Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1473

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-04-2017
Datum publicatie
26-04-2017
Zaaknummer
16/6835 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Compensatie voor AOW-gat van burgerambtenaren Defensie is toereikend. De Centrale Raad van Beroep heeft een uitspraak gedaan in zaken van voormalige burgerambtenaren van het ministerie van Defensie die een inkomensverlies lijden vanwege de verhoging van de AOW-leeftijd (AOW-gat). Geoordeeld is dat met de financiële voorzieningen die de minister van Defensie nu heeft getroffen, geen sprake is van verboden onderscheid naar leeftijd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet gelijke behandeling
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2017/120
RSV 2017/139
AB 2017/302 met annotatie van J.C. de Wit
ABkort 2017/157
NJB 2017/1093
PJ 2017/80
JB 2017/126
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/6835 AW e.v.

Datum uitspraak: 26 april 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de beroepen tegen de besluiten van de Minister van Defensie van

10 oktober 2016

Partijen:

[appellant 1] te [woonplaats 1] en zeventien anderen zoals vermeld op de bij deze uitspraak behorende lijst (appellanten)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraken van 18 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2614 tot en met ECLI:NL:CRVB:2016:2618 en ECLI:NL:CRVB:2016:2620 tot en met ECLI:NL:CRVB:2016:2622, heeft de Raad - voor zover hier van belang - de minister opdracht gegeven nieuwe beslissingen te nemen op de bezwaren van appellanten, gericht tegen de beëindiging van hun wachtgeld op grond van het Wachtgeldbesluit burgerlijke ambtenaren defensie (Wbad), met inachtneming van hetgeen in die uitspraken is overwogen. De Raad heeft daarbij met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat tegen de nieuwe besluiten slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

Ter uitvoering van deze uitspraken heeft de minister de besluiten van 10 oktober 2016 (bestreden besluiten) genomen.

Tegen de bestreden besluiten hebben mr. W.E. Louwerse namens appellanten 1 tot en met 11, mr. drs. M.C. van Meppelen Scheppink, advocaat, namens appellante 12,
mr. drs. G.E. Treffers namens appellant 13, mr. K. ten Broek namens appellanten 14 en 15 en mr. F.M. van den Boogerd-Zuijderwijk namens appellanten 16 tot en met 18 beroepen ingesteld.

Bij besluiten van 14 en 15 december 2016 heeft de minister de bestreden besluiten aangevuld met vergoeding van de bezwaarkosten. Appellanten kunnen zich met deze aanvullende besluiten verenigen.

Op 19 december 2016 heeft de Raad de minister vragen gesteld. Daarop heeft de minister op 10 februari 2017 geantwoord, waarbij per appellant een individueel inkomensoverzicht is ingezonden. Voorts heeft de minister op 10 februari 2017 een verweerschrift ingediend en per appellant nadere besluiten genomen. Appellanten hebben vervolgens hun reactie kenbaar gemaakt omtrent deze inkomensoverzichten, het verweerschrift en de nadere besluiten van
10 februari 2017 (nadere besluiten). Vervolgens heeft de minister bij brief van 13 maart 2017 gereageerd. Bij brief van 14 maart 2017 heeft de minister nog aangepaste inkomensoverzichten ten aanzien van appellanten 4, 6 tot en met 8, 10 en 11 ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft op 15 maart 2017 plaatsgevonden. Alle appellanten, met uitzondering van appellanten 2, 4 en 11, zijn verschenen. Appellanten 1 tot en met 11 hebben zich laten bijstaan dan wel vertegenwoordigen door mr. Louwerse en mr. H. Nummerdor-Buijs. Appellante 12 heeft zich laten bijstaan door mr. D.J.J. Straver, advocaat, appellant 13 door mr. Treffers, appellanten 14 en 15 door mr. Ten Broek en appellanten 16 tot en met 18 door mr. Van den Boogerd-Zuijderwijk. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. R. van Arkel en mr. S.M.L. Timmermans, advocaten, mr. M.A. Suwout en
drs. D.S. Siesling.

OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de uitspraken van 18 juli 2016. De Raad volstaat nu met het volgende.

1.1.

Appellanten waren als burgerambtenaar werkzaam bij het Ministerie van Defensie. Aan hen is in 2013/2014 overtolligheidsontslag verleend met toepassing van artikel 116, eerste lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie en het Sociaal Beleidskader Defensie 2004. Bij besluiten van verschillende data in 2013 en 2014 heeft de minister aan appellanten aansluitend aan hun ontslag wachtgeld op grond van het Wbad toegekend tot de eerste dag van de maand volgende op die waarin zij de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt.

1.2.

Ingevolge de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd, Stb. 2012, 328 (Wet VAP), en de Wet van 4 juni 2015, Stb. 2015, 218, wordt de pensioengerechtigde leeftijd zoals bedoeld in de Algemene Ouderdomswet (AOW-leeftijd) vanaf 2013 in stappen verhoogd tot 67 jaar in 2021. Vanaf 2022 wordt de AOW-leeftijd gekoppeld aan de levensverwachting. Dit heeft onder andere tot gevolg dat appellanten niet vanaf 65-jarige leeftijd recht hebben op een AOW-uitkering, maar pas vanaf de voor hen geldende verhoogde AOW-leeftijd. Sinds
1 januari 2015 kent het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) het ouderdomspensioen vanaf deze verhoogde AOW-leeftijd toe.

1.3.

Op 1 oktober 2015 is de ‘Voorlopige voorziening tegemoetkoming inkomensderving als gevolg van ophoging AOW-leeftijd’, Stcrt. 28 september 2015, nr. 31772 (Voorlopige voorziening), in werking getreden. De Voorlopige voorziening vormt de vastlegging van de tussen de minister en vakbonden gemaakte afspraken. In artikel 2 van de Voorlopige voorziening is bepaald dat een gewezen defensieambtenaar die de leeftijd van 65 jaar bereikt waardoor zijn uitkering eindigt, tot het bereiken van de voor hem geldende AOW-leeftijd aanspraak heeft op een maandelijkse tegemoetkoming, die gelijk is aan de bruto
AOW-uitkering (inclusief vakantiegeld), die voor hem volgens de AOW in de desbetreffende maand gegolden zou hebben indien daarop aanspraak zou hebben bestaan.

1.4.

In de hiervoor genoemde uitspraken van 18 juli 2016 heeft de Raad - voor zover hier van belang - geoordeeld dat de beëindiging van het wachtgeld op grond van artikel 17 van het Wbad bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd, onder gelijktijdige toekenning van de tegemoetkoming op grond van de Voorlopige voorziening, en gegeven de mogelijkheid het door het ABP toe te kennen ouderdomspensioen vervroegd te laten ingaan bij het bereiken van die leeftijd, verboden onderscheid naar leeftijd oplevert als bedoeld in de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (Wgbla).

1.5.

Ter uitvoering van de uitspraken van 18 juli 2016 heeft de minister de bestreden besluiten genomen. Bij die besluiten heeft de minister de beëindiging van het aan appellanten toegekende wachtgeld op grond van het Wbad bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd gehandhaafd. Daarbij is aan appellanten voor de periode vanaf dat zij 65 jaar worden totdat zij de AOW-leeftijd hebben bereikt, een maandelijkse bruto uitkering toegekend die een netto uitkering oplevert die gelijk is aan de netto AOW-uitkering, inclusief vakantiegeld (tegemoetkoming AOW-hiaat). Daarnaast is aan appellanten voor diezelfde periode een compensatie (bruto) toegekend in verband met het feit dat appellanten (mogelijk) hun ouderdomspensioen vervroegd laten ingaan bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar (compensatie). Daarbij heeft de minister toegelicht dat de vanaf 2014 opgebouwde pensioenaanspraken verlaagd worden als gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid het ouderdomspensioen vanaf 65 jaar te laten ingaan, omdat deze pensioenaanspraken overeenkomstig de Wet VAP een pensioenrichtleeftijd van 67 jaar hebben. De compensatie is in waarde (bruto) gelijk aan voornoemde verlaging van de pensioenaanspraken in vergelijking met de situatie vóór invoering van de Wet VAP. De compensatie wordt ook toegekend als geen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid het ouderdomspensioen eerder dan bij het bereiken van de AOW-leeftijd te laten ingaan. Aan appellanten 3 en 13, die de AOW-leeftijd reeds hebben bereikt, wordt eenmalig een (totaal)bedrag uitgekeerd ter hoogte van het verschil tussen de tegemoetkoming AOW-hiaat en de reeds aan hen uitbetaalde tegemoetkoming op grond van de Voorlopige voorziening.

1.6.

Bij de nadere besluiten heeft de minister de bestreden besluiten aangevuld. Indien in de periode vanaf het bereiken van de leeftijd van 65 jaar tot aan het bereiken van de
AOW-leeftijd het totaalbedrag van de tegemoetkoming AOW-hiaat en de compensatie, vermeerderd met het (vervroegd ingegane) ouderdomspensioen, netto minder bedraagt dan 90% van de gerechtvaardigde aanspraak van appellanten, dan wordt dit bedrag bruto zodanig aangevuld dat deze in ieder geval gelijk is aan 90% van de gerechtvaardigde aanspraken van appellanten (aanvullende maatregel). De nadere besluiten worden, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb, mede in de beoordeling betrokken.

2. De Raad komt naar aanleiding van wat partijen hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.

2.1.

Met de bij de bestreden besluiten, aangevuld bij de nadere besluiten, getroffen voorzieningen (regeling) is getracht een oplossing te vinden voor het gegeven dat als gevolg van de ophoging van de AOW-leeftijd ingevolge de Wet VAP, de AOW- en pensioenaanspraken van appellanten niet meer aansluiten op hun wachtgeld op grond van het Wbad, waardoor zij inkomensverlies lijden. De Raad zal dan ook de regeling in dat licht bezien.

2.2.

Als eerste dient de vraag te worden beantwoord of de beëindiging van het wachtgeld op grond van artikel 17 van het Wbad bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd, onder gelijktijdige toekenning van de tegemoetkoming AOW-hiaat, de compensatie en aanvullende maatregel, gegeven de mogelijkheid het door het ABP toe te kennen ouderdomspensioen vervroegd te laten ingaan bij het bereiken van die leeftijd, verboden onderscheid naar leeftijd oplevert als bedoeld in de Wgbla. Met de Wgbla heeft Nederland Richtlijn 2000/78/EG van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep geïmplementeerd. De Wgbla moet mede in het licht van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) over Richtlijn 2000/78/EG worden uitgelegd.

2.2.1.

In de uitspraken van 18 juli 2016 heeft de Raad reeds geoordeeld dat sprake is van direct onderscheid op grond van leeftijd door het wachtgeld van ambtenaren bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar te beëindigen, ook al is de duur van dat wachtgeld op grond van de artikelen 8 en 9 van het Wbad nog niet verstreken. Ook is in die uitspraken geoordeeld dat de doelstellingen die de minister aan het hanteren van een leeftijdsgrens van 65 jaar voor het ontvangen van wachtgeld (en dus aan het daardoor ontstane leeftijdsonderscheid) ten grondslag heeft gelegd, te weten het beschermen van alleen degenen die beschikbaar zijn voor arbeid en onvoldoende inkomensvoorzieningen hebben en een eerlijke verdeling van de beschikbare gelden, legitiem zijn. De beroepsgronden geven geen aanleiding daarover nu anders te oordelen. In de uitspraken van 18 juli 2016 heeft de Raad reeds overwogen dat volgens vaste rechtspraak van het Hof (zie bijvoorbeeld het arrest van 12 oktober 2010,
C-45/09, Rosenbladt, punt 41) de lidstaten en de sociale partners op nationaal niveau over een ruime beoordelingsvrijheid beschikken bij de beslissing welke doelstellingen van sociaal en werkgelegenheidsbeleid zij specifiek willen nastreven. Daaraan wordt, onder verwijzing naar het arrest van het Hof van 21 juli 2011, C-159/10, Fuchs, punten 41 en 44, toegevoegd, dat het naast elkaar bestaan van verschillende doelstellingen niet uitsluit dat sprake is van een legitiem doel. Met het oog op voornoemde ruime beoordelingsvrijheid stelt de Raad vast dat in het op 16 april 2015 gesloten eerste deelresultaat de minister en de vakbonden hebben afgesproken dat het een gezamenlijke verantwoordelijkheid is om binnen de totale aan arbeidsvoorwaarden gerelateerde budgetten een voorziening te treffen voor voormalig defensiepersoneel dat geconfronteerd wordt met de gevolgen van het ontbreken van een AOW- en pensioenuitkering bij het bereiken van 65 jaar als gevolg van de verhoogde
AOW-leeftijd (AOW-hiaat). Het merendeel van de vakbonden heeft vervolgens ingestemd met de Voorlopige voorziening, die aanzienlijk minder ver strekte dan de thans voorgestane regeling. Verder heeft de minister vóór maar ook na de uitspraken van 18 juli 2016 diverse keren met de Tweede Kamer gesproken over de te treffen voorzieningen als oplossing voor het AOW-hiaat. Daarbij heeft de minister meerdere keren het belang benadrukt van de balans tussen de belangen van degenen die nog in dienst zijn bij het Ministerie van Defensie en de belangen van hen die de dienst hebben verlaten. Tijdens het begrotingsdebat met de Tweede Kamer op 16 november 2016 zijn onder andere de volgende drie moties ingediend: een motie waarin de regering is verzocht de Defensiebegroting te ontzien bij het compenseren van het AOW-hiaat en middelen te zoeken buiten de Defensiebegroting om (Kamerstukken II 2016/17, 34 550 X, nr. 22), een motie waarin de regering is verzocht over te gaan tot volledige compensatie van het AOW-hiaat van het voormalige defensiepersoneel, te financieren binnen de rijksbegroting (idem, nr. 23) en een motie waarin de regering is verzocht zich in te spannen om het AOW-hiaat te dichten door het wachtgeld door te laten lopen tot aan de AOW-leeftijd (idem, nr. 24). Deze moties zijn allen verworpen.

2.2.2.

Als middel om de doelstellingen te bereiken, handhaaft de minister de beëindiging van het recht op wachtgeld als de ambtenaar de 65-jarige leeftijd heeft bereikt, kent de minister vanaf dat moment de ambtenaar de tegemoetkoming AOW-hiaat en compensatie toe, past hij in voorkomende gevallen de aanvullende maatregel tot 90% van de gerechtvaardigde aanspraak toe, en kan de ambtenaar gebruikmaken van de mogelijkheid om het door het ABP toe te kennen ouderdomspensioen vervroegd vanaf de leeftijd van 65 jaar in te laten gaan. De Raad dient de vraag te beantwoorden of dit middel passend en noodzakelijk is om de doelstellingen te bereiken.

2.2.3.

Volgens vaste rechtspraak van het Hof (zie bijvoorbeeld het arrest van 12 oktober 2010, C-45/09, Rosenbladt, punt 41) beschikken de lidstaten en de sociale partners op nationaal niveau ook over een ruime beoordelingsvrijheid bij het bepalen van de maatregelen waarmee de doelstelling kan worden verwezenlijkt. Het Hof beoordeelt in dit verband of de genomen maatregelen niet onredelijk zijn of - anders gezegd - niet kennelijk ongeschikt zijn om het legitieme doel te bereiken (zie bijvoorbeeld het arrest van 26 februari 2015, C-515/13, Landin, punten 27 en 28, het arrest van 26 september 2013, C-546/11, Dansk Jurist- og Økonomforbund, punten 55 en 58, en het arrest van 12 oktober 2010, C-499/08, Andersen, punt 35).

2.2.4.

Het overwogene onder 2.1 mede in aanmerking genomen, is de Raad van oordeel dat het middel als omschreven in 2.2.2 niet kennelijk ongeschikt is om de legitieme doelstellingen - het beschermen van alleen diegenen die beschikbaar zijn voor arbeid en onvoldoende inkomensvoorzieningen hebben alsmede een eerlijke verdeling van de beschikbare middelen - te bereiken.

2.2.5.

Wat de noodzakelijkheid van het middel betreft dient de rechter volgens vaste rechtspraak van het Hof te onderzoeken of het middel niet verder gaat dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de nagestreefde doelstellingen en niet op excessieve wijze inbreuk maakt op de gerechtvaardigde aanspraken van de werknemers, waarbij het middel in zijn eigen regelingscontext dient te worden geplaatst en rekening moet worden gehouden zowel met het nadeel dat daaraan kleeft voor de betrokken personen als met het voordeel daarvan voor de samenleving in het algemeen en voor de individuen waaruit zij bestaat (zie in die zin bijvoorbeeld het arrest van het Hof van 12 oktober 2010, C-45/09, Rosenbladt,

punt 73, en het arrest van het Hof van 16 oktober 2007, C-411/05, Palacios de la Villa,

punt 73).

2.2.6.

Partijen verschillen allereerst van mening over de vraag wat de gerechtvaardigde aanspraak van appellanten is. De minister is voor de gerechtvaardigde aanspraak uitgegaan van de situatie van een AOW-leeftijd en pensioenrichtleeftijd (de beoogde ingangsleeftijd van de opgebouwde pensioenaanspraken) van 65 jaar. In deze situatie bestaat het bruto maandinkomen vanaf de 65-jarige leeftijd uit het opgebouwde ABP-pensioen en de
AOW-uitkering. Het netto maandinkomen wordt berekend door het bruto maandinkomen te verminderen met de loonheffing en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet. Het netto maandinkomen dat resulteert is de gerechtvaardigde aanspraak van appellanten, aldus de minister. De Raad kan de minister hierin volgen. Anders dan appellanten menen is niet als gerechtvaardigde aanspraak aan te merken de doorbetaling van het wachtgeld tot aan de verhoogde AOW-leeftijd. Zoals ook uit de door de minister overgelegde inkomensoverzichten blijkt, zou doorbetaling van het wachtgeld immers betekenen dat appellanten in ieder geval vanaf het bereiken van de verhoogde AOW-leeftijd er netto aanmerkelijk op vooruit zouden gaan ten opzichte van de oude situatie, toen de AOW-leeftijd nog 65 jaar was.

2.2.7.

Met het oog op de vraag of het middel niet op excessieve wijze inbreuk maakt op de gerechtvaardigde aanspraak van appellanten, moet allereerst worden vastgesteld dat in de bestreden besluiten, aangevuld met de nadere besluiten, slechts in abstracto is weergegeven welke bedragen appellanten op basis van de regeling na de beëindiging van het wachtgeld vanaf 65-jarige leeftijd ontvangen. Die besluiten bieden onvoldoende inzicht in de concrete betalingen die op grond van de regeling, uitgaande van ongewijzigde omstandigheden, bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd aan appellanten worden gedaan. Teneinde hierin alsnog inzicht te bieden, heeft de minister desgevraagd, met gebruikmaking van de gegevens van het ABP en WW Plus, per appellant (met uitzondering van appellanten 13 en 15) individuele inkomensoverzichten laten opstellen en ingezonden voor de hierna volgende vijf situaties, waarbij telkens voor de periode vanaf 65 jaar tot de AOW-leeftijd alsmede voor de periode vanaf de AOW-leeftijd de bruto- en netto-inkomsten zijn vermeld:

- de oude situatie dat de AOW- en pensioenleeftijd niet zouden zijn verhoogd en waarbij appellanten vanaf 65 jaar een AOW-uitkering en ouderdomspensioen zouden ontvangen;

- de situatie waarbij de AOW- en pensioenleeftijd zijn verhoogd en het wachtgeld bij het bereiken van 65 jaar zou worden doorbetaald tot de verhoogde AOW-leeftijd en appellanten dus geen tegemoetkoming AOW-hiaat en compensatie zouden ontvangen;

- de situatie waarbij de AOW- en pensioenleeftijd zijn verhoogd, het wachtgeld bij het bereiken van 65-jarige leeftijd is beëindigd, en appellanten vanaf 65 jaar de tegemoetkoming AOW-hiaat en de compensatie zouden ontvangen en de ouderdomspensioen vervroegd laten ingaan;

- dezelfde situatie als laatstbedoelde, maar waarbij appellanten niet het ouderdomspensioen vervroegd laten ingaan;

- de situatie waarbij de aanvullende maatregel van 90% is toegepast.

De minister heeft van appellant 13 niet een dergelijk inkomensoverzicht ingezonden, omdat deze appellant om hem moverende redenen de minister niet heeft gemachtigd gegevens bij het ABP en WW Plus op te vragen. Appellante 15 heeft zelf eenzelfde inkomensoverzicht laten opstellen en ingezonden.

2.2.8.

Uit de individuele inkomensoverzichten blijkt het volgende. Voor de periode vanaf het bereiken van de leeftijd van 65 jaar tot aan de AOW-leeftijd van appellanten heeft de regeling een aanzienlijke stijging in bruto inkomen tot gevolg in vergelijking met de situatie dat de AOW-leeftijd nog steeds 65 jaar zou zijn geweest. Het netto inkomen is in die periode als gevolg van fiscale redenen weliswaar lager in vergelijking met de situatie dat de
AOW-leeftijd nog steeds 65 jaar zou zijn geweest, maar dat verschil is beperkt. Hierbij is van belang dat de minister heeft gegarandeerd dat appellanten vanaf hun 65ste jaar tot aan hun AOW-leeftijd in ieder geval 90% van hun gerechtvaardigde aanspraak ontvangen. Voor de periode vanaf de AOW-leeftijd worden appellanten blijkens de individuele inkomensoverzichten geconfronteerd met een netto inkomensverlies van slechts één tot enkele procenten ten opzichte van hun gerechtvaardigde aanspraak. Dit leidt de Raad tot het oordeel dat het middel, bezien naar het resultaat ervan, geen excessieve inbreuk maakt op de gerechtvaardigde aanspraak van appellanten en aldus niet verder gaat dan noodzakelijk is om de nagestreefde doelstellingen te bereiken. Deze conclusie geldt ook voor appellant 13, van wie geen inkomensoverzicht is overgelegd, nu hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij hem wel sprake is van een excessieve inbreuk op zijn gerechtvaardigde aanspraak.

2.2.9.

Bij het in 2.2.8 gegeven oordeel van de Raad is uitgegaan van het vervroegd laten ingaan van het ouderdomspensioen. In de uitspraken van 18 juli 2016 heeft de Raad geoordeeld dat in de arresten van het Hof van 12 oktober 2010, C-499/08, Andersen, en van 26 september 2013, C-546/11, Dansk Jurist- og Økonomforbund, steun is te vinden voor het oordeel dat de minister appellanten in redelijkheid niet kan verplichten om gebruik te maken van de mogelijkheid om het door het ABP toe te kennen pensioen vervroegd vanaf de leeftijd van 65 jaar in te laten gaan, met name omdat zij vervolgens voor de rest van hun leven een lager ouderdomspensioen zullen moeten aanvaarden dan waarop zij aanspraak zouden kunnen maken als zij niet van deze mogelijkheid gebruikmaken. Met het onderhavige middel is evenwel een andere situatie aan de orde dan in de uitspraken van 18 juli 2016. Nu uit de inkomensoverzichten volgt dat het vervroegd in laten gaan van het ouderdomspensioen slechts een gering verlies aan inkomsten oplevert ten opzichte van de gerechtvaardigde aanspraak (zie 2.2.8), kan niet met recht worden gesteld dat de minister niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten het vervroegd in laten gaan van het ouderdomspensioen onderdeel te laten zijn van het middel. Hierbij komt dat het naar voren halen van het ouderdomspensioen niet verplicht is en de compensatie ook wordt verleend als appellanten beslissen het ouderdomspensioen niet vervroegd in te laten gaan. Wat sommige appellanten in het kader van het vervroegd opnemen van hun ouderdomspensioen nog over het partnerpensioen naar voren hebben gebracht, kan, daargelaten de juistheid ervan, niet afdoen aan het in 2.2.8 gegeven oordeel dat het middel geen excessieve inbreuk maakt op de gerechtvaardigde aanspraak van appellanten.

2.2.10.

Een aantal appellanten heeft verder nog gesteld dat in de individuele inkomensoverzichten ten onrechte geen rekening is gehouden met (mogelijke) toekomstige wijzigingen in hun situatie, zoals een echtscheiding of overlijden van een partner. De Raad volstaat op dit punt met een verwijzing naar de reactie van de minister in zijn brief van
13 maart 2017, waarbij voor eisers appellanten moet worden gelezen: “Voorop zij gesteld dat de in de bestreden besluiten genoemde tegemoetkoming zal worden toegekend op basis van de dan geldende actuele situatie van eisers en de dan geldende uit de wet en het ABP Pensioenreglement voortvloeiende grondslagen. De hoogte van de tegemoetkoming wordt gedurende de uitbetaling daarvan aangepast, als de uitgangspunten wijzigen. Hiermee wordt rekening gehouden met toekomstige wijzigingen in de situatie van eisers, zoals het overlijden van de partner of een echtscheiding.”

2.2.11.

Gezien het vorenstaande is de Raad van oordeel dat sprake is van een objectieve rechtvaardiging voor het uit artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wbad voortvloeiende onderscheid naar leeftijd. Het uit dat artikel voortvloeiende onderscheid naar leeftijd levert dan ook geen strijd op met de Wgbla.

2.3.

Een aantal appellanten heeft gesteld dat de regeling in strijd is met artikel 4 van het Europees Sociaal Handvest (ESH), omdat daarmee niet wordt voldaan aan de volgens appellanten uit dat artikel voortvloeiende minimale eis dat de gezinnen van appellanten over een behoorlijk inkomen kunnen beschikken.

2.3.1.

Artikel 4, aanhef en eerste lid, van het ESH luidt in de Nederlandse vertaling: “Teneinde de doeltreffende uitoefening van het recht op een billijke beloning te waarborgen, verbinden de Partijen zich het recht van de werknemers op een zodanige beloning die hun en hun gezin een behoorlijke levensstandaard verschaft, te erkennen”.

In de Memorie van Toelichting bij de Goedkeuringswet ESH (Kamerstukken II, 2004/05,
29 941, nr. 3, blz. 11) is bij het eerste lid van dit artikel vermeld: “Het recht op billijke beloning is als zodanig niet wettelijk vastgelegd, maar de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag stelt eisen waar minimaal aan voldaan dient te zijn. Voor het overige wordt de beloning van werknemers vastgesteld in onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers.”

2.3.2.

Daargelaten de vraag of aan artikel 4, aanhef en onder het eerste lid, van het ESH, rechtstreekse werking toekomt en of dit artikel van toepassing is op de situatie van appellanten, wordt geoordeeld dat de regeling niet onverenigbaar is met deze bepaling. In aanmerking genomen het hiervoor aangehaalde gedeelte uit de Memorie van Toelichting bij de Goedkeuringswet ESH en uitgaande van de individuele inkomensoverzichten, kan niet met recht worden gezegd dat de regeling niet leidt tot een behoorlijke levenstandaard als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het ESH.

2.4.

Een aantal appellanten heeft gesteld dat door het wachtgeld met toepassing van artikel 17 van het Wbad bij het bereiken van 65 jaar te beëindigen, ook al is de duur van het wachtgeld op grond van de artikelen 8 en 9 van het Wbad nog niet verstreken, in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) een vermogensrecht wordt ontnomen. Voorts hebben enkele appellanten gesteld dat het vervroegen van het ouderdomspensioen leidt tot een aanzienlijke afname van de door hen opgebouwde pensioenrechten, waardoor zij eveneens worden aangetast in hun eigendomsrechten.

2.4.1.

Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM luidt in de Nederlandse vertaling:

“Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.”

2.4.2.

Onder de term “eigendom” in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM moet niet alleen worden verstaan bestaande bezittingen, maar ook vermogensbestanddelen, met inbegrip van aanspraken met betrekking waartoe de betrokkene kan onderbouwen dat deze een voldoende basis in het nationale recht hebben. Bepalend bij deze vaststelling is de wetgeving die van kracht is ten tijde van de gestelde inmenging (vergelijk het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 6 oktober 2005, nr. 11810/02, Maurice,
par. 66 e.v.).

2.4.3.

In het geval van appellanten is door de verhoging van de AOW-leeftijd geen bestaand eigendomsrecht op wachtgeld ontnomen. Vóór inwerkingtreding van de Wet VAP hadden appellanten immers ook geen recht op wachtgeld na het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Evenmin hadden appellanten een legitieme verwachting dat het wachtgeld ook na het bereiken van de 65-jarige leeftijd zou doorlopen indien de AOW-leeftijd zou worden verhoogd.

2.4.4.

Ook het inkomensverlies dat kan ontstaan door het vervroegen van het ouderdomspensioen leidt niet tot een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Voor zover sprake zou kunnen zijn van een (toekomstige) inmenging in het eigendomsrecht van appellanten, wordt deze inmenging, die bij wet is voorzien en waaraan een legitieme doelstelling ten grondslag ligt, in het algemeen proportioneel geacht. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat volgens vaste rechtspraak van het EHRM in zaken als deze artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM geen aanspraak op een pensioen van een bepaalde hoogte garandeert (bijvoorbeeld het arrest van het EHRM van 12 oktober 2004,
nr. 60669/00, Ásmundsson, par. 39). Dit laat onverlet dat in een concreet geval sprake zou kunnen zijn van een onevenredig zware last (“an individual and excessive burden”) als bedoeld in de rechtspraak van het EHRM. Van zo’n onevenredig zware last is hier echter geen sprake. Zoals immers uit 2.2.8 blijkt, lijden appellanten, uitgaande van ongewijzigde omstandigheden, vanaf het bereiken van de AOW- en pensioenleeftijd slechts een gering inkomensverlies en is geenszins sprake van een pensioenrecht dat in de kern (“essence”) wordt aangetast.

2.4.5.

Het beroep op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM slaagt daarom niet.

2.5.

Volgens enkele appellanten maakt de minister een verboden onderscheid naar burgerlijke staat als bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb), nu de minister voor de hoogte van de tegemoetkoming AOW-hiaat aansluiting heeft gezocht bij de systematiek van de AOW, dus 70% van het minimumloon voor een ongehuwde (of daarmee gelijkgestelde) en 50% van het minimumloon voor een gehuwde (of daarmee gelijkgestelde).

2.5.1.

Ook daarin kan de Raad appellanten niet volgen. Bedoeld verschil in behandeling in de AOW tussen aan de ene kant gehuwden of daarmee gelijkgestelde ongehuwd samenwonenden en aan de andere kant ongehuwden die alleenstaand zijn en daarmee gelijkgestelden, waaraan de tegemoetkoming is gerelateerd, is terug te voeren op een niet vergelijkbare leefsituatie en daarmee samenhangende behoeften. Zo is sprake van besparende voordelen bij het voeren van een gezamenlijke huishouding ten opzichte van een eenpersoonshuishouden. In het licht bezien waarin de tegemoetkoming AOW-hiaat moet worden beoordeeld, zoals hiervoor in 2.1 is aangegeven, ziet de Raad niet in dat de Awgb eraan in de weg staat dat de minister voor van elkaar te onderscheiden gevallen verschillende voorzieningen treft, waarbij met dat onderscheid rekening wordt gehouden, zoals ook in de AOW geschiedt.

2.6.

Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 30 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2312, heeft voorts een aantal appellanten betoogd dat de minister met de regeling in strijd heeft gehandeld met het uit dat arrest voortvloeiend algemeen rechtsbeginsel dat gelijke arbeid in gelijke omstandigheden op gelijke wijze moet worden beloond. Voormalige burgerambtenaren van het Ministerie van Defensie worden volgens die appellanten als gevolg van de regeling verschillend beloond. Diegenen die de leeftijd van

65 jaar nog niet hebben bereikt ontvangen immers wachtgeld en zij die 65 jaar of ouder zijn ontvangen tot aan de AOW-leeftijd een inkomen, bestaande uit de tegemoetkoming
AOW-hiaat, compensatie en eventueel de aanvullende maatregel en mogelijk een vervroegd ingegaan ouderdomspensioen.

2.6.1.

De Raad volgt appellanten niet in dit betoog. Voor zover al in de onderhavige situaties gesproken kan worden van ‘beloning voor arbeid’, is het betoog van appellanten in wezen terug te voeren op het onderscheid naar leeftijd. Daarover heeft de Raad hiervoor al geoordeeld.

2.7.

Enkele appellanten hebben betoogd dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van het Wbad. Op grond van die bepaling kan de minister in bijzondere gevallen na afloop van de in het eerste en tweede lid van dat artikel bedoelde termijnen de duur van het wachtgeld verlengen. De hardheidsclausule is echter niet bedoeld om voor alle gevallen een uitzondering te maken op de algemene regel dat het wachtgeld bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd eindigt. Nu geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden, heeft de minister terecht geen toepassing gegeven aan bedoelde hardheidsclausule.

2.8.

Namens appellant 13 is ten slotte gesteld dat, indien hij geen aanspraak zou hebben gehad op wachtgeld, hij gezien zijn arbeidsverleden tot aan zijn AOW-leeftijd recht zou hebben gehad op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW), die hoger is dan de uitkering die hij nu ontvangt vanaf 1 februari 2016, de datum waarop zijn wachtgeld vanwege het bereiken van zijn 65-jarige leeftijd, is geëindigd. Hij heeft nu vanaf die datum geen aanspraak op die WW-uitkering, omdat hij in de periode daaraan voorafgaand onder het regime van het Wbad viel en aldus niet (meer) voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een uitkering ingevolge de WW. Gevolg hiervan is dat door de minister is getornd aan de wettelijke aanspraak van appellant, wat volgens hem in strijd is met de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen.

2.8.1.

De Raad volgt appellant 13 niet in dit betoog, reeds omdat hij in verband met zijn ontslag in 2014 wachtgeld als bedoeld in het Wbad heeft aangevraagd en ontvangen en het Wbad aldus het toepasselijke wettelijke kader biedt.

3. Het vorenstaande betekent dat de beroepen tegen de bestreden besluiten, aangevuld met de nadere besluiten, ongegrond moeten worden verklaard. Weliswaar zijn die besluiten in zoverre niet draagkrachtig gemotiveerd dat daaruit onvoldoende concreet blijkt wat de financiële gevolgen van de regeling voor appellanten, uitgaande van ongewijzigde omstandigheden, bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd zijn, maar de Raad ziet aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, nu de minister met de inkomensoverzichten alsnog duidelijkheid heeft verschaft.

4.1.

Gelet op wat onder 3 is overwogen, bestaat aanleiding de minister op grond van
artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellanten voor verleende rechtsbijstand in beroep overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Daarbij wordt, voor zover sprake is van samenhangende zaken, rekening gehouden met het bepaalde in artikel 3, tweede lid, van het Bpb en de daarbij behorende bijlage. Deze kosten bedragen voor:

  • -

    een ieder van appellanten 1 tot en met 11: € 168,75;

  • -

    appellante 12: € 1.237,50;

  • -

    appellant 13: € 1.237,50;

  • -

    een ieder van appellanten 14 en 15: € 618,75;

  • -

    een ieder van appellanten 16 tot en met 18: € 464,06.

4.2.

Voorts komen de door appellanten 1, 3 en 5 tot en met 10 gedeclareerde reiskosten voor vergoeding in aanmerking. Dat betekent dat voor hen de totaal te vergoeden kosten bedragen:

  • -

    appellant 1: € 193,89 (€ 168,75 + € 25,14);

  • -

    appellant 3: € 193,13 (€ 168,75 + € 24,38);

  • -

    appellant 5: € 196,31 (€ 168,75 + € 27,56);

  • -

    appellant 6: € 194,57 (€ 168,75 + € 25,82);

  • -

    appellant 7: € 196,31 (€ 168,75 + € 27,56);

  • -

    appellant 8: € 186,35 (€ 168,75 + € 17,60);

  • -

    appellant 9: € 193,49 (€ 168,75 + € 24,74);

  • -

    appellant 10: € 192,99 (€ 168,75 + € 24,24).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- verklaart de beroepen tegen de besluiten van 10 oktober 2016, nader aangevuld bij de

besluiten van 10 februari 2017, ongegrond;
- bepaalt dat de minister aan appellanten het in beroep door elk van hen betaalde griffierecht

van € 46,- vergoedt;
- veroordeelt de minister in de kosten van appellanten, zoals onder 4.1 en 4.2 is vermeld.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en B.J. van de Griend en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2017.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) L.V. van Donk

HD

Lijst van appellanten

Appellanten, woonplaats procedurenummers

1. [appellant 1] te [woonplaats 2] 16/6835 AW, 17/1457 AW

2. [appellant 2] te [woonplaats 3] 16/6841 AW, 17/1456 AW

3. [appellant 3] te [woonplaats 4] 16/6842 AW, 17/1437 AW

4. [appellant 4] te [woonplaats 5] 16/6843 AW, 17/1453 AW

5. [appellant 5] te [woonplaats 6] 16/6844 AW, 17/1452 AW

6. [appellant 6] te [woonplaats 7] 16/6846 AW, 17/1451 AW

7. [appellant 7] te [woonplaats 8] 16/6847 AW, 17/1439 AW

8. [appellant 8] te [woonplaats 9] 16/6849 AW, 17/1428 AW

9. [appellant 9] te [woonplaats 10] 16/6851 AW, 17/1438 AW

10. [appellant 10] te [woonplaats 11] 16/6852 AW, 17/1427 AW

11. [appellant 11] te [woonplaats 12] 16/6853 AW, 17/1426 AW

12. [appellant 12] te [woonplaats 13] 16/7044 AW, 17/1436 AW

13. [appellant 13] te [woonplaats 14] 16/7057 AW, 17/1435 AW

14. [appellant 14] te [woonplaats 15] 16/7107 AW, 17/1455 AW

15. [appellant 15] te [woonplaats 16] 16/7108 AW, 17/1454 AW

16. [appellant 16] te [woonplaats 17] 16/7127 AW, 17/1432 AW

17. [appellant 17] te [woonplaats 18] 16/7129 AW, 17/1431 AW

18. [appellant 18] te [woonplaats 19] 16/7132 AW, 17/1430 AW