Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:144

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-01-2017
Datum publicatie
23-01-2017
Zaaknummer
16/2306 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken na opschorten. Verwijt van niet komen op gesprek. Appellant was wel in staat om telefonisch contact op te nemen ondanks medische beperkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/2306 PW

Datum uitspraak: 17 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

25 februari 2016, 15/3225 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.E. Menick, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2016. Namens appellant is

mr. S.C. Gordijn, kantoorgenoot van mr. Menick, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door I. Abbing en mr. P. Koenhen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 8 augustus 2013 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Bij brief van 20 april 2015 heeft het college appellant uitgenodigd voor een gesprek op

1 mei 2015, waarbij hij is verzocht naar dit gesprek nadere gegevens mee te nemen. Appellant heeft, zonder bericht van verhindering, geen gehoor gegeven aan deze uitnodiging. Op 4 mei 2015 hebben handhavingsspecialisten van de gemeente Zaanstad geprobeerd een huisbezoek bij appellant af te leggen. Appellant is daarbij niet thuis aangetroffen. Een in het pand aanwezig persoon heeft aan de handhavingsspecialisten te kennen gegeven dat appellant al twee weken niet in zijn woning verblijft. Bij brief van 8 mei 2015 heeft het college appellant uitgenodigd voor een gesprek op 13 mei 2015. Appellant is daarbij verzocht een aantal in die brief nader genoemde stukken, waaronder bankafschriften, mee te nemen. Op 13 mei 2015 is appellant, wederom zonder bericht van verhindering, niet verschenen.

1.3.

Bij besluit van 13 mei 2015 heeft het college met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de PW het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 mei 2015 opgeschort. Daarbij heeft het college appellant uitgenodigd voor een gesprek op 18 mei 2015 en nogmaals verzocht de gevraagde stukken, waaronder bankafschriften, mee te nemen. Voorts heeft het college appellant meegedeeld dat de bijstand zal worden ingetrokken indien hij aan deze uitnodiging geen gevolg geeft. Op 18 mei 2015 is appellant zonder bericht van verhindering niet verschenen. Appellant heeft tegen het opschortingsbesluit geen rechtsmiddel aangewend.

1.4.

Bij besluit van 19 mei 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 juli 2015 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW met ingang van 1 mei 2015 ingetrokken, omdat appellant zonder bericht van verhindering geen gehoor heeft gegeven aan de oproep voor een gesprek op 18 mei 2015.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat hem niet kan worden verweten dat hij niet op de afspraken is verschenen, omdat hij daartoe vanwege medische klachten niet in staat is geweest. Appellant heeft COPD en staat al langere tijd onder psychische druk. De lichamelijke en psychische klachten van appellant waren van dien aard dat hij niet in staat was op de afspraken te verschijnen of te reageren op de brieven van het college. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft appellant een huisartsenjournaal van 25 januari 2016 en een medicatieoverzicht van

26 januari 2016 overgelegd en gewezen op de in beroep ingebrachte brief van zijn huisarts van 22 juli 2015.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Nu appellant geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen het opschortingsbesluit, ligt uitsluitend ter beoordeling voor of de intrekking van de bijstand met ingang van 1 mei 2015 op grond van artikel 54, vierde lid, van de PW in rechte stand kan houden. Het geschil tussen partijen ziet op de vraag of het niet alsnog binnen de gegeven hersteltermijn voldoen aan de oproep om op 18 mei 2015 op gesprek te verschijnen, appellant verweten kan worden.

4.2.

In reactie op de door appellant in beroep en hoger beroep overgelegde stukken heeft het college rapporten van drs. P.F.J. Donderwinkel, arts, van 22 januari 2016 en 6 juni 2016 ingebracht. In deze rapporten concludeert Donderwinkel dat uit de door appellant overgelegde informatie, voor zover van belang, blijkt dat appellant met medicatie wordt behandeld voor COPD Gold2 en dat hij in oktober 2014 de huisarts heeft bezocht met klachten die kunnen passen bij een longinfectie. COPD kan gepaard gaan met terugkerende longinfecties. Tijdens zo’n longinfectie is bellen om een afspraak af te zeggen fysiek wel mogelijk. De aard van de klachten in oktober 2014 past bij herstel binnen een week. Verder blijkt niet dat er ernstige longklachten aanwezig zijn. Ook is bij appellant sprake van milde psychische klachten als gevolg van psychosociale problemen. De aard en ernst van deze klachten vormden geen noodzaak voor verwijzing naar praktijkondersteuner GGZ of psycholoog en appellant gebruikt voor de psychische klachten geen medicatie. Uit deze stukken kan volgens Donderwinkel niet worden afgeleid dat appellant niet in staat was om op het gesprek van

18 mei 2015 te verschijnen of deze afspraak tijdig af te zeggen. Er zijn geen aanknopingspunten om de inzichtelijk gemotiveerde conclusies van Donderwinkel voor onjuist te houden. Bovendien is appellant er in het besluit van 13 mei 2015 uitdrukkelijk op gewezen dat indien hij zonder bericht niet op het gesprek van 18 mei verschijnt, zijn uitkering kan worden ingetrokken. De stelling van appellant dat hem niet verweten kan worden dat hij het verzuim niet heeft hersteld omdat hij niet op het gesprek op 18 mei 2015 is verschenen, slaagt dan ook niet.

4.3.

Hiermee is gegeven dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW is voldaan. Het college was daarom bevoegd de bijstand van appellant met ingang van de opschortingsdatum van 1 mei 2015 in te trekken.

4.4.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2017.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) L.L. van den IJssel

HD