Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1401

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-03-2017
Datum publicatie
13-04-2017
Zaaknummer
15/5852 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Minder dan 35% arbeidsongeschikt. Zorgvuldig medisch onderzoek. Juistheid FML. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gerapporteerd dat veel zaken toegeschreven worden aan het ongeval, maar dat uit gesprekvoering met appellant blijkt dat een en ander multifactorieel is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat geen sprake is van een full-blown depressief toestandsbeeld en dat er geen ernstige beperkingen van de nekfunctie zijn. Appellant voldoet verder niet aan de criteria om geen benutbare mogelijkheden aan te nemen. Er zijn geen aanknopingspunten om deze naar behoren gemotiveerde beschouwingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist te achten. Appellant heeft zijn standpunt dat hij meer beperkt is ook in hoger beroep niet onderbouwd met nieuwe medische stukken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0418
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5852 WIA

Datum uitspraak: 31 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

16 juli 2015, 15/369 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats], Duitsland (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Vurdelja, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2017. Namens appellant is

mr. S.B. Epozdemir verschenen, kantoorgenoot van mr. Vurdelja. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als pijpfitter. Hij heeft zich op 6 augustus 2012 voor deze werkzaamheden ziek gemeld vanwege rug- en nekklachten als gevolg van een

auto-ongeval op 2 augustus 2012. Appellant heeft daarnaast psychische klachten gekregen. Op 28 april 2014 heeft appellant een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd.

1.2.

Bij besluit van 25 juni 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant, gegeven de uitkomsten van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, met ingang van

4 augustus 2014 geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA is ontstaan, omdat hij met ingang van deze datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De verzekeringsarts heeft op basis van eigen onderzoek en weging van voorhanden zijnde informatie van de behandelaars van appellant vastgesteld dat appellant mentaal en fysiek verminderd belastbaar is. De verzekeringsarts heeft de beperkingen van appellant vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 5 juni 2014. De arbeidsdeskundige heeft het verlies aan verdiencapaciteit vastgesteld op 0,85%.

1.3.

In bezwaar heeft appellant, onder verwijzing naar informatie van zijn behandelaars in Duitsland, neuroloog/psychiater Z. Milosavljevic en internist V. Dudic, naar voren gebracht dat de verzekeringsarts in onvoldoende mate rekening heeft gehouden met zijn beperkingen. Appellant is gelet op deze beperkingen niet in staat te werken. Appellant heeft verder aangevoerd dat de verzekeringsarts, gegeven zijn oordeel dat appellant maar matig behandeld wordt door Milosavljevic, contact had moeten opnemen met deze arts alvorens een medisch oordeel te geven.

1.4.

Naar aanleiding van zijn bezwaar is appellant onderzocht door een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deze arts heeft op 19 november 2014 gerapporteerd dat hij de door de verzekeringsarts voor appellant vastgestelde beperkingen adequaat acht. In het geval van appellant is geen sprake van een situatie van geen benutbare mogelijkheden, omdat appellant niet voldoet aan de daarvoor geldende criteria en is er ook geen indicatie voor een urenbeperking. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op grond van een deels gewijzigde functieselectie vastgesteld dat appellant onveranderd minder dan 35% arbeidsongeschiktheid is. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 10 december 2014 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het medisch onderzoek zorgvuldig geacht. Daartoe heeft zij overwogen dat het medisch onderzoek gebaseerd is op dossieronderzoek, eigen onderzoek, wat ter hoorzitting is besproken en informatie van de behandelend sector. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat de verzekeringsartsen contact hadden moeten opnemen met zijn behandelaars in Duitsland. Onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 20 mei 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BI4863) heeft de rechtbank overwogen dat een verzekeringsarts in beginsel op zijn eigen oordeel mag afgaan en dat raadpleging van de behandelend sector pas noodzakelijk is indien een behandeling is ingezet of zal worden ingezet welk een beduidend effect zal hebben op de arbeidsmogelijkheden of indien de behandelend sector een beredeneerd afwijkend standpunt heeft over de beperkingen van betrokkene. Geen van deze situaties doet zich voor. De rechtbank heeft verder overwogen dat de door appellant ervaren miscommunicatie ter hoorzitting in verband met zijn slechthorendheid, wat daar verder van zij, niet de conclusie rechtvaardigt dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest. Zij heeft bij haar oordeel betrokken dat appellant in beroep de gelegenheid heeft gehad zich nader te verklaren. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien tot twijfel aan de juistheid van het medisch oordeel van de verzekeringsartsen. De medische informatie van de behandelend sector biedt geen aanknopingspunten voor het standpunt dat de beperkingen van appellant zijn onderschat. De rechtbank heeft tot slot overwogen dat de voor appellant geselecteerde functies in medisch opzicht passend zijn voor appellant.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant staande gehouden dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de verzekeringsartsen, gelet op de omstandigheid dat zij de door de neuroloog/psychiater ingezette behandeling onvoldoende adequaat achten, voor een volledig beeld van zijn medische situatie informatie hadden moeten inwinnen bij deze behandelaar.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft de gronden, die appellant in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht, afdoende besproken. De rechtbank heeft die gronden terecht verworpen. In navolging van de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanknopingspunten te vinden zijn voor het oordeel dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest of dat de medische beoordeling onjuist is geweest. De verzekeringsartsen hebben kennis genomen van de informatie van Milosavljevic van 31 mei 2013 en 29 oktober 2014, waarin is vermeld dat bij appellant sprake is van een PTTS en een langaanhoudende reactieve depressie na een

auto-ongeval. Ook hebben zij kennis genomen van de informatie van Dudic van 4 juni 2013 en 3 november 2014, waarin is beschreven dat bij appellant sprake is van spinaalkanaalstenose en foramenstenose, protrusie L5-S1 rechts en HNP C3-C4 en C5-C6. De verzekeringsartsen hebben op basis van deze bevindingen en hun eigen bevindingen bij lichamelijk onderzoek en onderzoek naar de psyche vastgesteld dat appellant verminderd belastbaar is. De verzekeringsartsen hebben de behandelend sector in grote lijnen gevolgd ten aanzien van de vastgestelde diagnoses en aandoeningen, maar niet in het standpunt dat appellant niet geschikt is om te werken. De omstandigheid dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de door Milosavljevic ingezette behandeling als medicaliserend en onvoldoende adequaat heeft geduid, doet niet aan af aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek of noodzaakte de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet nadere inlichtingen in te winnen bij Milosavljevic nu de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende geïnformeerd was over het medisch toestandsbeeld van appellant. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gerapporteerd dat veel zaken toegeschreven worden aan het ongeval, maar dat uit gesprekvoering met appellant blijkt dat een en ander multifactorieel is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat geen sprake is van een full-blown depressief toestandsbeeld en dat er geen ernstige beperkingen van de nekfunctie zijn. Appellant voldoet verder niet aan de criteria om geen benutbare mogelijkheden aan te nemen. Er zijn geen aanknopingspunten om deze naar behoren gemotiveerde beschouwingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist te achten. Appellant heeft zijn standpunt dat hij meer beperkt is ook in hoger beroep niet onderbouwd met nieuwe medische stukken.

4.2.

Uitgaande van de juistheid van de FML van 5 juni 2014, is de rechtbank terecht van oordeel dat de functies die door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van

9 december 2014 aan de schatting ten grondslag zijn gelegd in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.

4.3.

Uit wat onder 4.1 en 4.2 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van

L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

31 maart 2017.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) L.H.J. van Haarlem

KP