Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1599

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-04-2017
Datum publicatie
26-04-2017
Zaaknummer
16/914 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing bijstandsaanvraag. Daklozen die een zwervend bestaan leiden worden gerekend tot de doelgroep van de wettelijke regeling voor adreslozen. Het was aan appellant om aannemelijk te maken dat hij een zwervend bestaan leidde. De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende grondslag voor het standpunt van het college dat appellant in de hier te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had op het adres. Daartoe zijn de verklaringen appellant en betrokkene van belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16/914 PW

Datum uitspraak: 25 april 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

24 december 2015, 15/4898 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] wonende op een onbekend adres (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.A. Adjiembaks, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Op 17 januari 2017 heeft mr. Adjiembaks zich onttrokken als gemachtigde.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2017. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.S. Kisoentewari.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft zich op 3 februari 2015 gemeld voor het aanvragen van bijstand ingevolge de Participatiewet. Daarbij heeft appellant opgegeven dat hij dakloos is.

Op 11 februari 2015 heeft hij een aanvraag om bijstand ingediend. Op het formulier “Opgave verblijfslocatie(s) dak- en thuisloze” (opgaveformulier) heeft appellant op 11 februari 2015 vier locaties in Amsterdam opgegeven waar hij afwisselend verblijft, waaronder het adres

[adres] ( [adres] .

1.2.

De afdeling Controle van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) heeft vervolgens een onderzoek ingesteld naar de feitelijke woon- en verblijfsituatie van appellant. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van

20 februari 2015. Uit dit rapport blijkt dat twee handhavingsspecialisten van de DWI op

17 februari 2015 een huisbezoek hebben afgelegd op de [adres] . Appellant is daar aangetroffen. Tijdens het huisbezoek heeft appellant verklaard dat hij vijf tot zeven dagen per week op de [adres] verblijft en dat hij naar de andere opgegeven locaties gaat als de hoofdbewoner van de [adres] , [naam M.] (M), zijn kinderen ontvangt. Daarnaast heeft appellant verklaard dat zijn persoonlijke bezittingen op de [adres] staan en dat hij naar de andere locaties een tasje meeneemt. Op de [adres] wast hij zijn kleding en gebruiken hij en M gezamenlijk de verzorgingsspullen. Daarnaast heeft M aan een medewerker van de afdeling bijzondere doelgroepen van de gemeente Amsterdam telefonisch bevestigd dat appellant vijf tot zeven dagen en nachten per week bij hem woont en slaapt.

1.3.

Bij besluit van 9 maart 2015 heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan de afwijzing heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Uit onderzoek van DWI is gebleken dat appellant niet op meerdere locaties of adressen heeft verbleven, maar zijn hoofdverblijf heeft op de [adres] . Daarnaast voert appellant een gezamenlijke huishouding met M.

1.4.

Bij besluit van 26 juni 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 9 maart 2015 ongegrond verklaard onder wijziging van de motivering van de afwijzing. De motivering is in die zin gewijzigd dat de afwijzing wordt gebaseerd op de constatering dat appellant zijn hoofdverblijf had op de [adres] . Appellant behoort dan ook niet tot de doelgroep van de dak- en thuislozen, zoals hij bij zijn aanvraag had opgegeven. De grondslag van de afwijzing wordt niet gewijzigd. Appellant heeft de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden door onvolledige dan wel onjuiste opgave te doen van zijn woon- en verblijfsituatie, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij voert aan dat het onderzoek verricht door DWI onvolledig is. Op twee van de vier opgegeven adressen hebben de medewerkers van DWI geen huisbezoek verricht. Het verslag van het huisbezoek op de [adres] is eenzijdig opgesteld. Zo staat niet vermeld in welke context de verklaring van appellant is afgelegd. Het verslag bevat enkel de antwoorden die hij zou hebben gegeven. Met de verklaring dat hij vijf tot zeven dagen per week op de

[adres] is, bedoelde appellant te zeggen dat hij vijf tot zeven dagen per week daar komt, maar niet de gehele dag daar verblijft. Het gespreksverslag van het gesprek tussen M en een medewerker van de DWI is zeer summier. Daarbij ontkent M dat hij zou hebben verklaard dat appellant vijf tot zeven dagen en nachten bij hem woont en slaapt. Ten onrechte is aangenomen dat appellant zijn hoofdverblijf had op de [adres] terwijl hij op vier verschillende adressen verbleef.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 3 februari 2015 (datum melding) tot en met 9 maart 2015 (datum afwijzing).

4.2.

Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van de aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen, onder meer over zijn woon- en verblijfplaats. Naar vaste rechtspraak (uitspraak van 13 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:15) kan ook van iemand die stelt

dak- of thuisloos te zijn worden gevergd dat hij controleerbare gegevens verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats, juist ook om vast te stellen dat hij dakloos is en niet een vast hoofdverblijf heeft. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de aanvrager niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 5 juni 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA2360) moeten de daklozen die een zwervend bestaan leiden worden gerekend tot de doelgroep van de wettelijke regeling voor adreslozen en is voor de beoordeling van het recht op bijstand van de adresloze de feitelijke woon- en leefsituatie van de betrokkene van doorslaggevend belang. Aangezien het hier gaat om een besluit op aanvraag, was het aan appellant om aannemelijk te maken dat hij een zwervend bestaan leidde.

4.4.

De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende grondslag voor het standpunt van het college dat appellant in de hier te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had op de

[adres] . Daartoe zijn de, onder 1.2 genoemde, verklaringen van appellant en M van belang.

4.5.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag een betrokkene, ook indien hij later van een afgelegde verklaring terugkomt, in het algemeen aan de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en vervolgens zonder enig voorbehoud ondertekende verklaring worden gehouden en heeft een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis. Geen aanleiding bestaat hiervan in dit geval af te wijken. De enkele stelling van appellant dat hij wat anders had bedoeld te zeggen en dat de context waarin hij de vragen beantwoord heeft niet duidelijk is, is daartoe niet voldoende. Appellant heeft de ontkenning van zijn verklaring niet onderbouwd. Ook de beroepsgrond dat M ontkent dat hij zou hebben verklaard dat appellant vijf tot zeven dagen en nachten bij hem woont en slaapt, heeft appellant niet onderbouwd. Anders dan appellant stelt, heeft het college gezien de duidelijke verklaringen van appellant en M geen aanleiding hoeven te zien om alle adressen te bezoeken.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 april 2017.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

(getekend) C.A.E. Bon

HD