Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:138

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-01-2017
Datum publicatie
19-01-2017
Zaaknummer
13/5761 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een WIA-uitkering. Juiste rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/5761 WIA

Datum uitspraak: 6 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

18 september 2013, 13/3696 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T.H.M.M. Kusters, advocaat, hoger beroep ingesteld en een rapport van een registerarbeidsdeskundige ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 17 januari 2014 ingediend.

Desgevraagd heeft het Uwv een nader rapport van deze arbeidsdeskundige van 9 december 2014 aan de Raad gezonden. Appellante heeft hierop een reactie gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kusters. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

W.H.M. Visser. Het onderzoek is ter zitting geschorst.

Het Uwv heeft vervolgens in antwoord op een vraag van de Raad een rapport van de hiervoor genoemde arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 28 april 2015 aan de Raad gezonden. Appellante heeft daarop gereageerd.

Vervolgens heeft de Raad prof. dr. C.W.R.J. Cremers, KNO-arts, als deskundige benoemd en aan hem een vraagstelling voorgelegd. De deskundige heeft op 22 januari 2016 een schriftelijk verslag van zijn onderzoek aan de Raad uitgebracht.

Partijen hebben hierop beiden een reactie gegeven.

De enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

Op 4 november 2016 heeft het nadere onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kusters. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door Visser.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als administratief medewerkster. Zij is op 24 augustus 2010 uitgevallen als gevolg van psychische klachten.

1.2.

Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 11 juli 2012 vastgesteld dat voor appellante per 19 september 2012 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat zij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

1.3.

Bij besluit van 2 april 2013 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 juli 2012, onder verwijzing naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, en met wijziging van de datum per wanneer geen recht bestaat op een WIA-uitkering naar 23 augustus 2012, ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven en de aan appellante als passende arbeidsmogelijkheden voorgehouden functies voor haar geschikt geacht. Omdat het Uwv tijdens de beroepsprocedure de motivering van de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft aangevuld, heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in stand gelaten. Verder zijn bepalingen gegeven over de proceskosten en het griffierecht.

3.1.

Het hoger beroep is gericht tegen de instandlating van de rechtgevolgen van het vernietigde besluit. Daartoe heeft appellante aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met haar klachten en de beperkingen voor het verrichten van arbeid die zij daardoor ondervindt. Appellante heeft erop gewezen dat zij wegens haar psychische klachten slecht slaapt, dat zij daardoor vaak moe is en als gevolg daarvan niet in staat is hele dagen te werken. Verder stelt appellante dat de aan haar voorgehouden functies niet passend zijn. Zij heeft ter onderbouwing van dit standpunt een rapport van ing. R.B. van Vliet, registerarbeidsdeskundige, aan de Raad gezonden. Deze acht de geselecteerde functies ongeschikt voor appellante omdat het Uwv onvoldoende heeft aangetoond dat het in deze functies mogelijk is om te gaan liggen bij een aanval van duizeligheid. De functie Samensteller kunststof en rubberindustrie (SBC-code 271130) acht Van Vliet niet passend omdat appellante niet aan de opleidingseis voldoet.

3.2.

Het Uwv heeft de Raad, onder verwijzing naar een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, verzocht de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek. De verzekeringsartsen hebben kennis genomen van de beschikbare medische informatie en zij hebben appellante lichamelijk en psychisch onderzocht. Naar aanleiding van hun bevindingen hebben zij beperkingen aangenomen ten aanzien van fysieke en mentale belasting. Zowel in bezwaar als in beroep is de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) voorts aangepast in verband met klachten van appellante als gevolg van aanvallen van draaiduizeligheid. In hoger beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, naar aanleiding van het deskundigenrapport, de FML op 11 april 2016 nogmaals gewijzigd. Appellante heeft geen medische gegevens overgelegd op grond waarvan moet worden aangenomen dat de uiteindelijk vastgestelde beperkingen niet juist zijn. De conclusie betreffende de belastbaarheid van appellante wordt dan ook onderschreven.

4.2.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft desgevraagd naar aanleiding van het in 3.1 vermelde rapport, onder verwijzing naar aanvullende informatie van arbeidskundig analisten, gerapporteerd dat het opvangen en afwachten van een aanval van draaiduizeligheid in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies daadwerkelijk mogelijk is, omdat er voldoende ruimte is om op de werkplek een matje op de grond te leggen of een goed ondersteunende stoel te plaatsen.

4.3.

Om duidelijkheid te krijgen op de vraag of het voor appellante uit medisch oogpunt noodzakelijk is om bij een aanval van draaiduizeligheid een liggende houding aan te nemen, heeft de Raad een specifiek daarop betrekking hebbend advies gevraagd aan KNO-arts Cremers. Deze deskundige heeft als zijn conclusie te kennen gegeven dat het bij de wel eens optredende aanvallen met vegetatieve verschijnselen (misselijkheid) in combinatie met oorsuizen (vooral rechts) en drukgevoel op het rechteroor redelijk is te verlangen dat appellante daarvan in een liggende houding mag herstellen. Lichtere aanvallen kunnen volgens de deskundige in een goed ondersteunde zittende houding opgevangen worden.

4.4.

In reactie op het rapport van de deskundige heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de FML van 11 april 2016 een aanvullende beperking voor de woon-werkafstand opgenomen. Gelet op het risico dat een zware aanval zich onderweg voordoet, is de reistijd gesteld op maximaal 45 minuten. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens gerapporteerd dat de geduide functies nog steeds passend zijn omdat het herstel van een lichte aanval op de werkplek mogelijk is en dit, uitgaande van een productieverlies van twee uur per week, niet leidt tot overmatig ziekteverzuim. Bij een zware aanval kan appellante naar huis worden gebracht om daar te herstellen. Omdat zware aanvallen incidenteel voorkomen, is het verzuim te vergelijken met een gewone ziektedag. De Raad ziet geen aanleiding voor twijfel aan deze nadere, op het deskundigenrapport gebaseerde, medische en arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit. Van de zijde van appellante is ter voeding van die twijfel ook geen nadere onderbouwing ingebracht, berustend op medische gegevens afkomstig van de behandelend sector.

4.5.

Desgevraagd heeft de gemachtigde van het Uwv ter zitting verklaard dat de in de FML van 3 juli 2013 bij de beoordelingspunten 1.9.9 en 4.23 opgenomen beperkingen abusievelijk niet zijn opgenomen in de FML van 11 april 2016, omdat er op deze belastbaarheidsaspecten niets gewijzigd is. Toevoeging van deze twee beperkingen aan de FML leidt niet tot een andere arbeidskundige beoordeling. Appellante moet in staat worden geacht de werkzaamheden te verrichten die behoren bij de functies waarop de schatting berust. De stelling van appellante dat de functie Samensteller kunststof en rubberindustrie – gegeven de gevraagde opleiding – niet passend is omdat zij geen technische achtergrond heeft, slaagt niet. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 17 januari 2014 te kennen gegeven dat appellante, die enkele jaren LBO administratief heeft gedaan, aan de opleidingseis van deze functie voldoet. In de functie Samensteller wordt enkele jaren VMBO Beroepsgericht gevraagd, en het LBO is een beroepsgerichte opleiding. Bij de functie Samensteller is niet vereist dat het moet gaan om een technische richting. Hiermee is overtuigend uiteengezet dat appellante aan de opleidingsvereisten van deze functie voldoet.

4.6.

De rechtbank heeft in verband met een aanpassing van de onderbouwing van het bestreden besluit in de beroepsfase al aanleiding gezien dat besluit te vernietigen, onder instandlating van de rechtsgevolgen. Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit inderdaad in stand dienen te worden gelaten, zij het op iets andere gronden dan de rechtbank dit heeft gedaan, nu niet reeds in de beroepsfase, maar pas met de in hoger beroep gegeven nadere motivering, een voldoende grondslag is verkregen voor het bestreden besluit. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden, dient te worden bevestigd.

5. De rechtbank heeft het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellante in beroep.

Nu het Uwv het bestreden besluit pas in hoger beroep van een toereikende grondslag heeft voorzien, bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.735,50 voor verleende rechtsbijstand en op

€ 703,31 voor de kosten van het rapport van ing. Van Vliet, in totaal daarom op € 2.438,81.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.438,81;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 118,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en P. Vrolijk en C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2017.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) J.W.L. van der Loo

IvR