Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:141

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-01-2017
Datum publicatie
19-01-2017
Zaaknummer
15/7690 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing herziening AOW-pensioen. Gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 7690 AOW

Datum uitspraak: 17 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

6 november 2015, 15/2218 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2016. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J. Oudenes. Betrokkene is in persoon verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene, geboren op [datum] 1947, heeft op 6 mei 2012 een aanvraag ingediend om een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Op het aanvraagformulier heeft hij aangekruist dat hij ongehuwd is en met zijn partner [naam M] (M), geboren op [datum] 1970, en haar zoon samenwoont Als zijn adres heeft hij vermeld [adres 1] te [woonplaats] (adres 1), met de aantekening dat dat huis te koop staat en dat correspondentie moet worden gestuurd naar de [adres 2] te [woonplaats] (adres 2). Bij besluit van 6 juni 2012 heeft appellant aan betrokkene met ingang van [datum] 2012 een AOW-pensioen voor gehuwden toegekend met een toeslag voor M. Betrokkene ontvangt niet de maximale toeslag omdat M inkomsten heeft en omdat zij 56% van het maximale AOW-pensioen heeft opgebouwd. Hierdoor komt de toeslag uit op € 15,02 bruto per maand. Tegen deze toekenning heeft betrokkene geen bezwaar gemaakt en beroep ingesteld.

1.2.

Bij brief van 25 augustus 2012 heeft betrokkene aan appellant verzocht om hem als alleenstaande te beschouwen. Betrokkene heeft bij zijn brief uittreksels uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (thans: basisregistratie personen) gevoegd waaruit blijkt dat hij op adres 1 staat ingeschreven en M op adres 2. Hij heeft er daarbij op gewezen dat hij bij toekenning van een AOW-ongehuwdenpensioen in plaats van een gehuwdenpensioen met een (gekorte) toeslag een hoger pensioenbedrag zou ontvangen. Naar aanleiding van dit verzoek heeft appellant een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van betrokkene en in dat kader een huisbezoek afgelegd op adres 2. Uit dit onderzoek is appellant gebleken dat betrokkene en M beiden hun hoofdverblijf hebben op adres 2 en dat zij een gezamenlijke huishouding voeren. Bij besluit van 17 oktober 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 maart 2013, heeft appellant het verzoek om betrokkene een AOW-pensioen voor gehuwden toe te kennen afgewezen. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 1 maart 2013 ongegrond verklaard bij uitspraak van 1 november 2013 (registratienummer 13/2041). Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat betrokkene niet heeft aangetoond dat sprake is van een wijziging in de omstandigheden, in die zin dat hij voldoet aan de vereisten om in aanmerking te komen voor een ongehuwdenpensioen. Betrokkene heeft tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld.

1.3.

Bij brief van 11 januari 2015 heeft betrokkene appellant wederom verzocht zijn

AOW-pensioen te herzien. Hij heeft daarbij meegedeeld dat in zijn situatie, alhoewel al eerder, in elk geval per 1 januari 2015 verandering is gekomen in die zin dat hij sinds die datum alleenstaande is. M was aanvankelijk al in december uit de woning aan adres 2 vertrokken, maar op verzoek van de gemeente en maatschappelijk werksters mag zij door middel van een huurcontract nog maximaal zes maanden een gedeelte van de woning op

adres 2 bewonen. Zij komt in aanmerking voor een urgentieverklaring en verwacht binnen zes maanden een eigen woning te krijgen.

1.4.

Bij besluit van 9 februari 2015 heeft appellant het verzoek van betrokkene om zijn

AOW-pensioen voor gehuwden om te zetten in een AOW-pensioen voor een alleenstaande afgewezen. Hierbij heeft appellant vermeld dat betrokkene geen recht heeft op een

AOW-pensioen voor een alleenstaande zolang hij en M op hetzelfde adres wonen.

1.5.

Betrokkene heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft daarbij het volgende aangevoerd. Hij heeft sinds 2010 geen relatie meer met M. Hij heeft op adres 1 gewoond maar de woning op adres 1 heeft hij mede op advies van de gemeente verhuurd. De gemeente heeft hem ambtshalve naar adres 2 overgeschreven. Hij verblijft veel in het buitenland. Hij heeft de situatie dat M op adres 2 is blijven wonen maar even zo gelaten in de hoop dat M spoedig zelf woonruimte zou krijgen. M moest per 1 december 2014 adres 2 verlaten en heeft tijdelijk bij een vriendin in [plaatsnaam] verbleven. De gemeente heeft hem verzocht om M nog even met een tijdelijk huurcontract op adres 2 onderdak te bieden tot zij een andere woning zou hebben gevonden.

1.6.

Bij besluit van 8 mei 2015 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 9 februari 2015 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. De rechtbank heeft het verzoek van betrokkene van

11 januari 2015 aangemerkt als een verzoek om herziening als bedoeld in artikel 17 van de AOW. Bij een dergelijk verzoek ligt het op de weg van betrokkene om aan te tonen dat sprake is van een wijziging in de omstandigheden, in die zin dat hij nu wel voldoet aan de vereisten om in aanmerking te komen voor een pensioen voor een alleenstaande. De rechtbank heeft geoordeeld dat uit de situatie vanaf 1 januari 2015 zoals betrokkene deze heeft geschetst en met stukken heeft getracht te onderbouwen, niet zonder meer volgt dat hij vanaf 1 januari 2015 niet in aanmerking komt voor een AOW-ongehuwdenpensioen. Appellant had dit volgens de rechtbank nader moeten onderzoeken, bijvoorbeeld door het opnieuw afleggen van een huisbezoek. De rechtbank heeft hierbij van belang geacht dat M in december 2014

- weliswaar tijdelijk - is vertrokken van adres 2 en dat de gemeente aan haar een urgentieverklaring had verleend. Ook heeft de rechtbank van belang geacht dat appellant

- zoals ter zitting van de rechtbank is verklaard - aan betrokkene met ingang van 22 mei 2015 een AOW-pensioen voor een alleenstaande heeft toegekend omdat M met ingang van die datum een andere woning heeft gekregen.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de AOW, voor zover hier van belang, herziet appellant het ouderdomspensioen wanneer degene, aan wie eerder een ouderdomspensioen is toegekend, voor een hoger of een lager ouderdomspensioen in aanmerking komt. In artikel 17, derde lid, van de AOW is, voor zover hier van belang, bepaald dat de herziening van het ouderdomspensioen, welke voortvloeit uit een wijziging van de omstandigheden en welke een verhoging van dit ouderdomspensioen tot gevolg heeft, ingaat op de eerste dag van de maand waarin de wijziging van die omstandigheden heeft plaatsgevonden.

4.2.

Volgens betrokkene is met ingang van 1 januari 2015 sprake van een wijziging van omstandigheden waardoor met ingang van die datum zijn AOW-gehuwdenpensioen met toeslag naar het - in zijn geval hogere - ongehuwdenpensioen moet worden herzien. Betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat in elk geval vanaf 1 januari 2015 niet langer sprake is van een gezamenlijke huishouding met M.

4.3.

In artikel 1, vierde lid, van de AOW is bepaald dat sprake is van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben (gezamenlijk hoofdverblijf) en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins (wederzijdse zorg). In het geval twee personen gezamenlijk hoofdverblijf hebben op hetzelfde adres wordt ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de AOW in een aantal situaties aangenomen dat die personen een gezamenlijke huishouding voeren, enkel op de grond dat zij gezamenlijk hoofdverblijf hebben op hetzelfde adres. Dit wordt ook wel het onweerlegbaar rechtsvermoeden genoemd. Het onweerlegbaar rechtsvermoeden is onder meer van toepassing als de betrokkenen eerder voor de toepassing van de AOW met gehuwden zijn gelijkgesteld. Dit is hier het geval. Betrokkene en M zijn immers vanaf [datum] 2012, vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding, gelijk gesteld met gehuwden. Hieruit volgt dat betrokkene, om voor herziening van zijn AOW-pensioen in aanmerking te komen, aannemelijk moet maken dat vanaf

1 januari 2015 niet langer sprake is van een gezamenlijk hoofdverblijf op hetzelfde adres. Betrokkene is daarin niet geslaagd.

4.4.

Appellant heeft aangevoerd dat op grond van de beschikbare stukken ondubbelzinnig kon worden vastgesteld dat betrokkene en M op 1 januari 2015 hun gezamenlijk hoofdverblijf hadden op adres 2. Voor het instellen van een nader onderzoek bestond derhalve geen aanleiding. Het feit dat M op 1 december 2014 tijdelijk was vertrokken van dat adres is in dit verband niet van belang. Op 1 januari 2015 was zij daar immers weer teruggekeerd. Dat zij zich vervolgens heeft ingespannen om aan andere woonruimte te komen en dat haar met ingang van 20 januari 2015 een urgentieklaring is verstrekt, is evenmin van belang. Dit doet immers niet af aan de feitelijke situatie zoals die op 1 januari 2015 bestond, namelijk dat zij op die datum nog steeds haar hoofdverblijf had op adres 2.

4.5.

Deze beroepsgrond slaagt. Vaststaat dat M op 1 januari 2015 op adres 2 woonde en dat zij pas op 22 mei 2015 van dat adres is vertrokken. Het feit dat zij in december 2014 enige weken bij een vriendin in [plaatsnaam] heeft verbleven is in dit verband, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet van betekenis. Aan dit verblijf in [plaatsnaam] was op

1 januari 2015 een einde gekomen. De omstandigheid dat aan M met ingang van 20 januari 2015 een urgentieverklaring is verleend leidt, eveneens anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet tot de conclusie dat zij op 1 januari 2015 adres 2 reeds had verlaten. Voorts is appellant er terecht vanuit gegaan dat op 1 januari 2015 ook betrokkene zijn hoofdverblijf had op adres 2. Hij heeft desgevraagd ter zitting van de Raad verklaard dat hij daar op 1 januari 2015 feitelijk woonde en niet - zoals hij eerder had verklaard - op adres 1. De woning op adres 1 stond volgens betrokkene in januari 2015 leeg. Op 1 januari 2015 hadden betrokkene en M beiden hoofdverblijf op hetzelfde adres. Appellant heeft dan ook vanwege het onder 4.3 bedoelde onweerlegbaar rechtsvermoeden, op goede gronden een gezamenlijke huishouding aangenomen. Anders dan betrokkene meent, is de reden waarom M nog op adres 2 woonde in dit verband niet van betekenis, omdat, zoals hiervoor is besproken, enkel het feitelijke gezamenlijke hoofdverblijf bepalend is voor de vaststelling dat een gezamenlijke huishouding aanwezig is.

4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt. Hieruit vloeit voort dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren. Dit heeft tot gevolg dat de afwijzing om het AOW-pensioen van betrokkene per

1 januari 2015 te herzien in stand blijft.

5. Betrokkene heeft verzocht om appellant te veroordelen in de door hem gemaakte proceskosten, waaronder de reiskosten voor het bijwonen van de zitting. Nu appellant in het gelijk is gesteld, bestaat voor een veroordeling in de proceskosten van betrokkene geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep van betrokkene tegen het besluit van 8 mei 2015 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en E.C.R. Schut en F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2017.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) M.S. Spek

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD