Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:148

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-01-2017
Datum publicatie
19-01-2017
Zaaknummer
13/2603 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college heeft de in de tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2016:614) geconstateerde gebreken onvoldoende hersteld. De Raad ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. De Raad bepaalt dat aan appellant een financiële tegemoetkoming van € 480,- wordt toegekend voor de aanschaf van zes handgrepen in zijn woning. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/2603 WMO, 16/5054 WMO

Datum uitspraak: 18 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

3 april 2013, 13/448 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Leiden (college)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft op 24 februari 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:614) een tussenuitspraak gedaan.

Bij brief van 16 juni 2016 heeft het college de Raad bericht over de wijze waarop het aan de tussenuitspraak uitvoering heeft gegeven en een besluit van 15 juni 2016 meegezonden.

Mr. J. Jonk heeft zich bij brief van 13 juli 2016 als gemachtigde van appellant gesteld en een zienswijze over het besluit van 15 juni 2016 gegeven.

Bij brief van 29 september 2016 heeft het college gereageerd op het verzoek van de Raad om zijn standpunt nader te motiveren.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is afgezien van een nader onderzoek ter zitting, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak voor een uiteenzetting van de feiten en omstandigheden. Hij voegt hieraan het volgende toe.

1.1.

Bij het besluit van 15 juni 2016 heeft het college het besluit van 2 augustus 2012 ingetrokken en de aanvraag van appellant om een voorziening in de vorm van het plaatsen van zes handgrepen in zijn woning opnieuw afgewezen. Daaraan is het volgende ten grondslag gelegd. Op 3 juni 2016 heeft bij appellant een huisbezoek plaatsgevonden. Tijdens dit huisbezoek is vastgesteld dat handgrepen voor appellant noodzakelijk zijn om van de traplift gebruik te kunnen maken. Met deze handgrepen zou appellant in zijn beperkingen worden gecompenseerd. De aanvraag heeft echter betrekking op een voorziening die algemeen gebruikelijk is. Algemeen gebruikelijk zijn die goederen en producten die een persoon verkerend in voor appellant vergelijkbare sociale en financiële omstandigheden tot zijn uitgavenpatroon kan rekenen. De Wet maatschappelijke ondersteuning vergoedt geen voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn.

1.2.

Appellant heeft aangevoerd dat het college met het besluit van 15 juni 2016 geen juiste uitvoering aan de tussenuitspraak heeft gegeven. Ook aan dit besluit ligt immers geen medisch onderzoek ten grondslag. Voorts heeft het college verzuimd uiteen te zetten aan welke eisen de handgrepen moeten voldoen. Ter zitting van de Raad is dit aan de orde gesteld, waarbij is verwezen naar de krommingshoek van de handgrepen, de lengte, de eventuele noodzaak van een antislipbekleding en de afstand van de beugel tot het achtervlak waartegen de handgreep wordt gemonteerd. Deze handgrepen kunnen voor iets meer dan € 80,- per stuk worden geplaatst door [bedrijf] . Mede gelet op de prijs

(zes maal € 80,- = € 480,-) behoort dit niet tot zijn normale uitgavenpatroon.

1.3.

Het college heeft zich in de brief van 29 september 2016 in reactie op het verzoek van de Raad om een nadere motivering van zijn standpunt opnieuw op het standpunt gesteld dat handgrepen algemeen gebruikelijk zijn, ook voor appellant, aangezien dergelijke handgrepen in de reguliere handel vrij verkrijgbaar zijn en appellant daar vrij over kan beschikken, ook als hij geen handicap zou hebben gehad.

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

De Raad zal het besluit van 15 juni 2016 op grond van het bepaalde in artikel 6:19,

eerste lid, in verbinding met artikel 6:24 van de Awb mede in de beoordeling betrekken.

2.2.

Het college heeft de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken onvoldoende hersteld. Weliswaar heeft het college in het besluit van 15 juni 2016 vastgesteld dat handgrepen voor appellant noodzakelijk zijn om van de traplift gebruik te kunnen maken. Het college heeft echter niet door een ter zake deskundige doen onderzoeken aan welke eisen de handgrepen dienen te voldoen (zie overweging 4.3 van de tussenuitspraak). Daarom kan ook thans niet worden vastgesteld of appellant over de aangevraagde voorziening zou hebben kunnen beschikken indien hij geen beperkingen zou hebben gehad (zie overweging 4.1 van de tussenuitspraak). Ook aan het besluit van 15 juni 2016 ligt daarom geen zorgvuldig onderzoek ten grondslag.

2.3.

Uit de tussenuitspraak en het onder 2.2 overwogene volgt dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep tegen het besluit van 11 december 2012 is gegrond en komt evenals het besluit van 15 juni 2016 voor vernietiging in aanmerking.

2.4.

De Raad ziet voorts aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, nu het college bij brief van 29 september 2016 naar aanleiding van het verzoek van de Raad om een nadere motivering van zijn standpunt, met name aan de hand van wat is overwogen in 4.3 van de tussenuitspraak, nogmaals in zijn standpunt heeft volhard. De Raad houdt het er voor dat appellant is aangewezen op zes handgrepen die voldoen aan de eisen zoals deze onder 1.2 zijn omschreven, dat de kostprijs van deze handgrepen in totaal € 480,- bedraagt en dat appellant niet over deze voorziening zou hebben kunnen beschikken indien hij geen beperkingen zou hebben gehad. Nu gesteld noch gebleken is dat een andere dan de door het college gehanteerde afwijzingsgrond van toepassing is, komt de gevraagde voorziening voor toekenning in aanmerking. De Raad zal daarom bepalen dat aan appellant een financiële tegemoetkoming van € 480,- wordt toegekend voor de aanschaf van zes handgrepen in zijn woning.

3.1.

Appellant heeft een verzoek gedaan om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3.2.

Of de redelijke termijn is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant.

3.3.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. Heeft – in zaken zoals deze – de totale procedure langer dan vier jaar geduurd, dan dient vervolgens per instantie te worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd. Daarbij zouden de verschillende instanties binnen de volgende termijnen moeten worden afgerond: bezwaar een half jaar, beroep anderhalf jaar en hoger beroep twee jaar. Hierbij geldt dat doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd

(zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188 en de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009).

3.4.

In zijn uitspraak van 7 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2978, heeft de Raad overwogen dat in een geval waarin eerst na een tussenuitspraak einduitspraak wordt gedaan, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel in zijn geheel aan het bestuursorgaan wordt toegerekend. Indien echter in de loop van de procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke fase dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat. Van een te lange behandelingsduur bij de rechter is geen sprake als de periode tussen het instellen van beroep bij de rechtbank en de tussenuitspraak van de hoger beroepsrechter ten hoogste drie en een half jaar heeft geduurd en de hoger beroepsrechter vervolgens binnen één jaar na ontvangst van de mededeling van het bestuursorgaan van de wijze waarop de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld, einduitspraak doet.

3.5.

Zoals de Raad heeft overwogen in de hiervoor genoemde uitspraak van 26 januari 2009 is, in beginsel, een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.

3.6.

Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van appellant op 11 september 2012 tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaren en meer dan vier maanden verstreken. De Raad heeft in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellant aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is derhalve met iets meer dan vier maanden overschreden. Deze overschrijding van de redelijke termijn dient in zijn geheel aan het college te worden toegerekend. Van een te lange behandelingsduur bij de rechter is geen sprake nu de periode tussen het instellen van beroep bij de rechtbank en de tussenuitspraak van de hoger beroepsrechter minder dan drie en een half jaar heeft geduurd en de hoger beroepsrechter vervolgens binnen één jaar na ontvangst van de mededeling van het bestuursorgaan van de wijze waarop de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld, einduitspraak doet. De door appellant geleden immateriële schade moet worden vastgesteld op een bedrag van € 500,-, dat voor rekening van het college komt.

4. Er is aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 495,- in bezwaar, € 495,- in beroep en € 1.732,50 in hoger beroep (instellen hoger beroep, twee zittingen, zienswijze op het besluit van 15 juni 2016), in totaal € 2.722,50.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 11 december 2012 gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    vernietigt het besluit van 15 juni 2016, behoudens de intrekking van het besluit van
    2 augustus 2012;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de besluiten van 11 december 2012 en
    15 juni 2016 en bepaalt dat aan appellant een financiële tegemoetkoming van € 480,- wordt

  • -

    toegekend voor de aanschaf en plaatsing van zes handgrepen in zijn woning;

  • -

    veroordeelt het college tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade wegens

overschrijding van de redelijke termijn van € 500,-;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.722,50;

  • -

    bepaalt dat het college het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 160,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en M.F. Wagner en J.I.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2017.

(getekend) J. Brand

(getekend) G.J. van Gendt

HD