Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1303

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-03-2017
Datum publicatie
07-04-2017
Zaaknummer
15/7457 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling hoge eigen bijdrage. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (ECLI:NL:CRVB:2010:BO9967) zijn de bepalingen in het Bbz dwingendrechtelijk van aard en limitatief gesteld. Zij bevatten geen hardheidsclausule of coulanceregeling en bieden geen ruimte om andere kosten of kosten in een andere omvang dan daarin bepaald in mindering te brengen op het bijdrageplichtig inkomen. Nu in het Bbz niet is bepaald dat de kosten voor een huurwoning in mindering worden gebracht op het bijdrageplichtig inkomen, heeft CAK met deze kosten terecht geen rekening gehouden. Geen sprake van een bijzonder geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/7457 AWBZ

Datum uitspraak: 29 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

12 oktober 2015, 15/2807 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

CAK

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.J.G. Voorn, advocaat, hoger beroep ingesteld.

CAK heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2017. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Voorn. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Boersma en mr. M.A.H. Engelen‑Gatzen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante was van 21 november 2012 tot 27 december 2012 opgenomen in Verpleeghuis [naam Verpleeghuis] te Den Haag. Vanaf 10 januari 2013 is zij opgenomen bij [naam zorginstelling] te [plaatsnaam]. CIZ heeft appellante geïndiceerd voor deze zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Appellante heeft daarnaast een huurwoning waar zij iedere week tijd doorbrengt.

1.2.

CAK heeft bij besluit van 3 januari 2013 de eigen bijdrage voor zorg met verblijf (eigen bijdrage) per 21 november 2012 vastgesteld op € 136,34 per maand. Bij besluit van

1 februari 2013 heeft CAK de eigen bijdrage over de periode van 10 januari 2013 tot en met 2 juni 2013 vastgesteld op € 139,84 per maand. Bij besluit van 24 mei 2013 heeft CAK de eigen bijdrage per 3 juni 2013 vastgesteld op € 311,32 per maand. Dit besluit heeft CAK vervangen door het besluit van 28 juni 2013, waarbij de eigen bijdrage per 3 juni 2013 is vastgesteld op € 601,28 per maand. Bij besluit van 17 januari 2014 heeft CAK de eigen bijdrage per 1 januari 2014 vastgesteld op € 608,03 per maand. Appellante heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt.

1.3.

Bij besluit van 5 maart 2015 (bestreden besluit) heeft CAK het bezwaar tegen het besluit van 24 mei 2013 niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit besluit is vervangen door het besluit van 28 juni 2013. CAK heeft het bezwaar tegen de overige vier besluiten ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust op het volgende standpunt. Over de periode 21 november 2012 tot en met 27 december 2012 en de periode 10 januari 2013 tot en met 2 juni 2013 was appellante de lage eigen bijdrage verschuldigd, omdat de eerste zes maanden van het verblijf in een AWBZ-instelling nog niet voorbij waren. Vanaf 3 juni 2013 is appellante de hoge eigen bijdrage verschuldigd. Appellante heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat sprake is van langdurig verblijf in een AWBZ-instelling. CAK heeft geen signaal ontvangen dat appellante mogelijk zal terugkeren naar huis. De kosten voor een huurwoning vallen niet onder de op het inkomen in mindering te brengen bedragen van artikel 6, eerste lid, van het Bijdragebesluit zorg (Bbz), waardoor CAK hiermee geen rekening heeft gehouden. CAK heeft, conform artikel 23 van het Bbz, de eigen bijdrage berekend aan de hand van de gegevens van de Belastingdienst. Ten slotte kon appellante weten dat een eigen bijdrage is verschuldigd en hoe hoog deze is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat geen grond bestaat om te concluderen dat CAK de hoogte van de eigen bijdrage over de perioden in geding onjuist heeft vastgesteld. In artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bbz wordt limitatief opgesomd welke (kosten)posten in mindering worden gebracht op het inkomen van de betrokkene. Woonkosten worden daarin niet genoemd. Nu deze bepaling dwingendrechtelijk van aard is, is CAK niet bevoegd af te wijken van de daarin genoemde posten. CAK heeft dan ook terecht de woonkosten niet in mindering gebracht op het inkomen. Nu op 3 juni 2013 de eerste zes maanden van zorg met verblijf waren verstreken, heeft CAK terecht met ingang van die datum de hoge eigen bijdrage vastgesteld. Verder heeft CAK overeenkomstig artikel 23 van het Bbz het inkomen vastgesteld met gebruikmaking van de gegevens van de Belastingdienst.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft zij, samengevat, aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de eigen bijdrage uitsluitend moet worden vastgesteld op basis van de financiële gegevens van de Belastingdienst en dat met kosten buiten de fiscale cijfers geen rekening mag worden gehouden. Verder heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bbz limitatief is opgesomd welke kosten in mindering op het inkomen van de betrokkene gebracht mogen worden, waardoor deze bepaling als dwingendrechtelijk is aangemerkt. Appellante betoogt dat artikel 6 van de AWBZ de kapstok is voor nadere regeling van de aanspraken van verzekerden. Dit systeem is niet dwingendrechtelijk van aard, maar flexibel. Appellante heeft aangevoerd dat, gelet op haar situatie, bij de vaststelling van de eigen bijdrage rekening moet worden gehouden met de huur die zij betaalt voor haar woning. In het Bbz is geen groep opgenomen waartoe appellante behoort, omdat de wetgever niet bekend was met dergelijke situaties. Volgens appellante mag de rechter hier de redelijkheidstoets hanteren.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 6, vierde lid, van de AWBZ bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat aanspraak op zorg slechts tot gelding kan worden gebracht indien de verzekerde bijdraagt in de kosten daarvan. De bijdrage kan verschillen naar gelang de groep waartoe de verzekerde behoort en de zorg die verstrekt wordt, en kan mede afhankelijk gesteld worden van het inkomen en vermogen van de verzekerde en diens echtgenoot.

Artikel 2, eerste lid, van het Bbz bepaalt dat de verzekerde van 18 jaren of ouder bijdraagt in de kosten van de zorg, verleend door een instelling.

Artikel 4, eerste lid, van het Bbz bepaalt, voor zover in dit geval van belang, dat de bijdrage per maand voor de ongehuwde verzekerde die gedurende het etmaal in een instelling verblijft een twaalfde gedeelte van het bijdrageplichtig inkomen bedraagt.

Artikel 6, eerste lid, van het Bbz (tekst 2014) bepaalt, voor zover het gaat over de in mindering te brengen bedragen, dat het bijdrageplichtig inkomen als volgt wordt berekend:

a. het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde verzekerde wordt verminderd met de door die verzekerde verschuldigde of ingehouden belasting;

b. op het met toepassing van onderdeel a berekende bedrag worden in mindering gebracht:

1º. 15% van de redelijkerwijs te verwachten netto-opbrengst van in het lopende kalenderjaar verrichte arbeid, van een loon- of salarisdoorbetaling wegens ziekte of van een uitkering ingevolge de Ziektewet;

2º. zak- en kleedgeld, premies voor een zorgverzekering gecorrigeerd voor de zorgtoeslag, een aftrekpost die verschillend kan zijn voor een verzekerde die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en een verzekerde die die leeftijd nog niet heeft bereikt of extra vrijlatingen, een en ander volgens bij ministeriële regeling te bepalen regels;

3º. op aanvraag van de verzekerde, de uitkering op grond van artikel 14 van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 of de uitkering op grond van artikel 20 van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945.

Artikel 14, eerste lid, van het Bbz (tekst 2014) bepaalt, voor zover in dit geval van belang, dat in afwijking van artikel 4 de bijdrage 12,5% van het bijdrageplichtig inkomen bedraagt met een minimum van € 156 en een maximum van € 819,40 per maand voor:

b. de ongehuwde verzekerde gedurende de eerste zes maanden van verblijf in een instelling;

e. de ongehuwde verzekerde indien de zorgverzekeraar het waarschijnlijk acht dat het verblijf in de instelling binnen een half jaar kan worden beëindigd en terugkeer naar de maatschappij mogelijk is en zal worden bewerkstelligd.

Artikel 23 van het Bbz bepaalt dat CAK voor de vaststelling van de bijdrage, bedoeld in de artikelen 4, 14 en 16d, gebruik maakt van het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake de rijksbelastingen en van andere door de inspecteur, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, verstrekte gegevens.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante een bijdrage is verschuldigd voor de verleende zorg overeenkomstig artikel 2, eerste lid, van het Bbz. Evenmin is in geschil dat CAK de bijdrage over de in geding zijnde periode heeft berekend overeenkomstig de regels in de artikelen 4, 6, 14 en 23 van het Bbz. Ter zitting is namens appellante bevestigd dat het hoger beroep alleen is gericht tegen de vaststelling van de hoge eigen bijdrage per

3 juni 2013.

4.3.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (onder andere de uitspraak van 22 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO9967) zijn de bepalingen in het Bbz dwingendrechtelijk van aard en limitatief gesteld. Zij bevatten geen hardheidsclausule of coulanceregeling en bieden geen ruimte om andere kosten of kosten in een andere omvang dan daarin bepaald in mindering te brengen op het bijdrageplichtig inkomen. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat, nu in het Bbz niet is bepaald dat de kosten voor een huurwoning in mindering worden gebracht op het bijdrageplichtig inkomen, CAK met deze kosten van appellante terecht geen rekening heeft gehouden. Verder zijn in hoger beroep geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan aannemelijk is dat de zorgverzekeraar het waarschijnlijk achtte dat het verblijf van appellante in de AWBZ-instelling binnen een half jaar na het bestreden besluit kon worden beëindigd.

4.4.

Zoals de Raad ook eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 juli 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX1272) zijn bijzondere gevallen denkbaar waarin strikte toepassing van een wettelijk voorschrift van dwingendrechtelijke aard zozeer in strijd is met het ongeschreven recht dat zij op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. Van een dergelijk bijzonder geval is in de situatie van appellante geen sprake. Hierbij is van belang dat appellante zelf de keuze heeft gemaakt om haar huurwoning aan te houden, terwijl zij ook gebruik maakt van haar aanspraak om in een AWBZ-instelling te verblijven.

4.5.

Uit wat onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner als voorzitter en J.P.A. Boersma en R.P.T. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2017.

(getekend) M.F. Wagner

(getekend) B. Dogan

KP