Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1345

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-03-2017
Datum publicatie
10-04-2017
Zaaknummer
15/4851 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering: minder dan 35% arbeidsongeschikt. Geen onjuiste medische beoordeling. Juistheid FML.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4851 WIA

Datum uitspraak: 31 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

4 juni 2015, 14/5613 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.H. Wormmeester, advocaat, hoger beroep ingesteld en stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wormmeester. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, laatstelijk werkzaam als timmerman, heeft zich op 27 september 2011 vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet ziek gemeld met schouderklachten. Appellant heeft nadien ook klachten gekregen van draaiduizeligheid bij verandering van houding. Deze klachten zijn door verzekeringsarts D.H. Franx bij de einde wachttijd beoordeling geduid als een vestibulaire functiestoornis. Het Uwv heeft appellant bij besluit van 16 augustus 2013 bericht dat voor hem met ingang van 24 september 2013 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd.

1.2.

Appellant heeft op 7 april 2014 verzocht om een herbeoordeling van arbeidsongeschiktheid in verband met nieuwe ontwikkelingen. Appellant heeft verwezen naar een brief van klinisch fysicus/vestibuloloog prof. H. Kingma van 31 maart 2014. Daarin is vermeld dat de aspecifieke duizeligheid bij appellant bij overeind komen en bukken, verklaard wordt door een beperkt bilateraal vestibulair functieverlies.

1.3.

Bij besluit van 26 mei 2014 heeft het Uwv appellant bericht dat hij met ingang van

22 mei 2014 geen WIA-uitkering kan krijgen, omdat zijn mogelijkheden om te werken niet minder zijn geworden. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts van

22 mei 2014 ten grondslag.

1.4.

Bij besluit van 1 december 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 mei 2014, onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 27 november 2014, ongegrond verklaard. Deze verzekeringsarts heeft op basis van dossieronderzoek, wat ter hoorzitting is besproken, zijn bevindingen bij aanvullend medisch onderzoek en weging van opgevraagde informatie van KNO-arts S. Abedi van 26 november 2014 geconcludeerd dat hij geen argumenten heeft om tot een ander oordeel te komen dan de verzekeringsarts, inhoudende dat de door verzekeringsarts Franx per einde wachttijd vastgestelde beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 2 augustus 2013 nog steeds adequaat zijn.

2.1.

Appellant heeft in beroep onder verwijzing naar informatie van Kingma van

19 januari 2015, waarin melding wordt gemaakt van een verdere afname van de dynamische visus en toenemende neurovegetatieve verschijnselen, aangevoerd dat zijn beperkingen zijn onderschat. Appellant heeft te kennen gegeven dat het functieverlies blijvend is en dat sprake is van energieverlies.

2.2.

Het Uwv heeft onder verwijzing naar een rapport van 10 februari 2015 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep verzocht om het beroep ongegrond te verklaren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de brief van Kingma van 19 januari 2015 geen aanleiding gezien het medisch oordeel te wijzigen. Daartoe is overwogen dat uit de informatie van Kingma van 31 maart 2014 naar voren komt dat er destijds geen aanwijzingen waren voor oculomotor of centraal vestibulair functieverlies, maar alleen voor een verminderd/beperkt bilateraal vestibulair functieverlies.

2.3.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gezien om te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv. Zij heeft daartoe overwogen dat de omstandigheid dat voor de klachten van appellant een verklaring is gevonden niet meebrengt dat sprake is van toegenomen beperkingen. De rechtbank heeft verder overwogen dat de ter zitting door appellant overgelegde informatie van Kingma van 16 maart 2015, waarin is beschreven dat het laatste evenwichtsonderzoek in maart 2014 een beperkt bilateraal vestibulair functieverlies toonde en dat gelet op het klachtenpatroon sindsdien mogelijk sprake is van een progressief beeld, aanwijzingen bevat dat de klachten van appellant na de datum in geding zijn toegenomen.

3. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat het Uwv de ernst van zijn beperkingen heeft miskend. Hij heeft daartoe aangevoerd dat Kingma tot de conclusie gekomen is dat bij hem in maart 2014, en dus ook op de datum in geding, sprake was van een vestibulair functieverlies. Deze aandoening kenmerkt zich, anders dan in het geval van duizeligheidsklachten, door een cognitieve belasting en secundair snel optredende vermoeidheid. Deze beperkingen zijn niet meegewogen door de verzekeringsartsen. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar een brief van neuroloog J.P. Schipper van 7 maart 2013 en een brief van 2 augustus 2013 van KNO-arts D.E.L. Mutsaers. Appellant heeft verder te kennen gegeven dat het Uwv hem bij besluit 13 november 2015 met ingang van 19 januari 2015 een IVA-uitkering heeft toegekend.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat er geen aanleiding is te oordelen dat de medische beoordeling door het Uwv onjuist is geweest. De verzekeringsarts heeft appellant onderzocht en heeft de overgelegde informatie van Kingma van 31 maart 2014 kenbaar bij zijn beoordeling betrokken. Kingma heeft bij onderzoek op 31 maart 2014 geen aanwijzingen gevonden voor oculomotor of centraal vestibulair functieverlies. Bij appellant is sprake van een verminderde functie van beide horizontaal halfcirkelvormige kanaalsystemen laagfrequent. Er zijn geen afwijkingen in de hoogfrequente perifeer vestibulaire functie. Het beperkt bilaterale functieverlies is naar de visie van Kingma verklarend voor de aspecifieke duizeligheid bij overeind komen en bukken. Bij onderzoek heeft de verzekeringsarts geen beperkingen waargenomen ten aanzien van aandacht, concentratie en overige cognitieve functies. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat de informatie van Kingma aansluit bij de per einde wachttijd voor appellant vastgestelde belastbaarheid in de FML van

2 augustus 2013, waarin beperkingen zijn vastgesteld in verband met duizeligheid en schouderklachten. Bij rapport van 27 november 2014 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend gemotiveerd waarom hij op basis van het door hem verrichte onderzoek geen aanknopingspunten heeft gezien om tot een ander oordeel te komen dan de verzekeringsarts. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat verzekeringsarts Franx de door Kingma vastgestelde diagnose per einde wachttijd, in algemene bewoordingen en minder gespecifieerd, ook reeds heeft gesteld en dat Franx appellant in verband hiermee op een ruimer aantal aspecten beperkt heeft geacht dan benoemd door Kingma. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij rapport van 10 februari 2015 verder toegelicht waarom de ingebrachte informatie van Kingma van 19 januari 2015 hem geen aanleiding heeft gegeven tot een ander medisch oordeel. Na de datum in geding is sprake van een verdere afname van de dynamische visus en zijn er toenemende neurovegetatieve verschijnselen. Er zijn geen aanknopingspunten om deze naar behoren gemotiveerde beschouwingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist te achten. De Raad betrekt bij zijn oordeel dat uit de brief van Kingma van 31 maart 2014 verder niet kan worden afgeleid dat appellant op het spreekuur van Kingma melding heeft gemaakt van moeilijkheden op cognitief gebied of vermoeidheid. De brief van Kingma van 16 maart 2015 biedt, zoals ook door de rechtbank is overwogen, aanknopingspunten dat gelet op het klachtenpatroon van appellant na de datum in geding mogelijk sprake is van een progressief beeld.

4.2.

Wat appellant in hoger beroep onder verwijzing naar de ingezonden informatie van neuroloog Schipper en KNO-arts Mutsaers heeft aangevoerd, tast het oordeel van de rechtbank niet aan. Nog afgezien dat deze informatie geen betrekking heeft op de datum in geding, komt uit de brief van Schipper van 7 maart 2013 naar voren dat hij destijds geen verklaring heeft gevonden voor de door appellant op het spreekuur op 21 januari 2013 naar voren gebrachte oogklachten links en de vermoeidheid in de avond met zware ogen. De klachten van appellant werden door Schipper en Mutsaers voornamelijk in verband gebracht met een benigne paroxysmale positieduizeligheid. Deze informatie biedt geen aanknopingspunten dat de beperkingen van appellant op de datum in geding niet juist zijn vastgesteld.

4.3.

Uit wat in 4.1 en 4.2 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van

L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

31 maart 2017.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) L.H.J. van Haarlem

UM