Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1258

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-03-2017
Datum publicatie
06-04-2017
Zaaknummer
16/2626 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Functiebeoordeling. Beëindiging van de opleiding. Terugplaatsen in functie. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de onvoldoende beoordelingen duidelijk wijzen op de ongeschiktheid voor het functioneren op niveau drie en dat aan appellant voldoende verbeterkans is geboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2017/105
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/2626 AW

Datum uitspraak: 30 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

17 maart 2016, 14/6664 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Hulshof, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hulshof. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. T. Tanja.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is ruim negentien jaar in dienst van de politie en heeft lange tijd gewerkt in de functie van [functie 1], niveau twee bij de [Dienst 1] ([Dienst 1]). In 2008 heeft appellant de initiële opleiding naar niveau drie gevolgd, maar deze is op zijn verzoek voortijdig stopgezet. Op 1 januari 2013 is appellant voor de tweede keer gestart met de opleiding niveau drie. Met het oog op deze opleiding is appellant bij besluit van

6 februari 2013 per 12 januari 2013 voor 36 uur per week bovenformatief geplaatst bij de Amsterdamse politieacademie.

1.2.

Tijdens een voortgangsgesprek op 1 juli 2013 hebben appellant en zijn teamleider S aan de hand van bevindingen tot dan toe afgesproken dat appellant gaat werken met een persoonlijke coach, dat een niveaubepalende intake bij een extern instituut wordt gedaan waarbij advies wordt gevraagd wat de reële mogelijkheden en verwachtingen zijn, dat hij actief aan de slag gaat om zijn Nederlandse taalvaardigheid te verbeteren en dat hij zijn rijvaardigheid gaat verbeteren. Op 6 november 2013 heeft er wederom een voortgangsgesprek plaatsgevonden tussen appellant en S. Hierbij heeft S aangegeven dat collega’s en docenten hun ongerustheid hebben uitgesproken over het functioneren van appellant. Appellant is niet voldoende stressbestending en ook zijn schriftelijk werk met betrekking tot mini’s bevat veel tekortkomingen. Afgesproken is dat de mogelijkheid wordt onderzocht of appellant vanaf januari 2014 overgeplaatst kan worden naar de [Dienst 2] zodat appellant met een een-op-een coach kan werken aan zijn snelheid van begrip en aan veilig werken in stressvolle situaties. Afhankelijk van de vooruitgang blijft appellant daar drie tot zes maanden. Daarna wordt naar een noodhulpstageplek gezocht. Tot slot wordt afgesproken dat appellant in december 2013 zal worden beoordeeld en dat dan verdere afspraken worden gemaakt. Op

19 december 2013 is een beoordeling vastgesteld over het tijdvak januari 2013 tot en met december 2013. Op de onderdelen analytisch vermogen, oordeelsvorming, snelheid van begrip, uitdrukkingsvaardigheid en zelfstandigheid heeft appellant een B, dat wil zeggen ‘matig, een verbeterpunt; er is in te geringe mate voldaan aan de gestelde eisen/doelen’, gescoord. Ondanks de grote wil en het harde werken van appellant is de beoordeling op niveau drie onvoldoende. Alvorens appellant verder te laten gaan richting noodhulp zal hij eerst worden geplaatst bij de [Dienst 2]. Afhankelijk van de vooruitgang blijft hij daar tot en met maart 2014 en maximaal tot en met juni 2014. Als blijkt dat er onvoldoende vooruitgang is wordt dit duidelijk met appellant besproken en volgt in maart 2014 een tussentijdse beoordeling met beheersbeslissing. Het is niet uit te sluiten dat de opleiding zal worden beëindigd.

1.3.

Op 21 januari 2014 heeft een voortgangsgesprek plaatsgevonden tussen appellant en S over het veilig en zelfstandig functioneren van appellant. Appellant is erop gewezen dat hij zelfverzekerder moet worden en oog moet houden voor zijn verbeterpunten. Op 18 februari 2014 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen appellant, S en zijn coach H. Hierbij is wederom gesproken over het veilig en zelfstandig functioneren van appellant. Collega’s van appellant gaan niet graag met hem de straat op omdat zij zich niet voldoende gesteund voelen. Aangegeven wordt voorts dat het behalen van het diploma als reëel wordt gezien, maar inzet in de noodhulp niet. Aan de inzet van appellant wordt niet getwijfeld, maar desondanks blijven zichtbare en merkbare verbeteringen uit.

2.1.

Op 16 april 2014 is een beoordeling vastgesteld over de periode van december 2013 tot april 2014. Op de onderdelen analytisch vermogen, oordeelsvorming, snelheid van begrip en uitdrukkingsvaardigheid heeft appellant een A, dat wil zeggen ‘onvoldoende, blijft ver achter op de gestelde eisen/doel’, gescoord. Op de onderdelen organisatie bewustzijn, zelfstandigheid, flexibiliteit, samenwerken, initiatief, besluitvaardigheid en overtuigingskracht heeft hij een B gescoord. De korpschef heeft besloten de opleiding van appellant te beëindigen en hem terug te plaatsen in de functie van [functie 1], niveau twee bij de [Dienst 1]. Na bezwaar heeft de korpschef bij besluit van 3 september 2014, zoals aangevuld bij besluit van 10 februari 2015, (bestreden besluiten) de beoordeling op de onderdelen analytisch vermogen en oordeelsvorming aangepast van een A naar een B. Voorts heeft de korpschef het bezwaar tegen het beëindigen van de opleiding en het terugplaatsen in de functie van [functie 2] ongegrond verklaard.

3.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe, kort samengevat, overwogen dat de beoordeling in rechte stand kan houden en dat de korpschef bevoegd was de opleiding van appellant te beëindigen. Nu de korpschef eerst met het aanvullende besluit van 10 februari 2015 een voldoende motivering aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd, heeft de rechtbank bepaald dat de korpschef de proceskosten van appellant en het door hem betaalde griffierecht dient te vergoeden.

3.2.

Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover de rechtbank de beoordeling in stand heeft gelaten en geoordeeld heeft dat de korpschef de opleiding van appellant mocht beëindigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Beoordeling

4.1.1.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 1 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3259) is de toetsing van de inhoud van een beoordeling beperkt tot de vraag of die beoordeling op voldoende gronden berust. Bij negatieve oordelen moet het bestuursorgaan dit met concrete feiten onderbouwen. Niet doorslaggevend is dan of elk feit juist is vastgesteld of geduid, het gaat erom of het totale beeld van de beoordeling deze toetsing doorstaat.

4.1.2.

Appellant heeft tegen de op 19 december 2013 vastgestelde beoordeling geen rechtsmiddelen aangewend. Dit heeft tot gevolg dat deze beoordeling thans in rechte vaststaat en dat wat appellant hierover naar voren heeft gebracht niet aan de orde kan komen.

4.1.3.

Het betoog van appellant dat de door S op 16 april 2014 opgestelde beoordeling een subjectieve, negatieve benadering bevat van zijn functioneren die gebaseerd is op incidenten en niet op zijn algehele, normale niveau van functioneren, slaagt niet. Uit de beoordeling, waarbij ook de coach van appellant, H, betrokken was, blijkt dat S behalve aan de negatieve aspecten ook aandacht heeft besteed aan de positieve aspecten en hierbij heeft gewezen op de enorme inzet van appellant. S heeft zowel de negatieve als de positieve aspecten op verschillende onderdelen met voorbeelden onderbouwd. Op een genuanceerde benadering wijst verder dat bij besluit van 30 april 2014 aan appellant een gratificatie is toegekend als blijk van waardering en erkenning voor zijn tomeloze wil en inzet om zijn diploma te halen. Anders dan appellant acht de Raad het verschil in beoordeling ten opzichte van de beoordeling in december 2013 verklaarbaar. De korpschef heeft aangegeven dat nu er op onderdelen geen zichtbare en merkbare verbetering was opgetreden deze onderdelen lager zijn beoordeeld. Dit komt de Raad niet onlogisch voor. Hierbij wijst de Raad erop dat de op

19 december 2013 vastgestelde beoordeling wat betreft niveau drie eveneens het oordeel onvoldoende gaf. Appellant heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat S zich bij het opstellen van de beoordeling heeft laten leiden door een éénzijdig negatieve zienswijze op zijn functioneren. De door appellant overgelegde e-mail van een docent G van de politieacademie leidt niet tot een ander oordeel. Daargelaten dat ook G in haar brief erkent dat appellant diverse aandachtspunten heeft, is het aan de korpschef om te beoordelen hoe het functioneren van appellant moet worden gewaardeerd. Uit de brief komt niet naar voren dat de korpschef van onjuiste feiten is uitgegaan.

4.1.4.

Appellant heeft nog betoogd dat hij, blijkens de beoordelingsverslagen zoals vastgesteld in zijn functie als [functie 2], in de periode voorafgaande aan het starten van, als ook in de periode na het beëindigen van zijn opleiding voldoende tot uitstekend heeft gefunctioneerd. Het is onduidelijk waarom hij dan in de beoordeling in april 2014 op een aantal onderdelen matig of onvoldoende heeft gescoord. Dit betoog slaagt niet. De korpschef heeft terecht gewezen op het gegeven dat de in april 2014 vastgestelde beoordeling ziet op een zwaardere functie dan die van [functie 2]. De korpschef heeft hieraan toegevoegd dat optreden in onverwachte en stressvolle situaties in de functie van [functie 2] nauwelijks voorkomt. Het verschil in zwaarte van de functies blijkt eveneens uit de in beroep overgelegde functietyperingen van [functietypering 2] (niveau twee) en [functietypering 3] (niveau drie).

Beëindiging van de opleiding

4.2.1.

Anders dan appellant heeft betoogd, mist artikel 3 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) hier toepassing, omdat appellant niet als aspirant in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, van het Barp was aangesteld. Appellant was ten tijde van – het starten van – de opleiding al lange tijd in vaste dienst van het korps en heeft tijdens zijn opleiding zijn vaste aanstelling en rang van [functie 2] behouden.

4.2.2.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de overplaatsing van appellant is gebaseerd op artikel 64 van het Barp, op grond van welk artikel de ambtenaar, indien het belang van de dienst dat in bijzondere gevallen vordert, verplicht is een andere functie te vervullen dan die waarin hij is aangesteld, mits dit redelijk is in verband met zijn persoonlijkheid, omstandigheden en vooruitzichten. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 10 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2009) bestaat een overplaatsing uit twee componenten, namelijk het ontheffen uit de eigen functie en het opdragen van een andere functie. De nieuwe functie moet passend zijn.

4.2.3.

Als de reden voor een overplaatsing is gelegen in de ongeschiktheid van de ambtenaar voor de eigen functie, behoeft de feitelijke grondslag voor die overplaatsing niet te voldoen aan de eisen waaraan een ontslag om diezelfde reden moet voldoen. Het bestuursorgaan moet aannemelijk maken dat het functioneren van de ambtenaar tekortschiet en dat zijn belang om de ambtenaar te ontheffen groter is dan het belang van de ambtenaar bij behoud van zijn functie. Indien geen acuut belang tot ontheffing aanwezig is, kan een juiste afweging van belangen meebrengen dat aan de ambtenaar eerst nog een verbeterkans wordt geboden. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 31 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK9663.

4.2.4.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de onvoldoende beoordelingen duidelijk wijzen op de ongeschiktheid voor het functioneren op niveau drie en dat aan appellant voldoende verbeterkans is geboden. Aan hem zijn diverse extra middelen aangeboden, waaronder plaatsing in een maatwerkklas, verlenging van de opleiding, individuele coaching en voortgangsgesprekken. Ondanks deze instrumenten en zijn eigen inzet presteerde appellant niet zoals van een student in opleiding naar niveau drie verwacht mag worden. Daarnaast was te weinig progressie in zijn functioneren merkbaar. Onder deze omstandigheden bestond er geen aanleiding om het verbetertraject nog van maart tot en met juni 2014 te verlengen. Nu het appellant niet is gelukt om zijn functioneren te verbeteren is sprake van een bijzonder geval in de zin van artikel 64 van het Barp, waarin het belang van de dienst de overplaatsing van appellant vordert. Vergelijk de uitspraak van de Raad van 18 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4291. Nu niet in geschil is dat de opgedragen functie van [functie 2] niveau twee passend is, betekent dit dat de korpschef bevoegd was appellant naar die functie over te plaatsen. Er bestaat geen aanleiding om de wijze waarop de korpschef van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt in rechte onhoudbaar te achten. Ten slotte merkt de Raad nog op dat uit 4.2.1 en 4.2.2 volgt dat de bepalingen van de Onderwijs- en Examenregeling Politieonderwijs 2014 niet aan het beëindigen van de opleiding in de weg staan.

Slotsom

4.3.

Uit 4.1.1 tot en met 4.2.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en H. Lagas en R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2017.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) J. Smolders

IJ