Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1434

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-03-2017
Datum publicatie
18-04-2017
Zaaknummer
14/5301 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WIA-uitkering terecht geweigerd. Geen privaatrechtelijke dienstbetrekking. Niet verplicht verzekerd. Uit de door appellant overgelegde zorgovereenkomst blijkt dat hij en zijn echtgenote hun overeenkomst hebben benoemd als een overeenkomst van opdracht. Aan echtgenote was een pgb toegekend. Uit wat de Raad bekend is geworden over de invulling van de werkzaamheden die appellant voor zijn echtgenote heeft verricht, kan niet worden afgeleid dat de overeenkomst van opdracht daarvoor niet de basis is geweest. Geen sprake van vrijwillige verzekering. Geen sprake van uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen door het Uwv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5301 WIA

Datum uitspraak: 24 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

14 augustus 2014, 14/909 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2015. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.H. Bos.

Het onderzoek is heropend na de zitting.

Appellant is in de gelegenheid nadere stukken in te dienen, van welke gelegenheid appellant gebruik heeft gemaakt.

Het Uwv heeft op deze stukken gereageerd.

Bij brief van 15 september 2016 heeft de Raad appellant om een reactie gevraagd.

Bij brief van 26 september 2016 heeft appellant zijn reactie aan de Raad gezonden.

Op deze reactie heeft het Uwv bij brief van 15 november 2016 gereageerd, waarop appellant bij brief van 21 november 2016 heeft gereageerd.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Aan de echtgenote van appellant, [naam echtgenote] (echtgenote) is een persoonsgebonden budget (PGB) toegekend voor de periode van 19 juni 2008 tot en met

16 december 2009. Appellant heeft tot haar overlijden in augustus 2009 voor zijn echtgenote gezorgd op grond van een tussen de echtgenote als budgethouder/opdrachtgever en appellant als zorgverlener/opdrachtnemer op 19 juni 2008 ondertekende “Zorgovereenkomst met een partner of inwonend familielid”.

1.2.

In de periode van 1 december 2008 tot 1 augustus 2011 was appellant vrijwillig verzekerd voor de Ziektewet (ZW) en de Werkloosheidswet (WW).

1.3.

Op 4 augustus 2009 heeft appellant zich ziekgemeld.

1.4.

Bij besluit van 17 mei 2011 heeft het Uwv de aanvraag van appellant om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) afgewezen, omdat hij op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag, 4 augustus 2009, niet verzekerd was voor

de Wet WIA.

1.5.

Op 5 april 2012 heeft appellant zich opnieuw ziekgemeld.

1.6.

Appellant heeft op 6 januari 2014 wederom een aanvraag gedaan om een uitkering op grond van de Wet WIA.

1.7.

Bij besluit van 3 februari 2014 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen. Volgens het Uwv was appellant op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag, 5 april 2012, niet verzekerd voor de Wet WIA.

1.8.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 3 februari 2014. Hij heeft aangevoerd dat hij voorafgaand aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag een uitkering op grond van de WW had. Vanuit deze uitkeringssituatie heeft hij een uitkering op grond van de ZW ontvangen. Appellant heeft verder gesteld dat hij toentertijd telefonisch informatie bij het Klant Contact Centrum (KCC) van het Uwv heeft ingewonnen “hoe het middels de WW geregeld is met betrekking tot de WIA”. Het antwoord van de betreffende medewerker van het KCC – een naam weet appellant niet meer – was “dat er op de bruto WW-uitkering diverse inhoudingen zijn als ook voor een eventuele WIA”.

1.9.

Bij beslissing op bezwaar van 12 februari 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 februari 2014 ongegrond verklaard. Daartoe heeft het Uwv het volgende overwogen:

“Om in aanmerking te komen voor een WIA-uitkering dient u allereerst verzekerd te zijn. Volgens artikel 16 van de wet WIA behoren tot de kring van verzekerden de op grond van artikel 7 WIA verplicht verzekerde personen namelijk de werknemers in de zin van de Ziektewet (artikel 8 WIA en artikel 3 ZW t/m artikel 8c ZW) en de eveneens verzekerde personen die zich vrijwillig verzekerd hebben op grond van paragraaf 2 (artikel 18 WIA tot en met artikel 22).

Centraal staat de vraag of u op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag zijnde 5 april 2012 werknemer bent of vrijwillig verzekerd bent voor de WIA.

U voert telefonisch aanvullend aan dat u in 2012 gebeld heeft met het UWV en dat er toen gezegd is dat u vanuit de WW verzekerd bent voor de WIA. Ook worden er op de uitkering werknemerspremies ingehouden, dus bent u verzekerd voor de WIA.

Wij hebben in de telefoonnotities van 2012 geen aantekening gevonden, dat er ondubbelzinnig door het UWV is toegezegd, dat u verzekerd zou zijn voor de WIA. Tevens hebben wij de uitkeringsspecificaties bekeken en wij hebben geen inhouding van werknemerspremies kunnen constateren.

U heeft vanaf 1 augustus 2011 een WW-uitkering en vanuit deze uitkering meldt u zich ingaande 5 april 2012 ziek. Volgens de afdeling Vrijwillige Verzekeringen was u bij UWV verzekerd voor de vrijwillige ZW- en WW-verzekering vanaf

11 december 2008 tot en met 1 augustus 2011. Daarna is de vrijwillige verzekering op uw verzoek beëindigd. Dit betekent dat nu er geen sprake is van een dienstbetrekking of een gelijkgestelde arbeidsverhouding en u ook niet vrijwillig verzekerd bent voor de WIA, gesteld kan worden dat u op en na 5 april 2012 niet behoort tot de kring van verzekerden voor de WIA. U heeft dan ook na een wachttijd van twee jaren geen recht op een WIA-uitkering, omdat u niet verzekerd bent.”

2.1.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. In beroep is door hem naar voren gebracht dat door het Uwv in het verleden het vertrouwen is gewekt dat appellant uit hoofde van het recht op een WW-uitkering werknemer in de zin van de Wet WIA was. Dat vertrouwen is voor appellant gedragsbepalend geweest. Volgens appellant is in 2012 in een telefonisch contact door een medewerker van het Uwv gezegd dat op de bruto WW-uitkering ook een bedrag voor de Wet WIA werd ingehouden. Appellant ging er dus van uit dat hij ook voor de Wet WIA verzekerd was en dat hij daarom in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet WIA.

2.2.

Het Uwv heeft in verweer aangevoerd dat appellant op 5 april 2012 geen werknemer in de zin van de Wet WIA en dus niet verplicht verzekerd was. Evenmin was sprake van een vrijwillige verzekering. Het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel kan volgens het Uwv niet slagen nu niet is gebleken van een ondubbelzinnige schriftelijke mededeling dat appellant wel verzekerd zou zijn voor de Wet WIA. Het Uwv heeft gewezen op telefoonnotities van het KCC van 2012 waarin geen aantekening van een dergelijke toezegging is gevonden. Het Uwv heeft ook de betalingsspecificaties van de WW-uitkering bezien en geen inhouding van werknemerspremies kunnen constateren.

2.3.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Na een weergave van het wettelijk kader heeft de rechtbank daartoe het volgende overwogen, waarbij appellant is aangeduid als eiser en het Uwv als verweerder:

“3.5 Tussen partijen is niet in geschil dat eiser niet vrijwillig verzekerd is op grond van de Wet WIA.

3.6.

De rechtbank is van oordeel dat eiser op de datum van de ziekmelding, te weten 5 april 2012, niet kan worden aangemerkt als werknemer in de zin van de Wet WIA. Daartoe overweegt de rechtbank dat eiser op voornoemde datum een WW-uitkering op grond van een vrijwillige verzekering ontving en derhalve niet valt onder het werknemersbegrip als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet WIA.

3.7.

Ten aanzien van eisers stelling dat door verweerder het vertrouwen is gewekt dat eiser uit hoofde van het recht op een WW-uitkering werknemer in de zin van de WIA was, oordeelt de rechtbank als volgt. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2012:BW3701) alleen slagen als van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijk toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan geen sprake. Uit de gedingstukken is immers niet gebleken van een dergelijke toezegging van de kant van verweerder. Voorts is uit betaalspecificaties van de WW-uitkering gebleken dat op de uitkering geen premie voor de WIA werd ingehouden. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt.

3.8.

Nu eiser per datum ziekmelding niet verzekerd was voor de Wet WIA en hiervoor evenmin vrijwillig verzekerd was, komt eiser niet in aanmerking voor een WIA-uitkering. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank de aanvraag van eiser van een uitkering op grond van de Wet WIA dan ook terecht afgewezen.”

3.1.

Appellant heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld. Daarin heeft appellant opnieuw naar voren gebracht dat hij op 1 augustus 2011 telefonisch contact heeft gehad met de afdeling vrijwillige verzekeringen van het Uwv. Op de vraag van appellant of het nog steeds nodig was dat hij premies betaalde voor de WW en de ZW, kreeg hij toen als antwoord dat bij de uitkering die appellant op dat moment ontving de afdracht voor de vrijwillige verzekering door het Uwv werd overgenomen. Daarop heeft appellant de vrijwillige verzekeringen voor de WW en de ZW beëindigd. Verder heeft appellant aangevoerd dat hij op 20 november 2012 nogmaals met de afdeling vrijwillige verzekeringen van het Uwv heeft gebeld. De heer Wildeboer heeft hem toen meegedeeld dat er rechten zijn voor zowel de WW, ZW als ook de Wet WIA. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant kopieën van de jaaropgave 2013 en betaalspecificaties van de ZW-uitkering over periode van 17 december 2012 tot en met 30 december 2012 en de periode van

31 december 2012 tot en met 6 januari 2013 overgelegd. Daaruit komt naar voren dat het Uwv de werkgeversheffing voor de Zorgverzekeringswet (Zvw) betaalt.

3.2.

Het Uwv heeft zijn standpunt gehandhaafd dat op juiste gronden is besloten dat appellant ter zake van de op 5 april 2012 ingetreden arbeidsongeschiktheid geen uitkering op grond van de Wet WIA kan krijgen. Appellant was geen werknemer in de zin van de ZW en de Wet WIA en dus niet verplicht verzekerd voor de Wet WIA. Van een vrijwillige verzekering voor de Wet WIA was evenmin sprake. Toen appellant zich ziek meldde, ontving hij een WW-uitkering op grond van een vrijwillige verzekering. Daarmee valt hij niet onder het begrip werknemer als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet WIA. Het Uwv heeft ook zijn standpunt gehandhaafd dat niet is gebleken van een ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging van zijn kant dat appellant wel verzekerd zou zijn voor de Wet WIA, zodat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Ten slotte blijkt volgens het Uwv uit de door appellant ingediende specificaties juist dat op zijn uitkering naast de loonheffing geen premies werknemersverzekeringen zijn ingehouden. De genoemde premie valt onder de werkgeverslasten en de premie Zvw staat geheel los van de premies voor de ZW, WW en

Wet WIA.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij voor het wettelijk kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

4.1.1.

Naar aanleiding van het onderzoek ter zitting heeft de Raad zich allereerst gebogen over het antwoord op de vraag of het Uwv kan worden gevolgd in zijn standpunt dat appellant ten tijde hier van belang niet verplicht verzekerd was voor de Wet WIA. Daarover wordt het volgende overwogen.

4.1.2.

Voor verplichte verzekering op grond van de Wet WIA is nodig dat appellant in een privaatrechtelijke dienstbetrekking werkzaam is geweest. Uit de in hoger beroep door appellant overgelegde zorgovereenkomst van 19 juni 2008 blijkt dat hij en zijn echtgenote hun overeenkomst hebben benoemd als een overeenkomst van opdracht. Uit vaste rechtspraak (ECLI:NL:HR:2011:BP3887 en ECLI:NL:CRVB:2015:1649) volgt weliswaar dat de kwalificatie die partijen bij een overeenkomst zelf aan hun rechtsverhouding hebben gegeven niet doorslaggevend is, maar niet dat die kwalificatie in het geheel geen rol speelt. Op appellant als aanvrager van een WIA-uitkering rust de last om aannemelijk te maken dat hij recht op uitkering heeft. Dit betekent, voor zover het gaat om het ontlenen van recht op WIA-uitkering aan de verplichte verzekering, dat hij aannemelijk moet maken dat hij de werkzaamheden voor zijn echtgenote heeft verricht op grond van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Aan het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking hoeft de relatie van appellant tot zijn echtgenote niet in de weg te hebben gestaan (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2016:1759). Het is wel aan appellant om met gegevens die blijk geven van door zijn echtgenote over hem uitgeoefend gezag buiten twijfel te stellen dat hij zijn werkzaamheden voor haar heeft verricht uit hoofde van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en niet uit hoofde van de op schrift gestelde overeenkomst van opdracht.

4.1.3.

Duidelijke aanknopingspunten of aanwijzingen om niettegenstaande de destijds door appellant en zijn echtgenote gemaakte keuze voor het aangaan van een overeenkomst tot opdracht toch een privaatrechtelijke dienstbetrekking aan te nemen zijn door appellant niet naar voren gebracht. Appellant heeft in het geheel geen feiten gesteld die wijzen op een gezagsverhouding. Uit wat de Raad bekend is geworden over de invulling van de werkzaamheden die appellant voor zijn echtgenote heeft verricht, kan niet worden afgeleid dat de overeenkomst van opdracht daarvoor niet de basis is geweest. Daarom kan het standpunt van het Uwv dat appellant voorafgaande aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag,

4 augustus 2009, werkzaam was op basis van een overeenkomst van opdracht en dus niet verplicht verzekerd is geweest op grond van de Wet WIA niet voor onjuist worden gehouden. De hiervoor onder 4.1.1 gestelde vraag wordt dus bevestigend beantwoord.

4.2.

Tussen appellant en het Uwv is (niet langer) in geschil dat appellant geen recht op WIA-uitkering kan ontlenen aan een vrijwillige verzekering op grond van de Wet WIA.

4.3.1.

Vervolgens ligt de vraag ter beantwoording voor of appellant zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij in aanmerking moet komen voor een uitkering op grond van de Wet WIA op grond van daartoe door een medewerker van het Uwv in mondelinge contacten met appellant gewekt vertrouwen.

4.3.2.

In dit beroep op het vertrouwensbeginsel wordt appellant niet gevolgd. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat een beroep op het vertrouwensbeginsel volgens vaste rechtspraak alleen kan slagen als van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt dat hij ten tijde hier van belang verplicht verzekerd was voor de Wet WIA. Aan deze eisen wordt in dit geval niet voldaan. De daarover door de rechtbank gegeven, onder 2.3 weergegeven (in rechtsoverweging 3.7 van de aangevallen uitspraak), motivering wordt onderschreven. Ook in de in hoger beroep door appellant ingediende nadere stukken kunnen geen aanknopingspunten worden gevonden voor het standpunt van appellant dat het Uwv jegens hem het vertrouwensbeginsel heeft geschonden.

4.3.3.

Uit 4.1.1 tot en met 4.3.2 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en M. Greebe en H. van Leeuwen als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2017.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) P. Boer

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

RB