Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:14

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2017
Datum publicatie
06-01-2017
Zaaknummer
15/330 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekennen bijstand. Indien appellant IOAW-uitkering wenst, vereist dit een aparte aanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/330 WWB

Datum uitspraak: 3 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

5 december 2014, 13/3291 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Roermond (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en, op verzoek van de Raad, een nader stuk ingezonden.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 28 juni 2016. Partijen zijn niet verschenen, waarvan het college met bericht.

Kort voor het onderzoek ter zitting op 28 juni 2016 heeft appellant verzocht om wraking van de voorzitter en leden van de meervoudige kamer (behandelend rechters), welk verzoek de behandelend rechters pas na de behandeling ter zitting heeft bereikt. De Raad heeft bij uitspraak van 20 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2791, het verzoek om wraking niet in behandeling genomen en bepaald dat een volgend verzoek om wraking in deze zaak evenmin in behandeling wordt genomen.

De meervoudige kamer heeft het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 21 november 2016. Partijen zijn niet verschenen, waarvan het college met bericht.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Het college heeft appellant bij besluit van 25 januari 2013 met ingang van 15 november 2012 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB, thans: Participatiewet) toegekend naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Bij besluit van 20 september 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 25 januari 2013 gedeeltelijk gegrond verklaard en dit besluit herroepen voor zover dit de omvang van het vermogen van appellant betrof. Voor het overige heeft het college het besluit van 25 januari 2013 gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek van appellant om schadevergoeding afgewezen.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft verzocht om voeging van deze zaak met andere door hem genoemde zaken. Voor zover dit op dat moment bij de rechtbank aanhangige zaken betrof, is dit niet mogelijk. Voor de bij de Raad aanhangige zaken van appellant geldt dat voor voeging geen aanleiding is, aangezien de vereiste samenhang ontbreekt.

4.2.

Het hoger beroep richt zich tegen het besluit tot toekenning van bijstand. De Raad begrijpt de gronden van het hoger beroep aldus dat appellant verzoekt om vergoeding van schade die hij heeft geleden omdat het college hem niet de juiste uitkering heeft verstrekt.

4.3.

Voor vergoeding van schade is vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit.

4.4.

Appellant stelt dat hij recht had op een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IAOW). De toekenning van bijstand ingevolge de WWB in plaats van een IOAW-uitkering is volgens appellant onrechtmatig. Dit betoog slaagt niet. Uit de door het college ingezonden stukken blijkt dat appellant op 5 december 2012 bijstand op grond van de WWB heeft aangevraagd. Dit staat vermeld boven het inlichtingenformulier dat appellant heeft ingevuld en ondertekend. Het college heeft deze aanvraag dan ook niet anders hoeven opvatten dan als een aanvraag om

bijstand op grond van de WWB en terecht bijstand toegekend. Pas in bezwaar heeft appellant aangevoerd dat dit een IOAW-uitkering had moeten zijn. Indien appellant alsnog aanspraak wenste te maken op een IAOW-uitkering had hij een daartoe strekkende aanvraag moeten doen.

4.5.

Wat appellant in hoger beroep verder heeft aangevoerd, heeft geen betrekking op het besluit van 25 januari 2013, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit. Dit kan dus evenmin leiden tot het oordeel dat dit besluit onrechtmatig is.

4.6.

Uit 4.4 en 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

4.7.

Gelet op deze uitkomst is er geen ruimte voor veroordeling van het college tot vergoeding van schade, zodat het verzoek om schadevergoeding zal worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2017.

(getekend) Y.J. Klik

(getekend) M.S. Spek

HD