Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1604

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-04-2017
Datum publicatie
01-05-2017
Zaaknummer
16/4974 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:4529, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor de kosten van een babyuitzet. Geen bijzondere omstandigheden. Geen ruimte om te beoordeling of lening mogelijk is. Geen toets IVRK.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 4974 PW

Datum uitspraak: 25 april 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

16 juni 2016, 15/7194 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. M.J.G. Schroeder, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2017. Namens appellante is

mr. drs. Schroeder verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.C. Rolle.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt sinds 12 september 2000 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

Op 26 mei 2015 heeft appellante bijzondere bijstand ingevolge de PW aangevraagd voor de kosten van een babyuitzet tot een bedrag van in totaal € 275,-.

1.3.

Bij besluit van 18 juni 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 oktober 2015 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van een babyuitzet afgewezen. Aan het bestreden besluit ligt, kort gezegd, ten grondslag dat de kosten van een babyuitzet behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, die in principe uit de uitkering of ander inkomen betaald moeten worden, en dat in het geval van appellante geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn om voor deze kosten bijzondere bijstand te verlenen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Op dit punt heeft het bijstandverlenend orgaan ingevolge deze bepaling een zekere beoordelingsvrijheid. De omstandigheid dat de betrokkene al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd, is een aspect dat moet worden beoordeeld in het kader van de vraag of de zich voordoende noodzakelijke kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Het is aan de aanvrager van bijzondere bijstand om feiten te stellen en zo nodig aannemelijk te maken waaruit volgt dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van bijstand als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de PW.

4.1.2.

Het gaat hier om incidentele algemene kosten van het bestaan, die in beginsel uit het inkomen op bijstandsniveau dienen te worden voldaan. Ook als voor het maken van deze kosten een objectieve noodzaak bestaat, kan daarvoor alleen bijzondere bijstand worden verleend als sprake is van bijzondere omstandigheden en de kosten niet uit het inkomen en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan.

4.1.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat de kosten van een babyuitzet zich voordoen en noodzakelijk zijn. Wel is in geschil of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

Appellante heeft in dit verband aangevoerd dat een uitkeringsgerechtigde, die noodzakelijke kosten van het bestaan moet maken die de maximale reserveringsruimte overstijgen, in bijzondere omstandigheden verkeert. Ook indien zij schuldenvrij was, zou zij deze noodzakelijke kosten niet geheel kunnen voldoen. Daarnaast behoort rekening te worden gehouden met de aard van de schulden, omdat deze schulden niet door toedoen van appellante zijn ontstaan.

4.1.4.

De door appellante aangevoerde omstandigheden kunnen niet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden als bedoeld in 4.1.1. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij voor de kosten van een babyuitzet niet heeft kunnen reserveren. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 24 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2318) is het ontbreken van voldoende reserveringsruimte in verband met schulden en de daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichtingen geen bijzondere omstandigheid die in het individuele geval het verlenen van bijstand rechtvaardigt. Schulden dan wel het ontbreken van voldoende reserveringsruimte als gevolg daarvan, kunnen niet worden afgewenteld op de bijstand. Anders dan appellante betoogt, speelt de verwijtbaarheid van het ontstaan van de schulden geen rol.

4.2.1.

Appellante heeft verder aangevoerd dat het college de bijzondere bijstand had kunnen verlenen in de vorm van een geldlening.

4.2.2.

Op grond van artikel 48, eerste lid, van de PW wordt de bijstand verleend om niet, tenzij in de wet anders is bepaald. Ingevolge artikel 51, eerste lid, van de PW kan bijzondere bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht, dan wel in de vorm van een bedrag om niet. Het tweede lid van artikel 51 van de PW geeft regels omtrent afstemming van de aflossingsbedragen en de termijn van de aflossing van de geldlening.

4.2.3.

Uit het systeem van de PW vloeit voort dat de vraag in welke vorm bijstand moet worden verleend pas aan de orde komt nadat het betrokken bestuursorgaan heeft vastgesteld dat de belanghebbende of het belanghebbende gezin recht heeft op bijstand. Met betrekking tot de hier voorliggende aanvraag om bijzondere bijstand betekent het voorgaande dat het college eerst dient te beoordelen of appellante voldoet aan de in artikel 35, eerste lid, van de PW genoemde voorwaarden om voor bijzondere bijstand in de kosten van incidentele voorkomende algemene noodzakelijke kosten van het bestaan in aanmerking te komen. Vervolgens dient het college toepassing te geven aan artikel 51 van de PW en te beoordelen of de bijzondere bijstand voor de kosten van de noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen wordt verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht, dan wel in de vorm van een bedrag om niet.

4.2.4.

Gelet op het systeem van de PW heeft het college terecht niet meer beoordeeld of de bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening aan appellante toegekend dient te worden. Uit 4.4 volgt namelijk dat appellante geen recht heeft op bijzondere bijstand voor de kosten van een babyuitzet. Deze beroepsgrond kan daarom niet slagen.

4.3.

Het beroep van appellante op artikel 3 en 27 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) slaagt niet. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL1686), kunnen de artikelen 3 en 27 van het IVRK niet worden aangemerkt als een ieder verbindende bepalingen als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet.

4.4.

Uit 4.1.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 april 2017.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

(getekend) C.A.E. Bon

HD