Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1631

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
16-05-2017
Zaaknummer
16-805 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Dwangsom. Artikel 60a van de WWB is op 1 juli 2013 in werking getreden. Dit artikellid heeft onmiddellijke werking. Volgens vaste rechtspraak, zie de uitspraken van 29 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3294, 3296 en 3303, komt het college, anders dan appellante heeft betoogd, vanaf 1 juli 2013 de bevoegdheid toe tot verrekening van een dwangsom waarvan de verschuldigdheid vóór 1 juli 2013 is vastgesteld. Dit betekent, evenmin anders dan appellante heeft betoogd, dat voor de beantwoording van de vraag of het college in dit geval bevoegd was tot verrekening over te gaan, de datum waarop het verbeurd zijn van de dwangsom is vastgesteld of had moeten worden vastgesteld, niet van belang is. In zoverre wordt de aangevallen uitspraak bevestigd met verbetering van gronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/805 WWB-PV

Datum uitspraak: 7 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 28 december 2015, 15/1692 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

Zitting heeft: O.L.H.W.I. Korte

Griffier: W.A.M. Ebbinge

Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.L.J. Martens.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

1. De rechtbank heeft bij uitspraak van 18 september 2013 (13/4169) bepaald dat, als gevolg van het niet tijdig beslissen op het bezwaar door het college op de aanvraag van appellante van 22 november 2012, het college jegens appellante een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van in totaal een bedrag van € 1.260,- heeft verbeurd.

2. Bij besluit van 18 december 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 maart 2014 (bestreden besluit), heeft het college ingevolge artikel 60a, vierde lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) het bedrag van de onder 1 genoemde dwangsom verrekend met de op

18 december 2013 nog openstaande (restant)vordering van het college op appellante van € 108.578,89, ontstaan door terugvordering van de kosten van ten onrechte verleende bijstand.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de dwangsom na 1 juli 2013 is toegekend en dat niet van belang is dat het college de verschuldigdheid van de dwangsom vóór 1 juli 2013 had dienen vast te stellen.

4. Ingevolge artikel 4:93, eerste lid, van de Awb geschiedt verrekening van een geldschuld met een bestaande vordering slechts voor zover in de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien.

5. Bij de Wet van 19 juni 2013 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van SZW (Verzamelwet SZW 2013) is artikel 60a, vierde lid van de WWB gewijzigd, waarmee een extra mogelijkheid tot verrekening is gecreëerd. Op grond van die bepaling kan het college een vordering die een belanghebbende op hem heeft, verrekenen met een vordering als bedoeld in de artikelen 58 en 59 van de WWB.

6. Artikel 60a van de WWB is op 1 juli 2013 in werking getreden. Dit artikellid heeft onmiddellijke werking. Volgens vaste rechtspraak, zie de uitspraken van 29 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3294, 3296 en 3303, komt het college, anders dan appellante heeft betoogd, vanaf 1 juli 2013 de bevoegdheid toe tot verrekening van een dwangsom waarvan de verschuldigdheid vóór 1 juli 2013 is vastgesteld. Dit betekent, evenmin anders dan appellante heeft betoogd, dat voor de beantwoording van de vraag of het college in dit geval bevoegd was tot verrekening over te gaan, de datum waarop het verbeurd zijn van de dwangsom is vastgesteld of had moeten worden vastgesteld, niet van belang is. In zoverre wordt de aangevallen uitspraak bevestigd met verbetering van gronden.

7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(get.) W.A.M Ebbinge (get.)O.L.H.W.I. Korte

IvR