Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1350

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-03-2017
Datum publicatie
12-04-2017
Zaaknummer
14/5907 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Geen twijfel aan de juistheid van het standpunt van de artsen van het Uwv, dat de medische situatie van appellante op 2 april 2013 niet is gewijzigd ten opzichte van haar belastbaarheid zoals vastgelegd in de FML van 21 juli 2011. Geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de beperkingen van appellante op psychisch vlak zijn onderschat. Arbeidskundig onderzoek kan achterwege worden gelaten indien de artsen van het Uwv bij een claim van toegenomen arbeidsongeschiktheid vaststellen dat daarvan geen sprake is (zie ECLI:NL:CRVB:BY9851).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2017-0104
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5907 WIA

Datum uitspraak: 31 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

16 september 2014, 14/866 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.R. Lieuw On, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken overgelegd.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend van 6 maart 2015.

Appellante heeft een besluit van 11 augustus 2015 toegestuurd, inhoudende dat appellante nadat zij een jaar ziek is geweest, op 21 augustus 2015 onveranderd recht heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet. Tevens heeft appellante een rapport van een verzekeringsarts van 22 juli 2015 en een rapport van een arbeidsdeskundige van

6 augustus 2015 ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2015, waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Lieuw On. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Nieuwburg.

De Raad heeft het onderzoek heropend omdat het niet volledig is geweest. Bij brief van

2 november 2015 heeft de Raad vragen gesteld aan het Uwv. Het Uwv heeft die vragen bij brief van 14 december 2015 beantwoord.

Partijen hebben toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad heeft het onderzoek ter zitting gesloten

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is werkzaam geweest als datatypiste bij de [naam werkgever] voor 36 uur per week. Zij heeft deze werkzaamheden op 6 juli 2009 gestaakt na recidiverende rugklachten. Appellante is tot twee maal toe geopereerd aan een hernia. Nadat appellante haar werkzaamheden van datatypiste vrijwel volledig had hervat in maart 2011, is zij in juni 2011 wederom uitgevallen na psychische klachten. Het Uwv heeft haar aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) bij besluit van

10 mei 2011 afgewezen en beslist dat appellante met ingang van 4 juli 2011 geen recht heeft op WIA-uitkering, omdat zij in staat wordt geacht met ingang van die datum haar maatgevende arbeid als datatypiste bij [naam werkgever] voor 36 uur per week te vervullen. Daaraan ligt een rapport ten grondslag van 21 juli 2011 van een verzekeringsarts. Het tegen het besluit van 10 mei 2011 gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij het besluit van

23 december 2011. Het daartegen ingestelde beroep is ongegrond verklaard en de Raad heeft die uitspraak bevestigd op 13 augustus 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:2734).

1.2.

Op 2 april 2013 heeft appellante zich ziek gemeld vanuit de situatie dat zij een uitkering op grond van de Werkloosheidwet ontving. Appellante heeft het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Volgens het rapport van 22 mei 2013 van deze arts heeft appellante meer beperkingen dan zijn opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van

21 juli 2011, opgemaakt tijdens de onder 1.1 genoemde WIA-beoordeling. Zo is volgens de verzekeringsarts in de eerdere rapporten niet terug te vinden dat er sprake is van poliomyelites bij de rechterarm. Met appellante heeft deze arts afgesproken dat zij een formulier “Melden van verslechterde gezondheid” zou indienen bij het Uwv, wat ook is gebeurd.

1.3.

Ter beoordeling of recht bestaat op een WIA-uitkering is appellante op 3 september 2013 door een verzekeringsarts op het spreekuur gezien en onderzocht. Deze verzekeringsarts heeft appellante ook gezien tijdens de eerdere WIA-beoordeling en heeft in het rapport van

6 september 2013 geconcludeerd dat de FML van 21 juli 2011 onveranderd van toepassing is omdat er, afgezien van een toename van gebruik van antidepressiva, feitelijk geen nieuwe medische ontwikkelingen zijn. De verzekeringsarts heeft zich op het standpunt gesteld dat in de FML van 21 juli 2011 uitvoerig rekening is gehouden met beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren, wat ook geldt voor vanaf de jeugd bestaande beperking van de rechterarm. Daarbij heeft hij medische informatie van diverse behandelaars van appellante in aanmerking genomen. Dit betreft onder meer informatie van behandelend neuroloog

Th.W. Selen van 10 oktober 2012 en van M.A. van Unnik-Stibbe, revalidatiearts, van

8 november 2012 en van het Spine & Joint Centre van 30 augustus 2012.

1.4.

Het Uwv heeft appellante bij besluit van 10 september 2013 bericht dat zij vanaf

2 april 2013 geen recht heeft op een WIA-uitkering. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij de beslissing op bezwaar van 23 januari 2014 (bestreden besluit). Daaraan ligt een rapport van 22 januari 2014 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag waarbij de door appellante ingebrachte medische informatie in aanmerking is genomen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3.1.

Appellante kan zich met die uitspraak niet verenigen. Appellante is van mening dat haar beperkingen ten opzichte van 4 juli 2011 zijn toegenomen. Dit geldt voor de beperkingen ten gevolge van rugklachten, de overige somatische klachten en de depressieve klachten. Deze klachten zijn onderschat. Ook heeft appellante een pijnlijke arm na een operatie wegens een borstafwijking. Appellante heeft medische informatie van haar behandelaars ingebracht. Het betreft de verklaringen van 5 en 20 november 2014 van dr. J. Buijs, internist en verbonden aan Atrium, en het faxbericht van 11 februari 2015 van A. Schreuder, neuroloog, eveneens verbonden aan Atrium. Ook heeft appellante de afleverhistorie van haar apotheek ingebracht. Verder heeft appellante verwezen naar de medische gegevens zoals die zijn opgenomen in het dossier. Tot slot heeft zij een besluit en rapporten ingebracht zoals hierboven in de rubriek procesverloop vermeld. Appellante is mede op basis daarvan van mening dat zij niet in staat is de functie van datatypiste te vervullen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De door appellante in beroep en hoger beroep ingebrachte medische informatie leidt niet tot twijfel aan de juistheid van het standpunt van de artsen van het Uwv, dat de medische situatie van appellante op 2 april 2013 niet is gewijzigd ten opzichte van haar belastbaarheid zoals vastgelegd in de FML van 21 juli 2011. In het in hoger beroep ingebrachte faxbericht van 11 februari 2015 heeft neuroloog Schreuder vermeld dat een EMG geen afwijkingen liet zien en dat er geen aanwijzingen waren voor een CTS aan de armen (beiderzijds). Wat betreft de lage rug heeft deze neuroloog een forse discopathie zonder wortelcompressie beschreven en wordt geconcludeerd tot radioculopathie. Deze neuroloog heeft zijn akkoord gegeven voor een wortelblokkade. In reactie op deze informatie heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich in het rapport van 6 maart 2015 op het standpunt gesteld dat hiermee geen nieuwe gegevens naar voren zijn gekomen. Afgezien van het akkoord voor een wortelblokkade wordt dit standpunt juist geacht. De ingebrachte informatie wijkt immers niet af van de door de behandelaars van appellante verstrekte informatie over de medische situatie op 2 april 2013, die de verzekeringsarts in aanmerking heeft genomen in zijn rapport van 6 september 2013. Dit betreft onder meer de brief van 10 oktober 2012 van behandelend neuroloog Th.W. Selen, inhoudende dat er meer klachten zijn dan gebruikelijk en verwacht op grond van de radiologische bevindingen. Een vervolgafspraak heeft deze neuroloog destijds niet nodig geacht. Van Unnik-Stibbe, revalidatiearts, heeft op 8 november 2012 bericht dat sprake is van lage rugpijn en radioculopathie en appellante verwezen naar eerstelijns fysiotherapie aangezien het zorgaanbod van de revalidatiearts niet passend werd geacht. Zo wou appellante niet behandeld worden door het Spine & Joint Centre te Rotterdam. Uit de door appellante ingebrachte brief van internist Buijs, die ook dateert van na de datum in geding, volgt evenmin dat de conclusies van de artsen van het Uwv onjuist zijn. Volgens Buijs is sprake van een diffuus klachtenpatroon met betrekking tot het bewegingsapparaat en blijken uit het laboratoriumonderzoek geen bijzonderheden. Dit is niet in tegenspraak met het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

4.2.

De door neuroloog Schreuder genoemde wortelblokkade heeft een vervolg gekregen. Uit het door appellante overgelegde rapport van een verzekeringsarts van 22 juli 2015 blijkt dat er op dat moment vier pijnblokkades hebben plaatsgevonden. De verzekeringsarts acht op basis van zijn onderzoek in vergelijking tot zijn eerdere onderzoek in 2013 (het onder 1.2 genoemde rapport van 22 mei 2013) meer beperkingen aanwezig dan zijn aangegeven in de eerdere FML. Uit het rapport valt af te leiden dat de verslechtering zowel op psychisch vlak is opgetreden – al gaat het beter met de depressieve klachten – en dat de radioculopathie volgens deze verzekeringsarts de pijnklachten geeft zoals in zijn onderzoek is vastgesteld. Dit heeft ertoe geleid dat appellante niet geschikt wordt geacht voor haar maatmanarbeid en dat onvoldoende functies kunnen worden geduid. Dit betekent echter niet dat ook al op

2 april 2013 sprake was van meer beperkingen. Deze verzekeringsarts heeft onder punt 2.2.1 van zijn rapport immers duidelijk vermeld dat ten opzichte van zijn vorige onderzoek in 2013 een verslechtering is opgetreden. In de rapporten van de artsen van het Uwv van 22 mei 2013,

6 september 2013 en 22 januari 2014 worden behandelingen tegen de pijn nog niet genoemd, ook niet door appellante. Als medicatie worden paracetamol en ibuprofen genoemd. De brieven van de behandelend revalidatiearts en de neuroloog van eind 2012 behelzen evenmin adviezen of stappen in die richting. Dit maakt dat de ernst van de pijnklachten zoals beschreven in het rapport van 22 juli 2015 niet overeenkomt met de medische situatie op de datum in geding, 2 april 2013.

4.3.

In het rapport van 22 juli 2015 heeft deze verzekeringsarts, evenals in zijn rapport in

22 mei 2013, geschreven dat de gevolgen van polio niet goed zijn opgenomen in de eerdere FML. Dit heeft geleid tot vragen van de Raad die het Uwv bij brief van 14 december 2015 heeft beantwoord. Uit deze brief bezien in samenhang met het in 1.1 genoemde rapport van

21 juli 2011 en de FML van 21 juli 2011 wordt duidelijk dat in die FML beperkingen zijn opgenomen voor de rechterarm.

4.4.

Wat betreft de psychische klachten heeft appellante in hoger beroep alleen aangevoerd dat deze zijn onderschat. De artsen van het Uwv hebben deze klachten onderkend, zo blijkt uit de eerdere genoemde rapporten van 6 september 2013, 22 januari 2014 en van 11 juni 2014. In de FML van 21 juli 2011 zijn beperkingen opgenomen op psychisch vlak. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de beperkingen van appellante op psychisch vlak zijn onderschat.

4.5.

Dit leidt tot de slotsom dat de conclusie van de artsen van het Uwv dat de medische situatie van appellante op 2 april 2013 ten opzichte van in de FML van 21 juli 2011 beschreven belastbaarheid niet is gewijzigd, juist is. Zoals de Raad eerder heeft overwogen kan een arbeidskundig onderzoek achterwege worden gelaten indien de artsen van het Uwv bij een claim van toegenomen arbeidsongeschiktheid vaststellen dat daarvan geen sprake is (zie ECLI:NL:CRVB:BY9851). De geschiktheid voor de functie van datatypiste hoeft dus niet nader te worden getoetst. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en H.C.P. Venema en

F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2017.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) N. van Rooijen

IvR