Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1304

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-03-2017
Datum publicatie
07-04-2017
Zaaknummer
15/2740 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft terecht besloten de loonsanctie niet te bekorten. Het Uwv is terecht tot de conclusie gekomen dat werkgeefster en werkneemster de functionele mogelijkheden van werkneemster te beperkt hebben ingeschat. Van werkgeefster en werkneemster had mogen worden verwacht dat zij zich meer hadden ingespannen om te trachten tot een grotere arbeidsprestatie van werkneemster te komen. Dat daartoe feitelijk serieuze pogingen zijn ondernomen is niet gebleken uit de gedingstukken en daarmee niet komen vast te staan. Dat werkgeefster daarin het advies van haar bedrijfsarts heeft gevolgd, betekent niet dat haar geen verwijt treft, omdat de werkgever volgens vaste rechtspraak verantwoordelijk is voor de kwaliteit van de geleverde diensten van de door hem ingeschakelde deskundigen (ECLI:NL:CRVB:2016:3338).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2017-0095
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/2740 WIA, 15/2741 WIA

Datum uitspraak: 29 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

16 maart 2015, 14/3371 en 14/3372 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[werkgeeftster] te [vestigingsplaats] (werkgeefster)

[werkneemster] te [woonplaats] (werkneemster)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens werkgeefster en werkneemster heeft mr. A.C. Cornelisse, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2017. Werkgeefster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Cornelisse en A. Leek. Werkneemster is verschenen, bijgestaan door mr. Cornelisse. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

1.1.

Werkneemster heeft vanaf 2006 in dienst van werkgeefster fulltime gewerkt in de functie van regiocoördinator jobcoaching/arbeidsdeskundige. Werkneemster is in het verleden behandeld voor borstkanker en heeft daarna hartklachten gekregen. Zij is op 31 januari 2012 twee uur per dag minder gaan werken wegens oedeemklachten van haar linkerarm en vanaf dat moment dus deels uitgevallen voor haar werkzaamheden. Op 23 mei 2012 is zij geopereerd en nadien was zij enige tijd niet in staat om te werken. Vanaf december 2012 heeft zij haar eigen werkzaamheden hervat voor twee uur per week in aangepaste vorm. Zij is dat blijven doen tot de beoordeling van het re-integratieverslag en ook nog daarna.

1.2.

Werkneemster heeft op 28 november 2013 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Omdat werkgeefster volgens het Uwv niet tijdig het re-integratieverslag met de nog ontbrekende stukken had aangevuld, heeft het Uwv bij besluit van 12 december 2013 de verplichting van werkgeefster om het loon van werkneemster door te betalen met 12 maanden verlengd tot 27 januari 2015. Tegen deze zogenoemde loonsanctie is geen bezwaar gemaakt.

1.3.

Nadat werkgeefster de ontbrekende stukken had ingezonden en daarmee had verzocht de opgelegde loonsanctie te bekorten, heeft een verzekeringsarts van het Uwv werkneemster gezien op een spreekuur en het re-integratieverslag beoordeeld. De verzekeringsarts heeft bij de beoordeling ook de informatie betrokken van de behandelend artsen van werkneemster. De verzekeringsarts is blijkens het rapport van 17 januari 2014 van mening dat werkneemster benutbare mogelijkheden heeft om te werken en is aangewezen op lichte fysieke arbeid. De verzekeringsarts acht aannemelijk dat werkneemster gemiddeld zes uur per dag voor arbeid kan worden ingezet. De verzekeringsarts heeft hierover overleg gevoerd met de bedrijfsarts en heeft geconcludeerd dat de visie van de bedrijfsarts, dat werkneemster maximaal twee uur per dag en tien uur per week belastbaar is, niet wordt gesteund door informatie van de behandelend cardioloog en andere behandelend artsen. De verzekeringsarts meent dat de bedrijfsarts de functionele mogelijkheden van werkneemster niet adequaat heeft ingeschat. Een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft vervolgens geconcludeerd dat de

re-integratie-inspanningen van werkgeefster onvoldoende zijn geweest omdat werkneemster niet werkzaam is conform haar belastbaarheid en werkgeefster op advies van haar bedrijfsarts er ten onrechte steeds van is uitgegaan dat werkneemster maximaal voor twee uur per dag en tien uur per week kon werken en zich niet heeft ingespannen om werkneemster voor meer uren in haar eigen werk of in ander werk te re-integreren.

1.4.

Bij besluit van 20 februari 2014 heeft het Uwv beslist de tot 27 januari 2015 aan werkgeefster opgelegde loonsanctie niet te bekorten. Werkgeefster en werkneemster hebben bezwaar gemaakt tegen deze beslissing en aangevoerd dat van werkgeefster niet meer

re-integratie-inspanningen verwacht konden worden, omdat werkneemster in haar eigen functie werkzaam was met aangepaste taken en niet in staat was om meer uren te werken. Ter ondersteuning van het bezwaar zijn onder meer de resultaten overgelegd van een door werkneemster onder begeleiding van sportarts R.J.H. Klooster verrichte fietstest, een informatiebrief van behandelend chirurg H.G.J. Voesten van 7 maart 2014 en een rapport van de bedrijfsarts van 6 mei 2014.

1.5.

Bij besluit van 21 augustus 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van werkgeefster en werkneemster tegen het besluit van 20 februari 2014 ongegrond verklaard, onder verwijzing naar rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 20 mei 2014 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 23 juli 2014. Werkgeefster en werkneemster hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv gevolgd, dat geen sprake is van een bevredigend resultaat omdat werkneemster niet werkzaam is conform haar functionele mogelijkheden en dat de re-integratie-inspanningen van werkgeefster onvoldoende zijn geweest, omdat ze waren gebaseerd op een onjuiste inschatting van de bedrijfsarts van de arbeidsmogelijkheden van werkneemster. De rechtbank heeft uitvoerig gemotiveerd dat het onderzoek van de verzekeringsartsen zorgvuldig is geweest en dat de gedingstukken, waaronder veel informatie van de behandelend artsen van werkneemster, voldoende steun bieden voor het standpunt van het Uwv. Werkgeefster is er naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte van uitgegaan dat voor werkneemster twee uur per dag werk in haar aangepaste eigen functie maximaal was en heeft in het kader van de re-integratie van werkneemster daarom ten onrechte niet geprobeerd het aantal uren van werkneemster in voor haar passend werk uit te breiden.

3.1.

Werkgeefster en werkneemster hebben in hoger beroep, samengevat en voor zover van belang, aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van het Uwv heeft gevolgd. Het Uwv heeft bij het beoordelen van de arbeidsmogelijkheden van werkneemster te weinig rekening gehouden met haar aandachts- en concentratieproblemen, met haar vermoeidheidsklachten, de nierinsufficiëntie, de restklachten van de arm na de operatie en met de combinatie van deze problemen. De conclusies van de rechtbank omtrent de arbeidsmogelijkheden en de urenbeperking van werkneemster zijn daarom onjuist. De rechtbank heeft ten onrechte geen deskundige benoemd; dit dient alsnog te gebeuren. Werkgeefster had voorts mogen vertrouwen op de zorgvuldige inschatting van haar bedrijfsarts. Ter ondersteuning van het standpunt heeft de gemachtigde een rapport van

2 februari 2017 van een door bedrijfs- en verzekeringsarts H.J. Hullen verricht onafhankelijk verzekeringsgeneeskundig onderzoek overgelegd.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zoals bijvoorbeeld blijkt uit de uitspraak van

15 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1755) heeft een betrokkene voldoende procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak, als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Ter zitting is duidelijk geworden dat werkgeefster tot 27 januari 2015 (de einddatum waarop het bestreden besluit betrekking heeft) aan werkneemster overeenkomstig de overgelegde specificaties het loon heeft doorbetaald en dat werkneemster door het Uwv aansluitend in aanmerking is gebracht voor een WGA-uitkering, waarbij rekening wordt gehouden met de werkzaamheden die zij voor tien uur per week is blijven verrichten bij werkgeefster. Het is ter zitting duidelijk geworden dat werkneemster met haar hoger beroep steun wil geven aan het standpunt dat werkgeefster niet tekort is geschoten in de verrichte inspanningen om haar te re-integreren. Tevens is duidelijk geworden dat het resultaat van de procedure voor haar geen feitelijke betekenis zal hebben. Werkneemster heeft daarom geen procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van haar hoger beroep, welk hoger beroep om die reden niet-ontvankelijk is. Werkneemster is echter wel belanghebbende bij de beoordeling van het hoger beroep van werkgeefster, omdat de (geweigerde bekorting van de) loonsanctie betrekking heeft op de

re-integratie-inspanningen van werkgeefster jegens haar.

4.2.1.

Op grond van artikel 65 van de Wet WIA beoordeelt het Uwv of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen, die zijn verricht.

4.2.2.

Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 van de Wet WIA en de beoordeling, bedoeld in artikel 65 van de Wet WIA, blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, verlengt het Uwv op grond van artikel 25, negende lid, van de Wet WIA het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek, opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde

re-integratie-inspanningen kan herstellen. De verlenging bedraagt ten hoogste 52 weken.

4.2.3.

In de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Besluit van 3 december 2002, Stcrt. 2002, 236, gewijzigd bij Besluit van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 224) (Beleidsregels) heeft het Uwv een inhoudelijk kader neergelegd voor de beoordeling van de vraag of werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Blijkens de Beleidsregels staat bij de beoordeling het bereikte resultaat voorop. Als een bevredigend resultaat is bereikt, is volgens het beoordelingskader voldaan aan de wettelijke eis dat werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de
re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Van een bevredigend resultaat is sprake als gekomen is tot een (gedeeltelijke) werkhervatting, die aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer. Indien het Uwv het resultaat niet bevredigend acht, zal volgens de Beleidsregels bij de beoordeling worden ingezoomd op wat door werkgever en werknemer daadwerkelijk ondernomen is. Bij de beoordeling van de inspanningen let het Uwv op onder meer de opgestelde probleemanalyse en het opgestelde plan van aanpak. Volgens het beoordelingskader ligt het voor de hand dat werkgever en werknemer zich in eerste instantie inspannen om de werknemer zijn eigen functie weer te laten oppakken. Mocht dat niet mogelijk zijn, dan wordt gekeken naar ander passend werk binnen het bedrijf. Hervattingsmogelijkheden bij een andere werkgever komen aan de orde als hervatting in eigen of passend werk binnen het bedrijf niet meer mogelijk is. Met name tijdens de zogenoemde eerstejaarsevaluatie moeten volgens het beoordelingskader wat betreft de

re-integratie eventueel keuzes worden gemaakt voor re-integratie-inspanningen in het eigen bedrijf of bij een andere werkgever. Dit beoordelingskader is eveneens van toepassing in de situatie als hier aan de orde, dat moet worden beoordeeld of de opgelegde loonsanctie moet worden bekort, zoals bedoeld in artikel 25, veertiende lid, van de Wet WIA.

4.3.

Partijen verschillen van mening over de vraag of werkneemster ten tijde van de beoordeling van de re-integratie-inspanningen structureel arbeid verrichtte die aansloot bij haar functionele mogelijkheden en dus of sprake was van een bevredigend

re-integratieresultaat. En voorts, als dat niet het geval was, of werkgeefster zich voldoende heeft ingespannen om werkneemster te re-integreren.

4.4.

Evenals de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv terecht tot de conclusie is gekomen dat werkgeefster en werkneemster de functionele mogelijkheden van werkneemster te beperkt hebben ingeschat. De Raad verwijst voor zijn oordeel naar de overwegingen die de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gegeven en overweegt in aanvulling daarop nog het volgende.

4.5.

Zoals blijkt uit de diverse rapporten is ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep van mening dat werkneemster serieuze medische klachten heeft die ook aanzienlijke arbeidsbeperkingen met zich mee brengen. De verzekeringsarts is echter van mening dat werkneemster met haar beperkingen in voor haar geschikte werkzaamheden, bijvoorbeeld het werk dat zij feitelijk nog verrichtte, zes uur per dag en 30 uur per week kan werken, omdat uit de voorhanden gegevens van de verrichte onderzoeken door het Uwv en de behandelaars van werkneemster geen medische objectieve redenen zijn gebleken dat werkneemster daartoe niet in staat is en in de relevante periode niet in staat is geweest. Gelet op wat uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt, zijn deze artsen op een zorgvuldige wijze tot deze conclusie gekomen en vloeit de conclusie inzichtelijk en overtuigend voort uit de gebruikte gegevens en de analyse daarvan. In het rapport van 20 mei 2014 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep begrijpelijk onderbouwd dat de gestelde moeheidsklachten niet kunnen worden verklaard uit de informatie van de behandelend chirurg Voesten en sportarts Klooster en ook niet volgen uit de door de verzekeringsartsen verrichte onderzoeken.

4.6.

Ook het in hoger beroep ingebrachte rapport van bedrijfs- en verzekeringsarts Hullen biedt onvoldoende aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen. Hullen concludeert dat werkneemster gemiddeld twee uur, tot maximaal drie uur, per dag en gemiddeld tien uur, tot maximaal zestien uur, per week kan werken. Hullen baseert zich op dezelfde informatie als de verzekeringsartsen, maar schat de belastbaarheid van werkneemster lager in, waarbij hij er veel nadruk op legt dat werkneemster zelf al geneigd is haar grenzen op te zoeken. Hullen is aldus tot de conclusie is gekomen dat haar feitelijke inzet maximaal is. In meer objectieve zin biedt het rapport van Hullen geen aanknopingspunten ter ondersteuning van de visie van werkgeefster dat de feitelijk geleverde arbeidsprestatie maximaal was.

4.7.

Of werkneemster inderdaad in staat zou zijn geweest zes uur per dag te werken staat niet vast. Maar in het kader van de beoordeling van de verrichte re-integratie-inspanningen gaat het om de vraag of terecht is vastgehouden aan een maximale inzet van twee uur per dag. Door het Uwv is overtuigend gemotiveerd dat op basis van de beschikbare informatie moet worden geconcludeerd dat dat uitgangspunt van werkgeefster te beperkt is geweest. Omdat alle relevante medische informatie door beide partijen bij de beoordeling is betrokken en er geen relevante informatie ontbreekt, bestaat er geen reden om voor de beoordeling van de

re-integratie-inspanningen van werkgeefster nog een deskundige in te schakelen.

4.8.

Van werkgeefster en werkneemster had mogen worden verwacht dat zij zich meer hadden ingespannen om te trachten tot een grotere arbeidsprestatie van werkneemster te komen. Dat daartoe feitelijk serieuze pogingen zijn ondernomen is niet gebleken uit de gedingstukken en daarmee niet komen vast te staan. Dat werkgeefster daarin het advies van haar bedrijfsarts heeft gevolgd, betekent niet dat haar geen verwijt treft, omdat de werkgever volgens vaste rechtspraak verantwoordelijk is voor de kwaliteit van de geleverde diensten van de door hem ingeschakelde deskundigen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 7 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3338). Het Uwv heeft daarom terecht besloten de loonsanctie niet te bekorten.

5. Uit wat in 4.3 tot en met 4.8 is overwogen volgt dat het hoger beroep van werkgeefster niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het hoger beroep van werkneemster niet-ontvankelijk;

- bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en J.S. van der Kolk en

A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2017.

(getekend) M. Greebe

(getekend) J.W.L. van der Loo

RB