Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1349

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-03-2017
Datum publicatie
12-04-2017
Zaaknummer
16-648 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deelontslag door werktijd van 36 uur per week terug te brengen naar 27 uur per week. 1) Toepasselijke recht. Bij de beoordeling van het bestreden besluit geldt ook het bij het besluit van 14 augustus 2015 ingevoerde nieuwe vijfde lid van artikel 94 van het Barp als toepasselijk voorschrift. 2) Deelontslag wegens ziekte. Overtuigend tot uitdrukking gekomen dat de korpschef gedurende de gehele ziekteperiode van appellante geprobeerd heeft om, rekening houdend met haar mogelijkheden en beperkingen, invulling te geven aan de re-integratie en de plaatsing in passende werkzaamheden. De bewoordingen van artikel 94, vijfde lid, van het Barp zoals dit luidt na het besluit van 14 augustus 2015, verbieden niet het verlenen van een deelontslag bij ziekte, wanneer de ambtenaar zijn aanstelling bij het bevoegd gezag behoudt en geplaatst wordt op een passende functie die in overeenstemming is met zijn arbeidsmogelijkheden. De Nota van Toelichting bij het besluit van 14 augustus 2015 biedt geen aanknopingspunt voor een andersluidende bedoeling van de wetgever. Ook uit de brief van de Minister van Veiligheid en Justitie van 15 november 2012 blijkt niet dat een ambtenaar die voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is verklaard en die in een passende deeltijdfunctie is herplaatst toch voor zijn oorspronkelijke werktijd in dienst zou moeten blijven. Het oogmerk is volgens die brief alleen dat een dergelijke ambtenaar in dienst blijft en zo nodig in ander werk gere-integreerd wordt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2017/123
TAR 2017/95
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/648 AW

Datum uitspraak: 16 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

23 november 2015, 15/1992 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.C. Coppens, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Coppens. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. F. Schoeree en R.B.J. Bink.

Na de zitting is het onderzoek heropend.

Op verzoek van de Raad heeft de korpschef enige vragen beantwoord.

Mr. Coppens heeft namens appellante op de brief van de korpschef gereageerd.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Appellante was aangesteld in de functie van [naam functie a]. Na een langdurige ziekteperiode vanaf november 2011 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen haar aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op 17 februari 2014 afgewezen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 21 mei 2014 heeft de korpschef appellante per

1 juli 2014 deelontslag verleend door haar werktijd van 36 uur per week terug te brengen naar 27 uur per week. Hierbij is toepassing gegeven aan artikel 94, eerste lid, aanhef en onder e, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). Het hiertegen gemaakte bezwaar heeft de korpschef bij besluit van 27 februari 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat tussen partijen in geschil is of voldaan is aan de voorwaarde van een zorgvuldig onderzoek naar passende arbeid, zoals vastgelegd in artikel 94, derde lid, onder c, van het Barp. De rechtbank heeft geoordeeld dat de korpschef een zorgvuldig onderzoek en voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en voldoende passende arbeid heeft aangeboden. Daarom kan het deelontslag wegens ziekte in stand blijven.

3. Het hoger beroep van appellante is erop gericht dat haar passende werkzaamheden voor

36 uur per week worden opgedragen. Bij passende werkzaamheden is zij in staat om 36 uur per week te werken en is een deelontslag niet nodig.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het toepasselijke recht

4.1.1. Bij besluit van 14 augustus 2015 (Staatsblad 2015, 318) is onder meer artikel 94 van het Barp gewijzigd in verband met de inwerkingtreding van de Wet WIA op 29 december 2005. In het nieuwe vijfde lid is bepaald: “De ambtenaar die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is verklaard, blijft in dienst, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich hiertegen verzet. Indien het voor de ambtenaar niet mogelijk is zijn bestaande samenstel van werkzaamheden te blijven verrichten, wordt hij gere-integreerd in aangepast werk.” In het nieuwe elfde lid is bepaald wat daarvoor al was bepaald in het (oude) twaalfde lid: “Indien herplaatsing als bedoeld in het derde lid, onder c, plaatsvindt in een betrekking voor minder uren dan het aantal uren waarvoor de ambtenaar was aangesteld, heeft het ontslag uitsluitend betrekking op het meerdere aantal uren.” Aan de inwerkingtreding van de wijzigingen in artikel 94 van het Barp is terugwerkende kracht verleend tot en met 29 december 2005.

4.1.2. Over deze terugwerkende kracht is in de Nota van Toelichting bij het besluit van

14 augustus 2015 vermeld: “De wijzigingen hebben grotendeels enkele jaren terugwerkende kracht, maar op instructie van het Centraal Georganiseerd Overleg Politie heeft de politie in die periode wel al conform de nieuwe bepalingen gehandeld.” In dat verband heeft de korpschef een brief overgelegd van de minister van Veiligheid en Justitie van 15 november 2012 aan de toenmalige korpsbeheerders en het College van Bestuur Politieacademie met een weergave van de belangrijkste afspraken die daaromtrent waren gemaakt. In deze brief is ook al aangekondigd dat de wijzigingen in onder meer het Barp als gevolg van de vervanging van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering door de Wet WIA in zullen gaan met terugwerkende kracht tot 29 december 2005.

4.1.3. Het voorgaande brengt mee dat bij de beoordeling van het bestreden besluit ook het bij het besluit van 14 augustus 2015 ingevoerde nieuwe vijfde lid van artikel 94 van het Barp als toepasselijk voorschrift geldt. Daarbij merkt de Raad op dat het de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever was dat de op de nieuwe situatie van de Wet WIA toegesneden en noodzakelijke rechtspositionele voorschriften gelden voor een besluit als hier aan de orde. De korpschef heeft hiermee ook rekening kunnen houden door de brief van 15 november 2012.

Het deelontslag wegens ziekte
4.2.1. Omdat de weigering van een uitkering ingevolgde de Wet WIA aan appellante gebaseerd is op de omstandigheid dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is, moet de Raad ook beoordelen of het aan appellante verleende deelontslag in overeenstemming is met artikel 94, vijfde lid, van het Barp zoals dit luidt na het besluit van 14 augustus 2015. Appellante meent dat dit niet het geval is. De korpschef heeft het tegenovergestelde bepleit.

4.2.2. De bewoordingen van het artikellid verbieden niet het verlenen van een deelontslag bij ziekte, wanneer de ambtenaar zijn aanstelling bij het bevoegd gezag behoudt en geplaatst wordt op een passende functie die in overeenstemming is met zijn arbeidsmogelijkheden. De Nota van Toelichting bij het besluit van 14 augustus 2015 biedt geen aanknopingspunt voor een andersluidende bedoeling van de wetgever. Ook uit de brief van de Minister van Veiligheid en Justitie van 15 november 2012 blijkt niet dat een ambtenaar die voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is verklaard en die in een passende deeltijdfunctie is herplaatst toch voor zijn oorspronkelijke werktijd in dienst zou moeten blijven. Het oogmerk is volgens die brief alleen dat een dergelijke ambtenaar in dienst blijft en zo nodig in ander werk

gere-integreerd wordt. Hieruit blijkt niet dat er belemmeringen zijn om de minder dan 35% arbeidsongeschikte ambtenaar die in dienst blijft zo nodig te laten re-integreren in aangepast werk voor een geringer aantal uren dan zijn oorspronkelijke aanstelling. Artikel 94, vijfde lid (nieuw), van het Barp vormt dus geen beletsel voor het bij het bestreden besluit gehandhaafde deelontslag. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat het bepaalde in (thans) artikel 94, elfde lid, van het Barp, gehandhaafd is gebleven. Een uitzondering voor gevallen als bedoeld in artikel 94, vijfde lid, is niet gemaakt.

4.2.3. De Raad volgt appellante niet in haar betoog dat de korpschef onvoldoende

re-integratie-inspanningen heeft gedaan en onvoldoende heeft geprobeerd haar in een passende functie van 36 uur per week te plaatsen. De Raad verwijst naar de overwegingen van de rechtbank die hij in grote lijnen overneemt. In de gedingstukken komt overtuigend tot uitdrukking dat de korpschef gedurende de gehele ziekteperiode van appellante geprobeerd heeft om, rekening houdend met haar mogelijkheden en beperkingen, invulling te geven aan de re-integratie en de plaatsing in passende werkzaamheden. Dat de reorganisatie van de politie met de omvorming tot een Nederlandse Politie ook beperkingen meebracht in de mogelijkheden van de korpschef, was een gegeven.

4.2.4. Het vorenstaande brengt mee dat het bestreden besluit stand kan houden. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en M. Kraefft en R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2017.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) P.W.J. Hospel

RH