Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1343

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-03-2017
Datum publicatie
10-04-2017
Zaaknummer
15/6560 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging nabestaandenuitkering: minder dan 45% arbeidsongeschikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/6560 ANW

Datum uitspraak: 24 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

18 augustus 2015, 15/3354 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.S. Pot, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Op 8 juli 2016 heeft onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Daarbij is appellante verschenen, bijgestaan door mr. Pot. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma. Ter zitting heeft mr. Pot een op 22 juni 2016 gedateerde brief overgelegd van R. Gokoel, behandelend psychiater van appellante.


Na de zitting van 8 juli 2016 is het onderzoek heropend en is de Svb in de gelegenheid gesteld om naar aanleiding van de op 8 juli 2016 namens appellante overgelegde brief nader advies in te winnen bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

De Svb heeft bij brief van 22 augustus 2016 een rapport van 12 augustus 2016 ingestuurd van de bij het Uwv werkzame verzekeringsarts bezwaar en beroep G.K. Hebly.

Bij brief van 29 september 2016 heeft mr. Pot gesteld dat het rapport van verzekeringsarts bezwaar en beroep Hebly van 12 augustus 2016 niet toereikend is gefundeerd. Verder is te kennen gegeven dat appellante er niet mee instemt dat zonder extra zitting uitspraak wordt gedaan en dat zij overweegt om te vragen om nader onderzoek naar de ernst en omvang van haar medische beperkingen. Bij brief van 2 november 2016 heeft mr. Pot gemeld dat appellante inmiddels heeft gevraagd om nader advies bij een medisch deskundige en dat deze naar verwachting binnen drie weken duidelijkheid zal verschaffen.

Vervolgens is het onderzoek ter zitting op 10 februari 2017 hervat. Appellante is daarbij verschenen, mr. Pot – zonder bericht – niet. De Svb heeft zich opnieuw laten vertegenwoordigen door mr. Zuidersma.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is geboren op [geboortedatum] 1958 en woont in Nederland.

1.2.

Op 21 december 1996 is de echtgenoot van appellante overleden. Omdat appellante minderjarige kinderen had die tot haar huishouden behoorden, heeft de Svb vervolgens op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) een nabestaandenuitkering aan appellante toegekend.

1.3.

In september 2013 heeft appellante de Svb verzocht om de haar toegekende nabestaandenuitkering niet te beëindigen na de 18e verjaardag van haar jongste kind op

[datum] 2013. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft appellante aangevoerd dat ze gezondheidsklachten heeft en ten minste voor 45% arbeidsongeschikt is.

1.4.

Bij besluit van 18 november 2013 heeft de Svb aan appellante meegedeeld dat de aan haar toegekende nabestaandenuitkering per december 2013 zal worden voortgezet op de grond dat appellante ten minste 45% arbeidsongeschikt wordt geacht. Aan dit besluit ligt een medische beoordeling ten grondslag die in hoofdzaak betrekking heeft op de toen recente cardiale problematiek van appellante. De verzekeringsarts van het Uwv die deze beoordeling heeft verricht, heeft de Svb geadviseerd om in mei 2014 een nadere beoordeling te laten verrichten.

1.5.

Bij brief van 26 april 2014 heeft de Svb het Uwv verzocht de mate waarin appellante arbeidsongeschikt is te achten opnieuw te beoordelen. Op grond van een verzekeringsgeneeskundig rapport van 22 mei 2014 en een arbeidskundig rapport van 26 mei 2014 heeft het Uwv de Svb op 27 mei 2014 geadviseerd om appellante voor minder dan 45% arbeidsongeschikt te beschouwen.

1.6.

Bij besluit van 18 juni 2014 heeft de Svb aan appellante meegedeeld dat de haar toegekende nabestaandenuitkering per 1 augustus 2014 wordt beëindigd op de grond dat zij niet langer voor 45% of meer arbeidsongeschikt is te beschouwen.

1.7.

Tegen het besluit van 18 juni 2014 heeft appellante bezwaar gemaakt. Daarbij heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat zij ook na 31 juli 2014 recht heeft op een nabestaandenuitkering, omdat de ernst en omvang van haar medische beperkingen per

1 augustus 2014 is onderschat. Vervolgens heeft de Svb het Uwv verzocht nader te onderzoeken of appellante per 1 augustus 2014 arbeidsongeschikt is in de zin van de ANW. Bij rapport van 12 februari 2015 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep Hebly – op basis van dossieronderzoek, eigen lichamelijk en psychisch onderzoek, en informatie verkregen van de behandelend artsen van appelante – de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 22 mei 2014 aangescherpt ten aanzien van het onderdeel werken boven schouderhoogte. Voor het overige is de FML van 22 mei 2014 onderschreven. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep W.G.E. Buskermolen heeft bij rapport van

25 februari 2015 geconcludeerd dat appellante minder dan 45% arbeidsongeschikt is te achten op de datum in geding, ook indien wordt uitgegaan van de aangescherpte FML van

22 mei 2014. Bij besluit op bezwaar van 1 april 2015 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellante, in overeenstemming met het uit genoemde rapporten voortvloeiende advies van het Uwv, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt niet onzorgvuldig tot stand gekomen is en dat er geen aanleiding is ten behoeve van de beoordeling van het bestreden besluit nader medisch onderzoek te laten verrichten, omdat het bestreden besluit berust op een toereikende medische grondslag. Verder is overwogen dat de arbeidsdeskundige herbeoordeling die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, voldoet aan de daaraan te stellen vereisten. Uitgaande van de beperkingen zoals die zijn vastgelegd in de hangende bezwaar aangescherpte FML van 22 mei 2014 is de rechtbank van oordeel dat dat de belastbaarheid van appellante in de geselecteerde functies niet wordt overschreden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft toereikend gemotiveerd waarom de bij de functies voorkomende signaleringen geen overschrijding opleveren van de belastbaarheid van appellante op de datum in geding, 1 augustus 2014.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep opnieuw aangevoerd dat zij wel degelijk arbeidsongeschikt is. Zij ervaart diverse gezondheidsklachten die mogelijk samenhangen met de diabetes waaraan zij lijdt. Daarnaast heeft appellante hartklachten waarvan de oorzaak nog niet is achterhaald. Ook met verschillende andere klachten, zoals buikpijn, misselijkheid, gebrek aan eetlust, vermoeidheid, stress en angst en met het medicijngebruik hebben de verzekeringsartsen van het Uwv volgens appellante onvoldoende rekening gehouden.

3.2.

De Svb heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1.

In geschil is of de rechtbank bij de aangevallen uitspraak terecht heeft geoordeeld dat de Svb de aan appellante toegekende nabestaandenuitkering per 1 augustus 2014 mocht beëindigen op de grond dat appellante niet langer voor 45% of meer arbeidsongeschikt is te beschouwen.

4.2.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de ANW heeft de nabestaande die arbeidsongeschikt is recht op een nabestaandenuitkering. Het begrip arbeidsongeschiktheid is nader gedefinieerd in artikel 11 van de ANW.

Artikel 11 van de ANW luidt:

“1. Arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om met arbeid 55% te verdienen van hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

2. In het eerste lid wordt onder de eerstgenoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe die persoon met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.”

4.3.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 23 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA1702, heeft de wetgever met deze bepaling kennelijk beoogd aan te sluiten bij de omschrijving van het begrip arbeidsongeschiktheid in de arbeidsongeschiktheidswetten en ligt het dan ook voor de hand bij de toepassing van artikel 11 van de ANW zo mogelijk aansluiting te zoeken bij de regelgeving en de rechtspraak met betrekking tot het begrip arbeidsongeschiktheid in die wetten.

4.4.

In hoger beroep heeft appellante de in beroep naar voren gebrachte gronden en argumenten in essentie herhaald. Deze hebben de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak opgenomen gemotiveerde oordeel van de rechtbank. Appellante heeft ook in hoger beroep geen medische stukken overgelegd die nieuw licht werpen op de ernst en omvang van haar lichamelijke beperkingen op de datum in geding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de in de FML van 22 mei 2014 vermelde beperkingen van appellante bij het verrichten van arbeid na toereikend onderzoek aangescherpt ten aanzien van het onderdeel werken boven schouderhoogte en voor het overige onderschreven. In bezwaar en beroep heeft appellante alleen melding gemaakt van bij haar bestaande lichamelijke klachten en over specifieke psychische klachten niets vermeld. Een verzekeringsarts moet in zijn algemeenheid in staat worden geacht om tijdens eigen onderzoek ook op het psychische vlak klachten en beperkingen te onderkennen. In dit geval hebben de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep dergelijke klachten en beperkingen ten tijde van hun onderzoeken niet gesignaleerd. Pas op 8 juli 2016, tijdens de procedure in hoger beroep, heeft appellante naar voren gebracht dat zij wordt behandeld in verband met psychische klachten. De informatie die daarover is verstrekt, is gebaseerd op anamnese en ziet niet op de gezondheidssituatie van appellante op de datum in geding. Appellante heeft zich in augustus 2015 – ruim na de datum in geding – voor het eerst onder behandeling gesteld van een psychiater, terwijl de beschikbare medische informatie geen aanknopingspunten biedt om aan te nemen dat appellante op de datum in geding al leed aan in aanmerking te nemen psychische beperkingen dan wel om daarnaar nader onderzoek te laten verrichten. De informatie die mr. Pot in het vooruitzicht stelde in zijn brief van

2 november 2016, is uitgebleven.

4.5.

Met betrekking tot de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit heeft appellante in hoger beroep geen afzonderlijke grieven aangevoerd. De Svb heeft door middel van de ingebrachte rapporten toereikend gemotiveerd waarom appellante – uitgaande van de aangescherpte FML van 22 mei 2014 – in staat moet worden geacht de werkzaamheden te verrichten die zijn verbonden aan de voor haar geselecteerde functies.

5. Wat onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen leidt tot het oordeel dat het hoger beroep van appellante niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

6. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en

M.A.H. van Dalen-van Bekkum en L. Koper als leden, in tegenwoordigheid van A.M.C. de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2017.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) A.M.C. de Vries

KP