Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1415

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-03-2017
Datum publicatie
14-04-2017
Zaaknummer
14/1383 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening studiefinanciering naar norm thuiswonende studerende. Boete. Bevindingen van onderzoek dat (mede) is verricht door een onbevoegde controleur zijn als bewijs ontoelaatbaar. Aangezien zonder de bevindingen van het onderzoek niet een voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van de minister dat appellante niet woonde op het adres waaronder zij in de gba stond ingeschreven, berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1383 WSF

Datum uitspraak: 31 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 januari 2014, 13/6318 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.G.P. Glas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2016. Appellante is vertegenwoordigd door mr. Glas. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. E.H.A. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1.

De minister heeft, voor zover hier van belang, appellante met ingang van

1 september 2012 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende.

1.2.

Op 14 januari 2013 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellante. Daartoe is een huisbezoek afgelegd op het adres waaronder appellante op dat moment in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (gba) stond ingeschreven om te controleren of zij op dat adres woonde. Van het onderzoek is op 15 januari 2013 een rapport opgemaakt.

1.3.

Bij besluit van 2 maart 2013 heeft de minister, op basis van dat rapport, de aan appellante toegekende studiefinanciering herzien, in die zin dat zij vanaf 1 september 2012 is aangemerkt als thuiswonende studerende.

1.4.

Bij besluit van 1 juli 2013 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 maart 2013 ongegrond verklaard. Bij dit besluit is tevens beslist omtrent de bezwaren van appellante tegen een opgelegde boete.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit, gericht tegen de herziening, ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. De gemachtigde van appellante heeft ter zitting verklaard dat de boete geen rol speelt in deze procedure.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Ingevolge artikel 9.1a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsf 2000 zijn met het toezicht op de naleving van artikel 1.5 van de Wsf 2000 belast de bij besluit van de minister aangewezen ambtenaren of andere personen. Bij besluit van 19 april 2012, nr. HO&S/399254, zijn voor dit toezicht aangewezen – onder meer – personen werkzaam bij

[naam B.V.] B.V.

4.2.

In zijn uitspraak van 4 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2, heeft de Raad geoordeeld dat onder deze aanwijzing niet ook personen vallen die werkzaam zijn bij de werkmaatschappijen van [naam B.V.] B.V.

4.3.

Het onder 1.2 vermelde onderzoek is verricht door [controleur 1] en [controleur 2]. Het is de Raad ambtshalve bekend dat deze controleurs ten tijde van het onderzoek niet werkzaam waren bij [naam B.V.] B.V., maar bij een van haar werkmaatschappijen, zodat zij niet voor het toezicht bedoeld in artikel 1.5 van de Wsf 2000 waren aangewezen.

4.4.

Nu genoemde controleurs niet bevoegd waren tot het houden van dat toezicht, is het door hen bij het onderzoek verzamelde bewijs onrechtmatig verkregen en moet dat bewijs, zoals ook volgt uit de onder 4.2 genoemde uitspraak, worden uitgesloten.

4.5.

Aangezien zonder de bevindingen van het onderzoek niet een voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van de minister dat appellante niet woonde op het adres waaronder zij in de gba stond ingeschreven, berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering.

4.6.

Nu de rechtbank het motiveringsgebrek niet heeft onderkend, komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit, gericht tegen de herziening, gegrond verklaren en dat besluit in zoverre vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb het besluit van 2 maart 2013 te herroepen, nu daaraan hetzelfde gebrek kleeft en, gelet op het tijdsverloop, niet aannemelijk is dat dit gebrek kan worden hersteld.

5. Aanleiding bestaat de minister te veroordelen in de (proces)kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 990,- in bezwaar, op € 990,- in beroep en op € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.970,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 1 juli 2013, voor zover dit ziet op de herziening;

- herroept het besluit van 2 maart 2013 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats

treedt van het vernietigde deel van het besluit van 1 juli 2013;

- veroordeelt de minister in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.970,-;

- bepaalt dat de minister aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 166,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2017.

(getekend) J. Brand

(getekend) S.W. Munneke

RB