Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:135

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2017
Datum publicatie
19-01-2017
Zaaknummer
15/8268 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering studiefinanciering. Het door de controleurs opgemaakte rapport bood de minister voldoende feitelijke grondslag voor de herziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/8268 WSF

Datum uitspraak: 11 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 november 2015, 15/220 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Wortel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wortel. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 8 maart 2013 heeft de minister aan appellant per 1 maart 2013 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend, berekend naar de norm voor een uitwonende studerende. Deze toekenning is voor het jaar 2014 voortgezet.

1.2.

Bij besluit van 18 juli 2014 heeft de minister de studiefinanciering herzien in die zin dat appellant met ingang van 1 maart 2013 als thuiswonende studerende is aangemerkt. Een bedrag van € 3.326,47 aan te veel toegekende studiefinanciering wordt daarbij van hem teruggevorderd. De minister heeft het besluit van 18 juli 2014 gebaseerd op de bevindingen van een op 20 februari 2014 uitgevoerd huisbezoek op het adres waaronder appellant op dat moment in de basisregistratie personen (brp) stond ingeschreven.

1.3.

Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 juli 2014 is bij besluit van 4 december 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het uitgevoerde huisbezoek voldoet aan de maatstaven van zorgvuldigheid en dat de minister de studiefinanciering op grond van de bevindingen van dat huisbezoek mocht herzien. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat er geen persoonlijke spullen van appellant in zijn kamer zijn aangetroffen, appellant geen sleutel van de woning had en er – op één map

na – geen studiemateriaal is aangetroffen. Ook heeft de hoofdbewoner verklaard dat hij alléén met appellant in de woning woonde, terwijl de zoon van de hoofdbewoner heeft verklaard dat hij ook op het brp-adres woonde. De door appellant gegeven verklaring dat het niet goed gaat met de hoofdbewoner en dat hij om die reden onjuiste verklaringen heeft afgelegd, wordt door de rechtbank niet gevolgd. Appellant heeft deze stelling onderbouwd noch aannemelijk gemaakt. De stelling van appellant dat al het studiemateriaal digitaal geraadpleegd kan worden, acht de rechtbank ongeloofwaardig gelet op de door appellant ingebrachte verklaringen van twee docenten aan de Hogeschool te [plaatsnaam] . Evenmin kunnen de overige verklaringen van klasgenoten, familieleden en buurtbewoners twijfel wekken aan de bevindingen van het huisbezoek, aldus de rechtbank.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat geen waarde gehecht mag worden aan de verklaring van de hoofdbewoner, omdat de hoofdbewoner een slechte gezondheid heeft en verward is. Verder kan volgens appellant uit de bevindingen van het huisbezoek niet worden geconcludeerd dat hij niet woonde op het brp-adres. Het verrichte onderzoek was niet grondig, er is niet doorgevraagd en ter zitting heeft appellant herhaald dat er meer spullen van hem in de woning lagen dan in het rapport is vermeld. Tot slot heeft appellant verklaringen van familie, buurtbewoners, klasgenoten en andere correspondentie overgelegd waaruit naar zijn stelling bewoning van het brp-adres blijkt.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Wat appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht vormt in essentie een herhaling van wat hij in beroep bij de rechtbank naar voren heeft gebracht. Wezenlijke nieuwe gezichtspunten zijn niet aangevoerd. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en op hoofdlijnen de daartoe gegeven overwegingen, die hebben geleid tot de conclusie dat het door de controleurs opgemaakte rapport de minister voldoende feitelijke grondslag bood voor de herziening.

4.2.

In het bijzonder wordt erop gewezen dat in hoger beroep geen (andere) medische stukken zijn overgelegd waaruit zou moeten worden afgeleid dat de hoofdbewoner niet in staat was om naar waarheid te verklaren. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de minister op de verklaring van de hoofdbewoner mocht afgaan.

4.3.

Waar in het rapport onderwerpen worden genoemd die een nadere toelichting behoeven, is die toelichting weergegeven in 4.9 van het rapport. Niet is gebleken dat deze toelichting de aangetroffen feitelijke situatie op bepaalde punten onvoldoende beschrijft. De stelling van appellant dat er meer spullen aanwezig waren dan in het rapport zijn vermeld, wordt niet aannemelijk geacht. De minister mocht afgaan op wat de hoofdbewoner over de aanwezigheid van spullen van appellant heeft verklaard. Zelfs indien er meer kleding van appellant aan het wasrek heeft gehangen en pennen, schriften en administratie op het bureau hebben gelegen, en deze niet zouden zijn getoond, is dit onvoldoende om aan de conclusies van de bevindingen van het huisbezoek te twijfelen. Uit de aanwezigheid van dergelijke spullen kan niet zonder meer bewoning van het brp-adres worden afgeleid. Nu appellant stelt reeds een jaar op het brp-adres te wonen, valt redelijkerwijs te verwachten dat er meer direct tot hem te herleiden spullen worden aangetroffen.

4.4.

Tot slot wordt de verklaring van appellant dat hij geen studieboeken nodig had en dat het niet is uitgesloten dat hij zijn tentamens op basis van zijn aantekeningen zou kunnen halen, niet gevolgd omdat deze verklaring niet strookt met de verklaringen van twee docenten van de Hogeschool [locatie] waaruit volgt dat er wel studieboeken nodig waren voor de zogenoemde herkansingen. De overgelegde stukken van onder meer Vitens en het bezwaarschrift gericht aan het CVOM leiden evenmin tot een ander oordeel, omdat ook deze stukken niets zeggen over de feitelijke bewoning van het brp-adres.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat wat door appellant is aangevoerd niet kan leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2017.

(getekend) J. Brand

(getekend) I.G.A.H. Toma

NK