Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:15

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2017
Datum publicatie
06-01-2017
Zaaknummer
16/1296 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Niet gemelde kasstortingen en bijschrijvingen zijn inkomsten. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 1296 PW

Datum uitspraak: 3 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

19 januari 2016, 15/7159 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.R. Schenkhuizen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Schenkhuizen. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt sinds 15 februari 2013 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW).

1.2.

Naar aanleiding van tips dat appellante zou samenwonen met ene [X.] dan wel met haar ex-partner, dat zij inkomsten uit werk zou hebben en dat de inkomsten worden gestort op de bankrekening van haar vader, heeft het college een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Uit het onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 26 mei 2015, is naar voren gekomen dat appellante inkomsten uit arbeid heeft gehad en dat op haar bankrekening kasstortingen en bijschrijvingen hebben plaatsgevonden die het college niet eerder bekend waren.

1.3.

Bij besluit van 8 juni 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 september 2015 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante over de perioden van

1 maart 2013 tot en met 31 maart 2013, 1 januari 2014 tot en met 28 februari 2014,

1 mei 2014 tot en met 30 september 2014 en 1 december 2014 tot en met 31 december 2014 herzien en de als gevolg van deze herziening teveel gemaakte kosten van bijstand van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 3.287,16. Ook is bepaald dat, ter aflossing van de vordering, met ingang van 1 juni 2015 maandelijks € 72,06 wordt ingehouden op de bijstand. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante de op haar rustende wettelijke inlichtingenplicht heeft geschonden door geen melding te doen van haar inkomsten uit werk, verschillende kasstortingen en diverse bijschrijvingen op haar bankrekeningen afkomstig van het bedrijf [V.] .

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft gesteld dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat de kasstortingen in geding afkomstig zijn van onverschuldigd betaalde kinderopvangtoeslag, die zij eerder van haar bankrekening had opgenomen en opgespaard. De kasstortingen kunnen dan ook niet als inkomsten worden aangemerkt en appellante was daarom ook niet verplicht deze stortingen te melden. De belastingdienst heeft de ten onrechte uitbetaalde toeslag ook al bij appellante teruggevorderd. Het bestreden besluit komt aldus erop neer dat voor de tweede keer hetzelfde bedrag door het college wordt teruggevorderd. Dit is onrechtvaardig. Appellante is en blijft verder van mening dat de bijschrijvingen van [V.] op haar en/of rekening inkomsten zijn van haar ex-partner en niet, of alleen voor de helft, aan haar mogen worden toegerekend. Omdat niet is gebleken dat het gaat om inkomsten die appellante zelf heeft gegenereerd of verdiend, heeft zij terzake ook niets verzwegen. Onder verwijzing naar haar financiële situatie stelt appellante dat er dringende redenen zijn om af te zien van terugvordering.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 31, eerste lid, van de PW worden, voor zover hier van belang, tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

4.2.

Tussen partijen is in geschil of ten tijde hier van belang de vier kasstortingen ten bedrage van € 1.150,- en de vier bijschrijvingen van [V.] ten bedrage van € 416,15, met een totale som van € 1.566,15, terecht zijn aangemerkt als middelen van appellante in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW.

4.3.

Anders dan appellante betoogt, heeft zij de herkomst van de in de besluitvorming betrokken vier kasstortingen niet duidelijk gemaakt. Appellante heeft niet met verifieerbare stukken onderbouwd dat zij de kinderopvangtoeslag contant van haar bankrekening heeft opgenomen, thuis in contanten heeft bewaard en op een later moment weer heeft teruggestort. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de beschikking van de belastingdienst van

16 mei 2014 onvoldoende is als onderbouwing voor de gestelde herkomst van de stortingen omdat daaruit slechts volgt dat appellante een schuld heeft van € 1.151,- aan de belastingdienst vanwege teruggevorderde kinderopvangtoeslag over 2013. Uit de door appellante in hoger beroep overgelegde bankafschriften, waaruit de ontvangst van kinderopvangtoeslagen in de periode van januari 2012 tot en met mei 2013 blijkt, valt evenmin de gestelde samenhang tussen opnamen en stortingen te herleiden. Dat de totale som van de vier in geding zijnde kasstortingen min of meer gelijk is aan de hoogte van de schuld van appellante bij de belastingdienst, kan hier niet aan afdoen.

4.4.

De beroepsgrond dat de bijschrijvingen van [V.] op haar en/of rekening inkomsten zijn van haar ex-partner en niet of alleen voor de helft aan haar mogen worden toegerekend, faalt. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450) worden kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de WWB beschouwd. Dit is niet anders bij een zogeheten

“en/of”-rekening, aangezien daarmee slechts wordt aangeduid dat de rekeninghouders zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk over het tegoed kunnen beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Appellante heeft haar standpunt dat zij niet, dan wel maar ten dele, kon beschikken over deze bedragen niet aannemelijk heeft gemaakt. Hierbij is van belang dat appellante zoals blijkt uit haar verklaring ter zitting beschikte over een pinpas van deze rekening en dat zij eerder heeft verklaard het geld van [V.] te hebben gebruikt voor het doen van boodschappen.

4.5.

Uit 4.3 en 4.4 volgt dat de in geding zijnde kasstortingen en bijschrijvingen op de bankrekening van appellante dienen te worden aangemerkt als inkomen van appellante in de zin van artikel 32, eerste lid, van de PW over de maanden waarin de betalingen hebben plaatsgevonden. De Raad acht hierbij mede van belang dat appellante zowel de bedragen van de kasstortingen als die van de bijschrijvingen heeft kunnen aanwenden voor haar dagelijkse levensonderhoud.

4.6.

Appellante had de kasstortingen en bijschrijvingen moeten melden aan het college. Het had appellante redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat het hier gaat om gegevens die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand. Door daarvan geen melding te maken heeft appellante de op haar rustende wettelijke inlichtingenplicht geschonden en was het college gehouden de bijstand te herzien.

4.7.

Met betrekking tot de terugvordering heeft de rechtbank juist geoordeeld dat de omstandigheid dat appellante met een inkomen ter hoogte van de beslagvrije voet in een moeilijke financiële situatie verkeert, niet is aan te merken als een dringende reden om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Van onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen van de terugvordering is niet gebleken. Het betoog van appellante dat het onrechtvaardig is dat twee keer, namelijk door de belastingdienst en het college, hetzelfde bedrag van haar wordt teruggevorderd, treft op grond van wat is overwogen in 4.3 evenmin doel.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2017.

(getekend) Y.J. Klik

(getekend) M.S. Spek

HD