Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1253

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-03-2017
Datum publicatie
10-04-2017
Zaaknummer
15/5687 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verordening schoolverlaterskorting blijft buiten toepassing. Betrokkene heeft recht op bijstandsnorm die aansluit bij ondergrens voor verlaging, namelijk de norm uitwonende student hoger onderwijs. Geen recht op bijstand over maand waarin DUO de studiefinanciering terugvordert.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 8
Wet werk en bijstand 18
Wet werk en bijstand 27
Wet werk en bijstand 28
Wet werk en bijstand 30
Wet studiefinanciering 2000
Wet studiefinanciering 2000 3.18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2017/987
RSV 2017/105
USZ 2017/172
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5687 WWB, 16/7214 WWB

Datum uitspraak: 21 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 juni 2015, 14/7799 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het dagelijks bestuur van Orionis Walcheren (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M.W.A. Verhaard, advocaat, een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.

Appellant heeft een verweerschrift ingediend op het incidenteel hoger beroep.

Partijen hebben nadere stukken ingediend. Desgevraagd heeft het dagelijks bestuur de Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand 2012 (Verordening) overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.M. Feijtel. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. Verhaard.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene ontving in verband met haar HBO-opleiding studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Bij het bericht studiefinanciering 2014, nr. 5, van 16 augustus 2014 heeft DUO betrokkene meegedeeld dat zij vanaf september 2014 geen recht heeft op studiefinanciering, omdat haar aanvraag is beëindigd. Vanaf 1 augustus 2014 heeft zij geen recht meer op een prestatiebeurs, maar kan zij nog wel lenen. DUO heeft aan betrokkene over de maand augustus 2014 studiefinanciering toegekend in de vorm van een rentedragende lening en collegegeldkrediet.

1.2.

Betrokkene heeft zich op 10 juli 2014 bij appellant gemeld om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aan te vragen en heeft op 6 augustus 2014 de aanvraag ingediend.

1.3.

Bij besluit van 11 september 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 november 2014 (bestreden besluit), heeft appellant betrokkene bijstand verleend met ingang van

1 september 2014 tot een bedrag van € 693,35, zijnde de norm voor een alleenstaande van

€ 679,75 met een toeslag van 1% van de gehuwdennorm ten bedrage van € 13,60.

1.4.

Appellant heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat betrokkene tot en met augustus 2014 studiefinanciering heeft ontvangen. Studiefinanciering is een voorliggende voorziening ook indien deze ten onrechte is toegekend en moet worden terugbetaald. Op de bijstand is een schoolverlaterskorting toegepast in die zin dat appellant aan betrokkene in plaats van een toeslag van 20% van de gehuwdennorm die wordt toegekend aan, voor zover van belang, de alleenstaande in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, een toeslag van 1% van de gehuwdennorm heeft toegekend, omdat betrokkene schoolverlater is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, voor zover dit betrekking heeft op de toepassing van de schoolverlaterskorting, en het bestreden besluit in zoverre vernietigd. De rechtbank heeft voorts de bij besluit van 11 september 2014 toegekende bijstand, met herroeping van dit besluit in zoverre, vastgesteld op een bedrag van € 833,22 per maand over de periode van

1 september 2014 tot en met 31 december 2014 en op een bedrag van € 854,13 over de periode van 1 januari 2015 tot en met 28 februari 2015 en bepaald dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit. De rechtbank heeft het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover de rechtbank daarbij de bijstand heeft vastgesteld op een bedrag van € 833,22 per maand over de periode van 1 september 2014 tot en met 31 december 2014 en op een bedrag van € 854,13 over de periode van 1 januari 2015 tot en met 28 februari 2015. Appellant heeft aangevoerd dat de bestaanskosten van betrokkene lager waren dan de door de rechtbank vastgestelde bedragen en dat hij daarom met toepassing van artikel 28 van de WWB en artikel 6, eerste lid, van de Verordening de bijstand van betrokkene op goede gronden op € 679,75 (lees:

€ 693,35) heeft bepaald.

4. Betrokkene heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover de rechtbank het beroep tegen de ingangsdatum van de bijstand ongegrond heeft verklaard. Zij heeft wel studiefinanciering ontvangen over de maand augustus 2014, maar moest deze terug betalen omdat DUO haar deze ten onrechte had toegekend, wat zij ook heeft gedaan. Zij heeft daardoor in de maand augustus geen inkomen gehad en heeft als gevolg daarvan betalingsachterstanden opgelopen. Daarom had appellant in elk geval wegens dringende omstandigheden alsnog bijstand moeten verlenen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Hoger beroep

4.1.

Ingevolge artikel 27 van de WWB kan het college de norm, bedoeld in de artikelen 20 en 21, of de toeslag, bedoeld in artikel 25, lager vaststellen voor zover de belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm of de toeslag voorziet als gevolg van zijn woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning.

4.2.

Ingevolge artikel 28 van de WWB kan het college voor de belanghebbende die recent de deelname heeft beëindigd aan onderwijs of een beroepsopleiding, de norm of de toeslag, bedoeld in artikel 25, gedurende zes maanden na het tijdstip van die beëindiging lager vaststellen, indien voor het onderwijs of de beroepsopleiding aanspraak bestond op, voor zover van belang, studiefinanciering op grond van de Wsf 2000. In de memorie van toelichting bij dit artikel is vermeld dat de bijstandsuitkering - veelal aanmerkelijk - hoger ligt dan de bedragen voor levensonderhoud die in het kader van de studiefinanciering gelden. Waar de belanghebbende tijdens de studieperiode de bestedingen heeft afgestemd op het beperkte inkomen uit studiefinanciering, nemen zijn noodzakelijke bestaanskosten niet onmiddellijk toe als hij zijn studie beëindigt en als schoolverlater op bijstand aangewezen raakt. De invloed van inkomsten bijvoorbeeld uit arbeid of stagevergoeding van de belanghebbende tijdens de studie spelen hierbij geen rol. In de nota naar aanleiding van het verslag is hierover vermeld dat de verlaging van de bijstand als bedoeld in artikel 28 van de WWB dient aan te sluiten bij die lagere noodzakelijke bestaanskosten van schoolverlaters tijdens hun studie. De hoogte van de noodzakelijke bestaanskosten tijdens de studie verandert niet door een bijbaantje of stagevergoeding. De lagere noodzakelijk bestaanskosten geven de grens aan van de maximale verlaging (Kamerstukken II 2002/03, 28 870, nr. 3, p. 54 en nr. 13, p. 165-166).

4.3.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de WWB stelt de gemeenteraad bij verordening regels met betrekking tot het verhogen en verlagen van de norm, bedoeld in artikel 30 van de WWB. Artikel 30, eerste lid, van de WWB bepaalt dat de gemeenteraad in de verordening vaststelt voor welke categorieën de norm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald. Ingevolge het vierde lid vindt verhoging of verlaging van de norm of afwijkende vaststelling van de toeslag plaats onverminderd artikel 18, eerste lid, van de WWB.

4.4.

Ter uitvoering van de artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, en 30 van de WWB heeft het Algemeen Bestuur van appellant de Verordening vastgesteld. Ingevolge artikel 3, eerste en tweede lid, van de Verordening wordt de norm genoemd in artikel 21 onder a en b van de wet verhoogd met een toeslag van 20% van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft. Ingevolge artikel 6 van de Verordening wordt, in afwijking van het bepaalde in artikel 3, tweede lid, de toeslag voor een alleenstaande die een schoolverlater is vastgesteld op 1% van de gehuwdennorm gedurende een periode van zes maanden, gerekend vanaf het tijdstip van de beëindiging van de aanspraak op studiefinanciering of tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en schoolkosten.

4.5.

Op grond van artikel 3.18 van de Wsf 2000 bestaat het normbedrag voor levensonderhoud voor een uitwonende student uit de volgende financiële bronnen: basisbeurs uitwonend, maximale aanvullende beurs/lening (of veronderstelde ouderlijke bijdrage) en basislening. In de periode van augustus tot en met december 2014 bedroeg dit normbedrag

€ 833,22, in januari en februari 2015 € 854,13.

4.6.

Niet in geschil is dat betrokkene is aan te merken als schoolverlater als bedoeld in artikel 28 van de WWB en artikel 6 van de verordening.

4.7.

Anders dan appellant heeft aangevoerd, betekent de omstandigheid dat de vaste lasten van betrokkene met aftrek van huur- en zorgtoeslag € 508,63 bedragen niet dat zij lagere bestaanskosten heeft dan het normbedrag dat op grond van de Wsf 2000 geldt voor een uitwonende student. De stelling van appellant dat de bestaanskosten van betrokkene kunnen worden berekend door bij genoemd bedrag aan vaste lasten € 40,- per week op te tellen, zijnde, aldus appellant, het bedrag dat een alleenstaande in de schuldhulpverlening aan leefgeld ter beschikking heeft, berust op een onjuiste rechtsopvatting. Op betrokkene is immers niet de Wet schuldsanering natuurlijke personen van toepassing. Het toepassen van de schoolverlaterskorting overeenkomstig de Verordening leidt er in dit geval toe dat het bedrag aan bijstand van (in 2014) € 693,35 dat betrokkene per maand is toegekend, lager is dan de norm die zij als uitwonende student hoger onderwijs op grond van de Wsf 2000 ontving (vergelijk de uitspraak van 12 mei 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI5349). Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 28 van de WWB, weergegeven in 4.2, volgt dat de lagere norm voor levensonderhoud in de Wsf 2000 de ondergrens van de verlaging vormt. De rechtbank heeft, gelet hierop, en nu betrokkene niet heeft aangevoerd dat zij hogere noodzakelijke bestaanskosten heeft dan de in de Wsf 2000 vastgelegde norm voor levensonderhoud, terecht overwogen dat de door appellant toegepaste verlaging niet aansluit bij de noodzakelijke bestaanskosten van betrokkene en de bijstand terecht vastgesteld naar de norm voor een uitwonende student hoger onderwijs. Artikel 6 van de Verordening moet dan ook buiten toepassing blijven.

Incidenteel hoger beroep

4.8.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WWB heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

4.9.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de WWB bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot de kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.

4.10.

Volgens vaste rechtspraak (onder meer de uitspraak van 18 september 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX7603) is studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 aan te merken als een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de betrokkene toereikend en passend te zijn.

4.11.

De omstandigheid dat achteraf is gebleken dat betrokkene de studiefinanciering over de maand augustus 2014 ten onrechte heeft ontvangen en moet terugbetalen, wat zij in september 2014 ook heeft gedaan, doet niet af aan het feit dat betrokkene gedurende deze periode studiefinanciering heeft ontvangen en daardoor feitelijk over middelen beschikte om in de noodzakelijke bestaanskosten te voorzien (vergelijk de uitspraak van 26 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2571).

4.12.

Artikel 16, eerste lid, van de WWB biedt de mogelijkheid om, in afwijking van artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de WWB, niettemin bijstand te verlenen, indien, gelet op alle omstandigheden, zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Blijkens de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2002/03, 28 870, nr. 3, blz. 46-47) dient in een dergelijk geval vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. In wat betrokkene in dit kader heeft aangevoerd, te weten dat zij betalingsachterstanden heeft, ziet de Raad geen zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB. Niet is gebleken van een acute noodsituatie.

Slotsom

4.13.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Uit 4.8 tot en met 4.12 volgt dat het incidenteel hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht wordt geheven van € 497,-.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en M. Hillen en

M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2017.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) S.A. de Graaff

RB