Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:151

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-01-2017
Datum publicatie
19-01-2017
Zaaknummer
15/569 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. Zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/569 ZW

Datum uitspraak: 18 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

16 december 2014, 14/7439 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G. van den Heuvel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 15/3342 ZW plaatsgehad op

7 december 2016. Namens appellant is mr. Van den Heuvel verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gespitst.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft na zijn ziekmelding op 26 februari 2013 wegens psychische klachten ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen van het Uwv. Het laatste werk dat appellant voor die ziekmelding heeft verricht, was dat van productiemedewerker bloemboeketten voor gemiddeld 35,86 uur per week.

1.2.

In het kader van de zogenoemde eerstejaars ZW-beoordeling heeft een arts van het Uwv appellant op 24 december 2013 gezien. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 24 december 2013. Een arbeidsdeskundige heeft zes functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 86,25% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 20 januari 2014 vastgesteld dat appellant met ingang van 26 maart 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 26 juni 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 mei 2014 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 16 juni 2014 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft zowel de medische als de arbeidsdeskundige beoordeling onderschreven.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank de motivering van het Uwv over het niet aannemen van een urenbeperking ten onrechte voldoende heeft geacht. Daartoe heeft hij gewezen op de rapportage van psychiater J.T. Hondema van 11 december 2013. Volgens appellant noemt Hondema weliswaar niet expliciet de noodzaak tot een urenbeperking, maar stelt Hondema wel duidelijk een beperking in de energetische belastbaarheid als gevolg van zowel de slaapproblemen die appellant ervaart als van de verhoogde arousel(angst/spannings)niveau’s en heeft hij een omgedraaid dag- en nachtritme voortvloeiend uit PTSS vastgesteld. In hoger beroep heeft appellant ter ondersteuning van zijn standpunt verschillende medische stukken ingezonden, waaronder informatie van GZ-psycholoog L. Overbeek van 24 juni 2014 en een uitnodiging van Rivierduinen, locatie Midden-Holland, voor een intakegesprek op 16 maart 2015 en een psychiatrisch onderzoek op 25 maart 2015.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920). Op grond van artikel 19aa, tweede lid, van de ZW bestaat recht op ziekengeld tot een maand na de dag waarop de verzekerde in staat is om meer dan 65% van het maatmaninkomen per uur te verdienen.

4.2.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Er is sprake geweest van een zorgvuldig verricht medisch onderzoek. Uit het dossier blijkt dat de arts van het Uwv die appellant in eerste instantie heeft gezien, aan psychiater Hondema om een expertise gevraagd heeft. Uit de rapporten van de artsen van het Uwv blijkt verder dat het dossier is bestudeerd, dat appellant is onderzocht, dat het expertiserapport van psychiater Hondema is meegewogen in de beoordeling van de belastbaarheid van appellant en dat daarover op inzichtelijk wijze is gerapporteerd.

4.3.

De verzekeringsartsen van het Uwv hebben voldoende toegelicht waarom er geen reden bestaat voor het aannemen van een urenbeperking anders dan is aangenomen (enigszins beperkt, kan gemiddeld ongeveer acht uur per dag en 40 uur per week werken en niet ’s avonds en ’s nachts). Uit de verzekeringsgeneeskundige rapporten blijkt dat de geclaimde klachten en bijbehorende beperkingen in grote lijnen aannemelijk worden geacht. Appellant is beperkt ten aanzien van hoge werkdruk, omgaan met stresserende omstandigheden en is aangewezen op routinematige en voorspelbare werkzaamheden, ondanks dat de artsen van het Uwv geen duidelijke cognitieve problemen hebben waargenomen. Appellant is bovendien beperkt geacht ten aanzien van samenwerken, leidinggevende taken en aanzienlijke conflicthantering, hoewel Hondema geen problemen op sociaal-emotioneel functioneren heeft waargenomen. In het rapport van 24 december 2013 is navolgbaar en overtuigend gesteld dat er op basis van de beschikbare gegevens over persoonlijk- en sociaal functioneren, de huidige therapie, het dagverhaal en de gegevens verkregen uit de expertise, geen redenen zijn om naast de eerder aangegeven beperkingen een substantiële urenbeperking aan te nemen. De opmerking van Hondema over het rekening houden met een beperking in de energetische belastbaarheid, heeft hij terecht geplaatst in het kader van re-integratie, waarmee in beginsel bij een (theoretische) arbeidsongeschiktheidsbeoordeling als deze geen rekening wordt gehouden. Bovendien heeft Hondema alleen gesteld dat het wenselijk is hier in enige mate rekening mee te houden, bijvoorbeeld door een geleidelijke opbouw van activiteiten.

4.4.

De in hoger beroep overgelegde stukken leiden niet tot een ander oordeel. In het rapport van psycholoog Overbeek zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat de artsen van het Uwv de ernst van de PTSS-klachten hebben onderschat. Het feit dat appellant in 2015 psychiatrisch onderzocht is, leidt evenmin tot die conclusie. Geconcludeerd wordt daarom dat wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, onvoldoende is om het inzichtelijk gemotiveerde standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden.

4.5.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 16 juni 2014 voldoende gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.

5. Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat de rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat het Uwv op goede gronden heeft beslist dat appellant op 26 maart 2014 geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de ZW. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en B.M. van Dun en

A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2017.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) I.G.A.H. Toma

RB