Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1256

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-03-2017
Datum publicatie
10-04-2017
Zaaknummer
15/5446 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen op grond van verzwegen werkzaamheden als dj. Voor kortere beginperiode onvoldoende feitelijke grondslag. Voortgezet recht niet aannemelijk gemaakt. College heeft niet in redelijkheid gebruik gemaakt van bevoegdheid om bezwaar tegen boetebesluit niet-ontvankelijk te verklaren vanwege ontbreken gronden. Opdracht tot nemen nieuw boetebesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/152
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5446 WWB, 16/3334 WWB

Datum uitspraak: 21 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland van 10 juli 2015, 15/446, (aangevallen uitspraak 1) en van 20 april 2016, 15/2880, (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.D. van Elst, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 1 en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante heeft mr. C.H.J. van Dooijeweert, advocaat en kantoorgenoot van

mr. Van Elst, hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 2.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgevonden op 7 februari 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dooijeweert. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.F. Bakkenes.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving met ingang van 10 augustus 2011 een inkomensvoorziening ingevolge de Wet investeren in jongeren (WIJ), die met ingang van 8 november 2011 is omgezet in bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Het college heeft de bijstand van appellante met ingang van 4 juli 2014 ingetrokken omdat appellante vanaf die datum inkomsten uit werk heeft die hoger zijn dan de voor haar geldende norm.

1.2.

Naar aanleiding van anonieme meldingen van 2 juli 2013 en 28 november 2013 dat appellante op feesten optreedt als DJ, eerst onder de naam [naam 1] en later onder de naam [naam 2] , en daaruit inkomsten zou genieten, hebben sociaal rechercheurs van de gemeente Veenendaal een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader hebben de sociaal rechercheurs onder meer dossieronderzoek gedaan, internet geraadpleegd, waarnemingen gedaan en appellante op 27 mei 2014 en 3 juli 2014 verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 25 juli 2014.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

15 augustus 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 januari 2015 (bestreden

besluit 1), de inkomensvoorziening en de bijstand van appellante over de periode van

10 augustus 2011 tot en met 3 juli 2014 (te beoordelen periode) in te trekken en de over de periode van 10 augustus 2011 tot en met 31 mei 2014 gemaakte kosten van de inkomensvoorziening en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal € 39.033,62 van appellante terug te vorderen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante geen melding heeft gemaakt van haar DJ-activiteiten. Uit het onderzoek van de sociale recherche blijkt dat appellante [naam 1] , [naam 3] en [naam 2] is. Deze DJ-activiteiten moeten, gelet op de aard en de omvang daarvan, worden gezien als op geld waardeerbare activiteiten. Appellante heeft geen administratie bijgehouden, zodat het recht op bijstand in de gehele te beoordelen periode niet is vast te stellen.

1.4.

Het college heeft bij besluit van 28 oktober 2014 appellante een boete opgelegd van € 17.896,59 op de grond dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de onder 1.3 vermelde DJ-activiteiten.

1.5.

Appellante heeft bij brief van 30 december 2014 bezwaar gemaakt tegen de bij besluit van 28 oktober 2014 opgelegde boete.

1.6.

Bij brief van 27 januari 2015 heeft het college appellante in de gelegenheid gesteld uiterlijk 17 februari 2015 de gronden van het bezwaar toe te zenden en de motivering waarom het bezwaarschrift buiten de termijn is ingediend.

1.7.

Bij brief van 5 februari 2015 heeft appellante aangevoerd dat de geconstateerde termijnoverschrijding verschoonbaar is, omdat het besluit van 28 oktober 2014 niet aan de gemachtigde van appellante is toegezonden. Daarbij heeft appellante de zienswijze tegen het voornemen van de boeteoplegging van 1 september 2014 en de gronden van het bezwaar van 28 augustus 2014 tegen de in 1.3 genoemde intrekking en terugvordering meegezonden. Appellante heeft verder het volgende opgemerkt: “Ik verzoek u om mw. [naam 4] in haar bezwaar tegen het boetebesluit ontvankelijk te verklaren en om met mij over de inhoudelijke behandeling van de zaak te overleggen.”

1.8.

Het college heeft appellante vervolgens bij brief van 19 februari 2015 uitgenodigd voor een hoorzitting op 9 maart 2015. Daarop heeft appellante bij brief van 24 februari 2015 (aanvullende) gronden van bezwaar ingediend.

1.9.

Bij besluit van 20 april 2015 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 28 oktober 2014 niet-ontvankelijk verklaard en dat besluit gehandhaafd. Aan bestreden besluit 2 ligt ten grondslag dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is te achten nu het besluit van 28 oktober 2014 niet tevens aan de gemachtigde van appellante, die zich reeds met het uitbrengen van de zienswijze in de procedure had gemengd, is verzonden. Het bezwaarschrift van 30 december 2014 is echter op nader aan te voeren gronden ingediend en de brief van 5 februari 2015 ontbeert als zodanig gronden. In het advies van de bezwaarschriftencommissie sociale zekerheid van de gemeente Veenendaal (bezwaarschriftencommissie), welk advies onverkort deel uitmaakt van bestreden besluit 2, is daarover het volgende opgemerkt:

“De commissie merkt op dat weliswaar eerder een zienswijze is ingediend tegen het voornemen om een boete op te leggen en dat de zienswijze dus niet is meegenomen met het primaire besluit maar dit impliceert niet automatisch dat de in de zienswijze aangehaalde gronden hier in bezwaar als herhaald en ingelast beschouwd dienen te worden, ook al zou dat wellicht voor de hand liggen. De laatste formele (tijdige) stap daartoe ontbreekt. Dit zou betekenen dat het bezwaarschrift dus alsnog niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden wegens het ontbreken van inhoudelijke gronden. De commissie acht deze sec juridisch technische benadering in het licht van de omstandigheden weliswaar pijnlijk maar correct. Wel doet het naar de mening van de commissie onvoldoende recht aan de zaak. Zeker nu, in het geval het wel tot een inhoudelijke beoordeling zou komen, het bezwaar naar inhoud ongegrond zou moeten worden verklaard.”

Vervolgens heeft de bezwaarschriftencommissie geconcludeerd dat de boete van 100% hier terecht is opgelegd, dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden, dat de schending van de inlichtingenverplichting appellante volledig valt toe te rekenen en dat de boete in dit geval niet onevenredig is.

2.1.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

2.2.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Aangevallen uitspraak 1: intrekking en terugvordering

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 10 augustus 2011 tot en met 3 juli 2014.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Niet in geschil is dat appellante DJ-activiteiten heeft verricht en als DJ heeft opgetreden. Appellante heeft aangevoerd dat zij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden omdat deze activiteiten hobbymatig waren en zij alleen onder de naam [naam 1] op feesten van familie, vrienden en kennissen heeft opgetreden en geen inkomsten heeft genoten. Appellante betwist dat zij heeft opgetreden onder de naam [naam 2] .

4.4.

De onderzoeksbevindingen vormen een toereikende grondslag voor de conclusie van het college dat appellante ook onder de naam [naam 2] heeft opgetreden. Daartoe is het volgende van belang.

4.4.1.

Uit het internetonderzoek van de sociale recherche blijkt onder meer dat [naam 1] en [naam 2] gebruik maken van hetzelfde telefoonnummer. Verder is de profielnaam van de Facebookpagina van [naam 1] gewijzigd in Vrouwelijke Diskjockey [naam 2] en is op 19 november 2013 het volgende bericht geplaatst: “ [naam 1] heet vanaf heden [naam 2] ”. Op haar Facebookpagina plaatst [naam 2] veelvuldig berichten over prijzen die zij vraagt voor optredens, data waarop zij beschikbaar is en data en locaties waar zij heeft opgetreden. [naam 2] heeft op 9 april 2014 een bericht geplaatst dat het haar verjaardag is en enkele dagen daarna iedereen op Facebook bedankt voor de felicitaties met de tekst “Bedankt allemaal dikke kus [naam 2] . Uit deze berichten blijkt dat [naam 2] niet alleen bereikbaar is op hetzelfde telefoonnummer als appellante, maar ook dezelfde geboortedatum en voornaam als appellante gebruikt.

4.4.2.

Daarnaast hebben de sociaal rechercheurs appellante in de periode van 7 maart 2014 tot en met 27 mei 2014 diverse malen waargenomen op data en locaties waarvan [naam 2] op haar Facebookpagina heeft bericht dat zij die datum heeft opgetreden. De sociaal rechercheurs hebben appellante tevens diverse malen waargenomen terwijl zij DJ-apparatuur vanuit haar kelderbox naar een door haar in gebruik zijnde auto bracht en vanuit die auto naar haar kelderbox. De stelling van appellante dat niet zij, maar [naam 5] (D) onder de naam [naam 2] optreedt, heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Daartoe is de enkele verklaring van D dat zij degene is die onder de naam [naam 2] optreedt ontoereikend. De sociaal rechercheurs hebben immers tijdens de hiervoor genoemde waarnemingen op data en locaties van optredens van [naam 2] appellante als DJ aan het werk gezien en niet D. Daarbij komt dat D, die tijdens de zitting van de rechtbank van 23 april 2015 als getuige is gehoord, desgevraagd geen verklaring heeft gegeven voor het feit dat zij op een andere dag geboren is dan de op de Facebookpagina van [naam 2] genoemde verjaardag op 9 april. Verder heeft D tijdens de zitting van de rechtbank verklaard geen geld te vragen voor optredens, maar heeft zij desgevraagd geen verklaring kunnen geven voor de op internet genoemde prijzen van de optredens van [naam 2] . De stelling dat appellante enkel de Facebookpagina van [naam 2] voor D beheert en dat haar aanwezigheid op de feesten is te verklaren omdat appellante regelmatig samen met [naam 2] ergens aanwezig was, geeft geen verklaring voor de hiervoor genoemde waarnemingen, waaruit blijkt dat appellante als DJ aan het werk is gezien.

4.5.

De beroepsgrond dat slechts sprake is van een hobby en appellante alleen op feesten van familie, vrienden en kennissen heeft opgetreden zonder hiervoor betaald te krijgen en dat daarom geen sprake is van schending van de inlichtingenverplichting, slaagt niet.

4.5.1.

De onderzoeksbevindingen vormen een toereikende grondslag voor de conclusie van het college dat sprake is geweest van het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten. Dit volgt onder meer uit het feit dat appellante onder de naam [naam 2] op internet bericht dat zij optredens verzorgt voor onder andere verjaardagen, babyfeesten en bruiloften en daarbij verschillende prijzen hanteert. Ook heeft appellante op internet herhaaldelijk bericht over de door haar op verschillende data en locaties gegeven optredens als [naam 2] . Daarnaast hebben de sociaal rechercheurs appellante in de periode van 7 maart 2014 tot en met 27 mei 2014 herhaaldelijk waargenomen in en nabij feestzalen op diverse plaatsen in het land en in België, waarbij zij ook als DJ aan het werk is gezien. Uit de waarnemingen blijkt verder dat appellante daarbij gebruik maakte van professionele apparatuur, voor welke apparatuur zij haar kelderbox als opbergruimte gebruikte.

4.5.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646) is het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee de werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Gelet op de aard, de omvang en het terugkerende karakter van de op geld waardeerbare activiteiten, moet het appellante redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat deze van invloed konden zijn op (de omvang van) haar recht op bijstand. Voor de toepassing van de WWB is immers niet alleen relevant of de betrokkene inkomsten heeft ontvangen, maar tevens of de betrokkene werkzaamheden heeft verricht waar normaliter een beloning tegenover staat en die de betrokkene daar redelijkerwijs ook voor kan bedingen. Door het college niet volledig op de hoogte te stellen van deze activiteiten, heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.6.

De beroepsgrond dat de onderzoeksbevindingen ontoereikend zijn voor de conclusie dat appellante in de gehele te beoordelen periode op geld waardeerbare activiteiten als DJ heeft verricht, slaagt wel. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.6.1.

Uit 4.4 volgt dat appellante onder de naam [naam 2] heeft opgetreden en op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht. Niet in geschil is dat appellante ook de naam [naam 1] heeft gebruikt. Uit de onderzoeksbevindingen blijkt verder dat appellante eerst in november 2013 heeft bericht over de naamwijziging in [naam 2] . De sociale recherche noemt op basis van het internetonderzoek 24 augustus 2013 als eerste datum waarop appellante in ieder geval heeft gewerkt. Op de Facebookpagina van [naam 1] staat op die datum vermeld dat zij aan het werk is. Dat appellante op 24 augustus 2013 daadwerkelijk als DJ heeft opgetreden blijkt ook uit de door appellante in hoger beroep overgelegde verklaring van

[naam 6] (B). B heeft verklaard dat appellante op 24 augustus 2013 en 29 augustus 2013 in opdracht heeft opgetreden als vrijwillige DJ. Uit het internetonderzoek blijkt verder dat in berichten op Facebook concrete locaties van optredens van appellante worden genoemd. Zo wordt in een bericht van 9 november 2013 bijvoorbeeld gesproken over een optreden in België. In de daarop volgende berichten worden herhaaldelijk data en locaties van optredens van appellante als DJ genoemd. Uit de waarnemingen in de periode van 7 maart 2014 tot en met 27 mei 2014 blijkt dat appellante ook op verschillende in deze berichten genoemde data en locaties is waargenomen in en nabij feestzalen en ook als DJ aan het werk is gezien.

4.6.2.

Vaststaat verder dat appellante zich in de gehele te beoordelen periode op internet heeft gepresenteerd als DJ. Uit de onderzoeksbevindingen blijkt dat appellante onder de naam [naam 1] ook op diverse internetsites heeft geadverteerd en daarbij prijzen, beschikbaarheid en andere informatie heeft vermeld. Anders dan het college heeft geconcludeerd, kan hieruit echter niet worden afgeleid dat appellante vóór 24 augustus 2013 ook feitelijk als DJ heeft opgetreden. Het enkele plaatsen van advertenties en het beschikken over of gebruik kunnen maken van DJ-apparatuur, is daartoe ontoereikend. Ook de geplaatste reacties op de berichten van appellante, waarvan appellante overigens heeft gesteld dat zij degene is die deze reacties heeft geplaatst, bevatten, anders dan de in 4.6.1 genoemde berichten, geen concrete aanwijzingen over feitelijk door appellante verrichte activiteiten als DJ. In de berichten van appellante en de daarbij geplaatste reacties worden immers geen nadere gegevens van optredens genoemd zoals data of locaties.

4.6.3.

Uit 4.6.1 en 4.6.2 volgt dat de onderzoeksbevindingen eerst met ingang van

24 augustus 2013 een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het college dat appellante op geld waardeerbare activiteiten als DJ heeft verricht. De onderzoeksbevindingen bieden voor de periode van 10 augustus 2011 tot 24 augustus 2013 voor die conclusie onvoldoende grondslag.

4.7.

Appellante heeft aangevoerd dat, gelet op een eerder ten aanzien van haar ingesteld onderzoek, waarbij naar voren was gekomen dat zij DJ-activiteiten verrichtte, maar haar bijstand niettemin toch niet is beëindigd, zij ervan mocht uitgaan dat deze activiteiten geen beletsel vormden voor haar recht op bijstand. Het in dit verband gedane beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Los van de vraag of appellante aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging van de zijde van het college waarop een in rechte te honoreren beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gebaseerd, blijkt uit 4.4 en 4.6 dat appellante niet de feitelijk door haar vanaf 24 augustus 2013 verrichte DJ-activiteiten heeft gemeld, zodat het gestelde gewekte vertrouwen niet is gebaseerd op volledige informatie van appellante.

4.8.

Uit 4.4 tot en met 4.6 volgt dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de door haar vanaf 24 augustus 2013 verrichte en op geld waardeerbare activiteiten als DJ. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan appellante om aannemelijk te maken dat zij, indien zij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.9.

Appellante heeft geen administratie of boekhouding overgelegd. Met de in hoger beroep overgelegde verklaringen van getuigen over haar werkzaamheden heeft appellante onvoldoende inzage gegeven in de volledige omvang van de activiteiten. Uit de onderzoeksbevindingen blijkt immers dat appellante naast de in deze verklaringen genoemde data ook heeft opgetreden als DJ op andere data en locaties in Nederland en België, welke activiteiten het college terecht als op geld waardeerbare activiteiten heeft aangemerkt. Als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting heeft het college met betrekking tot de periode van 24 augustus 2013 tot en met 3 juli 2014 daarom niet kunnen vaststellen of en, zo ja, in hoeverre appellante in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Dit betekent dat het college op grond van artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de WWB gehouden was de bijstand van appellante in te trekken met ingang van 24 augustus 2013.

4.10.

Gelet op 4.6 tot en met 4.9 behoeft de grond van appellante betreffende het verkrijgen van gegevens over de aankoop van DJ-apparatuur door appellante in 2012 geen bespreking.

Conclusie

4.11.

Uit 4.1 tot en met 4.9 volgt dat de intrekking van de bijstand van appellante over de periode van 10 augustus 2011 tot 24 augustus 2013 niet in stand kan blijven. Daarmee is tevens de grondslag aan de terugvordering over deze periode komen te ontvallen. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit betekent dat aangevallen uitspraak 1 dient te worden vernietigd. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaren en bestreden besluit 1 vernietigen voor zover het betreft de intrekking van de bijstand van appellante over de periode van 10 augustus 2011 tot

24 augustus 2013 en de terugvordering in zijn geheel. Aangezien het besluit van 15 augustus 2014, voor zover daarbij de bijstand over die periode is ingetrokken, op dezelfde ondeugdelijke grondslag berust en niet aannemelijk is dat het college dit gebrek nog kan herstellen, ziet de Raad tevens aanleiding dit besluit in zoverre te herroepen.

4.12.

Vervolgens dient te worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. In dat verband wordt het volgende overwogen.

4.12.1.

Gelet op 4.9 heeft het college de over de periode van 10 augustus 2011 tot en met

23 augustus 2013 gemaakte kosten van bijstand van appellante ten onrechte teruggevorderd en was het college op grond van artikel 58, eerste lid, van de WWB gehouden de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 24 augustus 2013 tot en met 31 mei 2014 van haar terug te vorderen.

4.12.2.

Appellante heeft aangevoerd dat dringende redenen bestaan om af te zien van terugvordering. Zij heeft er in dit verband op gewezen dat zij een schuld heeft van € 25.000,-, dat het aflossen van die schuld lang gaat duren, omdat ze maar net kan rondkomen van haar loon en bijna niets overhoudt, dat als de terugvordering van de teveel betaalde bijstand daar bij komt, dat het gecumuleerde bedrag van de schulden daardoor zo groot wordt dat ze nog jaren bezig zal zijn om haar schulden af te lossen, dat ook bij een soepele betalingsregeling het teveel zou zijn voor haar en dat zij het daarnaast psychisch niet aan kan.

4.12.3.

Op grond van artikel 58, achtste lid, van de WWB kan het college op grond van dringende redenen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dringende redenen kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden. Degene die zich beroept op dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, zal het bestaan van de gestelde dringende redenen in de hiervoor bedoelde zin aannemelijk moeten maken (zie de uitspraak van

15 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:952). In de door appellante gestelde financiële omstandigheden liggen geen dringende redenen in de zin van artikel 58, achtste lid, van de WWB besloten op grond waarvan het college zou moeten afzien van gehele of gedeeltelijke terugvordering. De financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering doen zich in het algemeen pas voor indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. In dat kader heeft de betrokkene als schuldenaar bescherming, of kan hij deze zo nodig inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.12.4.

Het college zal een nieuwe berekening van het terug te vorderen bedrag moeten maken over de periode van 24 augustus 2013 tot en met 31 mei 2014. De Raad heeft onvoldoende financiële gegevens om in zoverre zelf in de zaak te voorzien. Het college zal een nieuwe berekening moeten maken. De Raad zal het college op dit punt opdragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 15 augustus 2014, voor zover het betreft de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te bepalen dat tegen de door het college te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

Aangevallen uitspraak 2: niet-ontvankelijkheid bezwaar

5.1.

Tussen partijen is in geschil of het college het bezwaar van appellante terecht

niet-ontvankelijk heeft verklaard.

5.2.

In artikel 6:5 van de Awb is geregeld waaraan een bezwaar- of beroepschrift ten minste moet voldoen. Ingevolge het eerste lid, onder d, van dit artikel geldt dat het bezwaarschrift de gronden van bezwaar dient te bevatten. Op grond van artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb kan het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 en de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

5.3.

Vaststaat dat appelante bij brief van het college van 27 januari 2015 onder meer is gewezen op het ontbreken van de gronden van het bezwaar, dat appellante in de gelegenheid is gesteld dit verzuim te herstellen en dat is meegedeeld dat, indien dit niet gebeurt, dit tot niet-ontvankelijkheid van het bezwaar kan leiden. Niet in geschil is dat appellante binnen de gestelde termijn in de brief van 5 februari 2015 geen gronden van het bezwaar heeft genoemd maar deze bij brief van 24 februari 2015 heeft ingediend.

5.4.

In de brief van 5 februari 2015 heeft appellante vermeld dat zij een zienswijze tegen het voornemen tot het opleggen van een boete heeft ingediend en dat zij bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit tot intrekking en terugvordering van de bijstand en deze stukken als bijlage heeft meegezonden. Appellante sluit de brief van 5 februari 2015 af met een verzoek om overleg voor de inhoudelijke behandeling van de zaak. In zowel de zienswijze als het bezwaar tegen de intrekking en terugvordering heeft appellante verzocht deze gevoegd met het op te leggen boetebesluit te behandelen. Het college had daarom niet zonder meer voorbij mogen gaan aan het in de brief van 5 februari 2015 genoemde verzoek om overleg. Voor zover de brief van 5 februari 2015 leidde tot onduidelijkheid had het op de weg van het college gelegen hieromtrent navraag te doen bij appellante en appellante met toepassing van artikel 6:6 van de Awb een nadere hersteltermijn te geven. Het college heeft echter appellante op haar verzoek om overleg over de inhoudelijke behandeling bij brief van 19 februari 2015 uitgenodigd voor een hoorzitting. Voorts blijkt uit het verslag van de hoorzitting, anders dan de gemachtigde van het college ter zitting van de Raad heeft gesteld, dat de gronden van het bezwaar ten tijde van de hoorzitting bekend waren, dat deze ook zijn besproken en dat de bezwaargronden in bestreden besluit 2 ook tot een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar hebben geleid.

5.5.

Het college heeft in dit geval, gelet op de in 5.4 genoemde omstandigheden, niet in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid het bezwaar wegens het ontbreken van gronden van het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren.

5.6.

Uit 5.1 tot en met 5.5 volgt dat het hoger beroep slaagt en dat aangevallen uitspraak 2 moet worden vernietigd. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en bestreden besluit 2 vernietigen. Aansluitend dient te worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. In aanmerking genomen dat het benadelingsbedrag thans nog niet vaststaat, zal de Raad het college opdragen om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 oktober 2014. Het college is daarbij gehouden om op de grondslag van het bezwaar met inachtneming van 4.11 en 4.12 en de rechtspraak van de Raad betreffende de bestuurlijke boete over te gaan tot een volledige heroverweging van het besluit van 28 oktober 2014.

Kosten

6. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van bezwaar van appellante tot een bedrag van € 990,- voor verleende rechtsbijstand in de procedure van de intrekking en terugvordering. Tevens bestaat aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 1.980,- in beroep (2 punten voor het indienen van twee beroepschriften en 2 punten voor het bijwonen van twee zittingen) en € 1.485,- in hoger beroep (2 punten voor het indienen van twee hoger beroepschriften en 1 punt voor het bijwonen van één zitting). De kostenveroordeling bedraagt in totaal € 4.455,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

15/5446 WWB: aangevallen uitspraak 1

- vernietigt aangevallen uitspraak 1;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 8 januari 2015 voor zover het betreft de intrekking over de periode van 10 augustus 2011 tot 24 augustus 2013 en de terugvordering;

- herroept het besluit van 15 augustus 2014 voor zover het betreft de intrekking over de periode van 10 augustus 2011 tot 24 augustus 2013 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaatst treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 8 januari 2015;

- draagt het college op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen over de terugvordering met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat tegen die beslissing slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld;

16/3334 WWB: aangevallen uitspraak 2

- vernietigt aangevallen uitspraak 2;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 20 april 2015;

- draagt het college op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen;

Kosten van appellante

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 4.455,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van
in totaal € 337,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en G.M.G. Hink en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2017.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) J. Tuit

IJ