1671

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2017
Datum publicatie
08-05-2017
Zaaknummer
16/2228 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Beoordeling berust op voldoende gronden. Belastende omstandigheden waaronder de ambtenaar zijn werk heeft moeten uitvoeren, kunnen hooguit invloed hebben op de aan de beoordeling te verbinden rechtspositionele gevolgen, maar kunnen niet leiden tot hogere scores dan op grond van het feitelijk functioneren gerechtvaardigd is. Dit geldt ook in het geval dat sprake is van een slechte gezondheidssituatie van de ambtenaar.

2) Ten onrechte ontslag gegeven. Voldoende aanwijzingen dat de ongeschiktheid haar grond vindt in ziekte, meer in het bijzonder de stoornis van Asperger. De directeur-generaal was niet bevoegd om appellant te ontslaan wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABKort 2017/156

Uitspraak

16/2228 AW

Datum uitspraak: 4 mei 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

26 februari 2016, 15/6627 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Directeur-Generaal van de Statistiek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (directeur-generaal)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De directeur-generaal heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door A.J. de Winter. De directeur-generaal heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.A. van der Veer, drs. J.C.M. Imbens en dr. ir. C.H. Driesen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 1 december 1981 bij het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) werkzaam; vanaf 1995 als [functie] , schaal 10, laatstelijk in het team [team 1] van de Sector [sector 1] . Vanaf 2007 was appellant lid van de Ondernemingsraad (OR) van het CBS.

1.2.

Op 5 oktober 2010 is een zogenoemde verkorte beoordeling vastgesteld van het functioneren van appellant in 2010. Daarin is onder meer de kwantiteit van zijn werk beoordeeld met de score ‘voldoet niet geheel aan de gestelde functie-eisen’. Na bezwaar is die beoordeling bij besluit van 27 januari 2012 gehandhaafd. Daartegen heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3.

Op 25 april 2012 is een verkorte beoordeling vastgesteld van het functioneren van appellant in 2011. Daarin is onder andere de kwantiteit van het werk van appellant beoordeeld met de score ‘schoot duidelijk te kort’ en zijn gedrag met de score ‘voldoet niet geheel aan de gestelde eisen’. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 4 juli 2012 ongegrond verklaard. Ook daartegen heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.4.

Op 24 april 2013 is een zogenoemde lange beoordeling vastgesteld van het functioneren van appellant in 2012. Daarin is de kwaliteit en de kwantiteit van de functievervulling door appellant in haar geheel met een waarderingscode A (voldeed niet aan de functie-eisen) beoordeeld. Die beoordeling is gehandhaafd bij besluit van 28 augustus 2013. Het daartegen ingestelde beroep is uiteindelijk ingetrokken.

1.5.

Om zijn functioneren op het gewenste niveau te brengen en bij wijze van laatste kans is appellant vanaf 18 februari 2013 tot 19 augustus 2013 tijdelijk geplaatst als [functie] bij het team [team 2] van de sector [sector 2] .

1.6.

Op 13 november 2013 is een lange beoordeling vastgesteld van het functioneren van appellant over de periode van 18 februari 2013 tot 19 augustus 2013. De kwaliteit van de functievervulling in haar geheel is beoordeeld met de waarderingscode B (voldeed op één of meer aspecten niet geheel aan de gestelde functie-eisen) en de kwantiteit met de waarderingscode A. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 14 april 2014 ongegrond verklaard. Daartegen heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.7.

Met instemming van appellant is vervolgens een medisch advies gevraagd aan het Instituut Autismetotaal.nl omtrent de mogelijke invloed van appellants medische conditie op zijn functioneren. Uit het onderzoek door dit instituut is naar voren gekomen dat bij appellant sprake is van de stoornis van Asperger (Asperger). Via de bedrijfsarts zijn aanbevelingen gedaan om het functioneren van appellant te verbeteren.

1.8.

Naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek van het Instituut Autismetotaal.nl is appellant nogmaals de kans gegeven zijn functioneren op niveau te brengen door hem gedurende de periode 14 april 2014 tot 14 december 2014 opnieuw te plaatsten bij het team [team 2] . In het plaatsingsbesluit van 10 april 2014 is vermeld: ‘Mocht de lange beoordeling over deze periode opnieuw onvoldoende zijn, dan zie ik mij genoodzaakt nadere rechtspositionele maatregelen te nemen waarbij ontslag op basis van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het ARAR tot de mogelijkheden behoort.’ Aan het begin van deze plaatsing zijn op

16 april 2014 met appellant resultaat-/werkafspraken gemaakt. Tijdens deze plaatsing is appellant overeenkomstig het advies van het Instituut Autismetotaal.nl begeleid door een jobcoach en zijn met hem een aantal voortgangsgesprekken en één functioneringsgesprek gevoerd.

1.9.

Op 15 december 2014 heeft de leidinggevende van appellant, teammanager [team 2] , een lange beoordeling gemaakt van het functioneren van appellant in de periode 14 april 2014 tot 14 december 2014. De kwaliteit van het werk van appellant is beoordeeld met de waarderingscode B en de kwantiteit van zijn werk met de waarderingscode A. Appellant heeft zijn bedenkingen over deze beoordeling kenbaar gemaakt. Bij besluit van 14 januari 2015 is de beoordeling onveranderd vastgesteld.

1.10.

Na een voornemen daartoe, waarop appellant zijn zienswijze heeft gegeven, is appellant bij besluit van 13 februari 2015 per 1 april 2015 ontslag verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken, als bedoeld in artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.

1.11.

Bij besluit van 31 juli 2015 (bestreden besluit) zijn de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 14 januari 2015 en van 13 februari 2015 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant (samengevat) aangevoerd dat geen sprake is van onbekwaamheid of ongeschiktheid. Voor zover daarvan wel sprake is dan is dat volgens appellant terug te voeren op zijn stoornis in het autistisch spectrum en levert dit een verboden onderscheid op in de aangeboden arbeidsomstandigheden en een verboden onderscheid bij de beëindiging van de aanstelling. Voorts is appellant van mening dat hij vanuit de leiding van de sector [sector 1] is gepest sinds zijn lidmaatschap van de OR en dat dit pestgedrag tot de beoordeling en het ontslag heeft geleid. Dit pestgedrag heeft zich vooral geuit in het niet willen aanpassen van zijn werkpakket na aantreden in de OR en het onvoldoende rekening houden met zijn Asperger. Zo is hij in 2012, ondanks advies van de bedrijfsarts voor een tweepersoonskamer, drie maanden op een lawaaierige vierpersoonskamer gezet, moest hij in 2013/2014 productiewerk doen in een testomgeving met steeds veranderde programmatuur en incomplete handleidingen en is hij vele malen gedwongen van kamer verhuisd. Appellant kan zich niet verenigen met de vanaf 2010 tot en met 2014 vastgestelde beoordelingen. Het CBS heeft geen doelmatige aanpassingen getroffen die normaal functioneren met Asperger mogelijk maken. In 2014 is volstaan met een jobcoach, die een beperkte opdracht had en geen invloed had op de samenstelling van zijn werkpakket. Voorts is appellant van oordeel dat er een relatie bestaat tussen zijn beperkingen en het vermeend disfunctioneren en dat hij had moeten worden herplaatst.

3.2.

Het verweerschrift van de directeur-generaal strekt tot bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het beoordelingsbesluit van 14 januari 2015

4.1.

Met de rechtbank stelt de Raad vast dat tegen de beoordelingen van het functioneren van appellant over de jaren 2010 tot en met 2013 na de beslissingen op bezwaar geen rechtsmiddelen meer zijn aangewend, zodat de in die beoordelingsbesluiten gegeven oordelen over het functioneren van appellant in rechte zijn komen vast te staan.

4.2.

De toetsing van de inhoud van een beoordeling is beperkt tot de vraag of die beoordeling op voldoende gronden berust. Bij negatieve oordelen moet het bestuursorgaan dit met concrete feiten onderbouwen (uitspraak van 13 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:905). Niet doorslaggevend is of elk feit juist is vastgesteld of geduid, het gaat erom of het totale beeld van de beoordeling deze toetsing doorstaat. Gelet op het dossier is genoegzaam komen vast te staan dat het functioneren van appellant in de onderhavige periode tekortkomingen vertoonde. Daarbij zijn door de directeur-generaal in de beoordeling van 14 januari 2015 voorbeelden en concrete verwijzingen naar gespreksverslagen opgenomen, waarin is aangegeven welke verbeteringen nodig waren. De beoordeling berust op voldoende gronden. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat sprake was van vooringenomenheid bij de leidinggevende, zoals appellant heeft gesteld. Veeleer blijkt dat de teammanager zich continu heeft ingezet om appellant te helpen zijn functioneren op niveau te krijgen: door werkafspraken te maken, voortgangsgesprekken te voeren, door het systeem aan te passen zodat appellant met minder muisklikken zijn werk kon uitvoeren en door collega’s van appellant ter beschikking te stellen voor hulp. Volgens appellant heeft hij bij het functioneren last gehad van een negatieve insteek van zijn teammanager toen hij telkens zijn deadlines niet haalde en de teammanager druk uitoefende om deze achterstanden in te lopen. De Raad is van oordeel dat van een teammanager juist verwacht mag worden dat hij zijn medewerker aanspreekt op het niet halen van deadlines. Dat de teammanager daarbij ongeoorloofde druk op appellant heeft uitgeoefend is de Raad uit de verslagen van de voortgangsgesprekken niet gebleken. De teammanager heeft samen met appellant en de jobcoach op een constructieve wijze gekeken hoe appellant wel de gewenste productie zou kunnen halen en er is telkens bezien wat de teammanager of collega’s zouden kunnen doen om appellant te helpen om tot het gewenste tempo te komen. Uit de verslagen van de voortgangsgesprekken blijkt niet dat appellant eerder heeft gemeld dat de begeleiding onvoldoende was.

4.3.

De Raad stelt vast dat wat appellant heeft aangevoerd tegen de beoordelingen, waaronder de bij besluit van 14 januari 2015 vastgestelde beoordeling, met name ziet op omstandigheden die een negatieve invloed hebben uitgeoefend op zijn functioneren in het beoordelingstijdvak.

4.4.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 3 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK7315) kunnen belastende omstandigheden waaronder de ambtenaar zijn werk heeft moeten uitvoeren hooguit invloed hebben op de aan de beoordeling te verbinden rechtspositionele gevolgen, maar kunnen zij niet leiden tot hogere scores dan op grond van het feitelijk functioneren gerechtvaardigd is. Dit geldt ook in het geval dat sprake is van een slechte gezondheidssituatie van de ambtenaar.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep voor zover gericht tegen de beoordeling van 14 januari 2015 niet slaagt.

Het ontslagbesluit

4.6.

Gelet op de reeks van in rechte onaantastbaar geworden negatieve beoordelingen, waartoe gelet op het vorenstaande nu ook de laatste beoordeling van 14 januari 2015 moet worden gerekend, staat voldoende vast dat appellant niet naar behoren functioneerde.

4.7.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 30 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:249) geldt dat in geval de ambtenaar als gevolg van ziekte of gebrek ongeschikt is voor zijn functie, het bestuursorgaan niet bevoegd is hem ontslag te verlenen wegens ongeschiktheid op andere dan medische gronden.

4.7.2.

Eveneens volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 2 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2177) moet in gevallen waarin aanwijzingen bestaan dat de ongeschiktheid van de ambtenaar verband houdt met ziekte of gebrek, of daarover gerede twijfel bestaat, onderzoek plaatsvinden naar die eventuele medische oorzaak.

4.7.3.

Van ongeschiktheid tot het verrichten van ‘zijn arbeid’ als gevolg van ziekte of gebrek is sprake indien en zolang de medewerker buiten staat is de hem opgedragen functie in volle omvang uit te oefenen. Bepalend is niet de ziekte als zodanig, maar de daaruit voortvloeiende ongeschiktheid tot het verrichten van de arbeid (uitspraak van 12 april 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA4269).

4.8.

De Raad is, anders dan de directeur-generaal en de rechtbank, van oordeel dat er in het voorliggende geval voldoende aanwijzingen zijn dat de ongeschiktheid van appellant haar grond vindt in ziekte, meer in het bijzonder de stoornis van Asperger. Daartoe is van belang, zoals blijkt uit het rapport van Autismetotaal.nl en de informatie van de bedrijfsarts, dat appellant door de Asperger beperkingen ondervindt op het gebied van communicatie, sociale interactie, concentratie en planning. Appellant heeft met deze beperkingen weliswaar lange tijd op voldoende niveau kunnen functioneren, maar vanaf 2007 ging het functioneren slechter met uiteindelijk onvoldoende beoordelingen. Uit het dossier komt naar voren dat de in de functie toe te passen werkwijze en omstandigheden sindsdien in toenemende mate aan verandering onderhevig zijn geweest. Zo overweegt de Commissie advisering bezwaarschriften personeelsleden CBS in haar advies van 6 juli 2015 dat de functie van [functie] zich als gevolg van maatschappelijke en technologische veranderingen steeds sneller ontwikkelt en leidt een onvermogen van een [functie] om zich nieuwe technieken eigen te maken tot ongeschiktheid voor deze functie. En ter zitting bij de rechtbank geeft de gemachtigde van de directeur-generaal het volgende aan: “Ook maatschappelijke veranderingen kunnen aanleiding geven tot het doorvoeren van wijzigingen in de programmatuur, wanneer de veranderingen consequenties hebben voor het uit te voeren statistisch onderzoek. Aangezien technologie en samenleving zich steeds sneller ontwikkelen, komen dit soort veranderingen in de programmatuur nu vaker voor dan vroeger.” Op grond van de informatie van de bedrijfsarts en het rapport van Autismetotaal.nl is aannemelijk dat deze snelle veranderingen te veel van appellant met zijn Asperger vergen.

4.9.

Uit 4.8 volgt dat de directeur-generaal niet bevoegd was om appellant te ontslaan wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Het hoger beroep voor zover gericht tegen het ontslagbesluit slaagt. De overigens door appellant tegen het ontslag aangevoerde gronden behoeven dan ook geen bespreking meer. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en het ontslagbesluit van 13 februari 2015 herroepen.

5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het ontslagbesluit is gehandhaafd;

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 31 juli 2015 gegrond voor zover dat ziet op het ontslagbesluit en vernietigt dat besluit in zoverre;

  • -

    herroept het ontslagbesluit van 13 februari 2015;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 31 juli 2015;

  • -

    bepaalt dat de directeur-generaal aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 418,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en J.J.T. van den Corput en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2017.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) A.M. Pasmans

HD