Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1251

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-03-2017
Datum publicatie
07-04-2017
Zaaknummer
16/5298 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag vanwege onbekwaamheid en/of ongeschiktheid anders dan op grond van ziekte of gebreken. Nu appellant meermalen duidelijk is gemaakt dat en op welke punten zijn functioneren tekortschoot, hij voldoende kansen heeft gekregen om zijn functioneren te verbeteren en hij deze kansen niet heeft benut, terwijl daarbij met zijn ziektebeeld voldoende rekening is gehouden, was het college bevoegd aan appellant ongeschiktheidontslag te verlenen. Er is geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn ontslagbevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2017/106
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/5298 AW

Datum uitspraak: 30 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 6 juli 2016, 16/494 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.W.F. Kostons, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kostons. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.P.H.M. Quaedvlieg, V. Abratanski en G.J.L. Gillissen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam bij de gemeente [gemeente 1] als [functie 1] . In het kader van de nog vorm te geven [regeling] is appellant sinds 2012 tewerkgesteld bij de gemeente [gemeente 2] .

1.2.

Op 21 oktober 2014 is ten aanzien van appellant een beoordeling over de periode

1 januari 2013 tot 16 juli 2014 vastgesteld. Op alle beoordelingsaspecten is de functievervulling als onvoldoende beoordeeld. Appellant heeft geen rechtsmiddelen tegen de beoordeling aangewend, zodat deze in rechte vast is komen te staan. Met appellant zijn toen afspraken gemaakt over te behalen examens, werktijden en voortgangsgesprekken en voorts dat hij de inzet en toewijding moet betrachten die van een goed ambtenaar mag worden verwacht. Tenslotte is hem te kennen gegeven dat als hij niet verandert en actiever wordt ontslag op korte termijn niet uitgesloten is.

1.3.

Bij brief van 5 december 2014 is appellant met ingang van 1 januari 2015 eervol ontslag verleend bij de gemeente [gemeente 1] wegens opheffing van zijn functie.

1.4.

Per 1 januari 2015 is appellant aangesteld bij de gemeente [gemeente 2] als [functie 2] bij [afdeling] . Bij brief van

30 januari 2015 is appellant te kennen gegeven dat deze aanstelling niet afdoet aan de eerdere constateringen dat hij op meerdere onderdelen niet beschikt over voldoende kennis en vaardigheden om de functie op adequate wijze te vervullen. Appellant wordt nogmaals, voor de laatste keer, in de gelegenheid gesteld een verbetertraject te doorlopen.

1.5.

Op 4 februari 2015 is daartoe met appellant een plan van aanpak besproken. Daarin is vermeld, dat de appellant opgedragen werkzaamheden wekelijks zullen worden geëvalueerd, dat appellant elke dag uiterlijk om 9.00 uur aanwezig dient te zijn en dat hij gedurende het verbetertraject een drietal cursussen moet volgen en met certificering dient af te ronden. Het verbetertraject heeft een looptijd van vier maanden.

1.6.

Omdat volgens het college verbetering is uitgebleven heeft het college bij brief van

29 mei 2015 het voornemen geuit appellant met ingang van 1 augustus 2016 te ontslaan op grond van artikel 8:6 van de CAR/UWO vanwege onbekwaamheid en/of ongeschiktheid anders dan op grond van ziekte of gebreken. De ingediende zienswijze heeft het college geen aanleiding gegeven het voorgenomen besluit tot ontslag te herzien. Bij besluit van 24 juli 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 januari 2016 (bestreden besluit), is appellant per 1 augustus 2016 overeenkomstig het voornemen ontslag verleend. Daarbij is appellant in de gelegenheid gesteld gedurende een jaar een re-integratietraject te volgen bij een door hem te kiezen bureau tegen vergoeding van maximaal € 7.500,-.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 1 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3254) moet het bestuursorgaan ongeschiktheid voor het vervullen van een functie - zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en/of instelling die voor het op goede wijze vervullen van die functie vereist zijn - aannemelijk maken aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar.

4.2.

De Raad stelt vast dat de beoordeling van 21 oktober 2014 in rechte vaststaat. Uit die beoordeling blijkt dat appellant in de periode januari 2013 tot medio 2014 onvoldoende functioneerde op de aspecten kennis en ervaring, zelfstandigheid, omgang en samenwerking met de leiding en collega’s, uitdrukkingsvaardigheid en arbeidsmotivatie. Verder komt uit de gedingstukken naar voren dat appellant onvoldoende (tijdig) actie ondernam en onvoldoende over zijn werkzaamheden communiceerde met zijn directe collega’s, als gevolg waarvan bij hen de nodige irritatie was ontstaan. Ook blijkt uit die stukken dat de output van appellant beneden de maat was. Een en ander heeft geleid tot een escalatie tijdens het werkoverleg van 9 september 2014, waarbij is geconstateerd dat de directe collega’s van appellant hiervan de dupe zijn geworden en daardoor nogal geëmotioneerd waren. De Raad verwijst naar het verslag van dit werkoverleg en de e-mails van 11 en 16 september 2014 van de leidinggevende A. Op grond van deze concrete feiten was twijfel gerechtvaardigd of appellant geschikt was voor de vervulling van zijn functie.

4.3.

Een ontslag wegens ongeschiktheid voor het vervullen van de functie anders dan wegens ziekte of gebreken is in het algemeen niet toelaatbaar, als de ambtenaar niet op zijn functioneren of gedrag is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld dit te verbeteren (uitspraak van 3 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1098). Volgens vaste rechtspraak geldt voorts dat in geval de ambtenaar als gevolg van ziekte of gebrek ongeschikt is voor zijn functie, het bestuursorgaan niet bevoegd is hem ontslag te verlenen wegens ongeschiktheid op andere dan medische gronden (uitspraak van 30 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:249).

4.4.

Het betoog van appellant dat hem geen reële verbeterkans is geboden slaagt niet.

4.4.1.

Naar aanleiding van de negatieve beoordeling zijn in een gesprek van 13 oktober 2014 afspraken gemaakt als hierboven in 1.2 genoemd. Omdat toen is aangegeven dat het “vijf voor twaalf” was en appellant “groot risico loopt dat hij binnenkort op straat staat” moet het appellant duidelijk zijn geweest dat hij vanaf dat moment verbetering moest laten zien en dat anders ontslag zou kunnen volgen. Vervolgens is in het plan van aanpak van 4 februari 2015 een verbetertraject afgesproken tot 1 juni 2015. Aldus is appellant gedurende ruim acht maanden een verbeterkans geboden. Wat van hem verlangd werd is duidelijk op papier gezet. Dit geldt naar het oordeel van de Raad ook voor het behalen van de examens van de opleidingen voor de Oracle database als genoemd in punt 6 in het plan van aanpak. Uit de gebezigde bewoordingen, te weten afsluiten met certificering, had appellant kunnen en moeten opmaken dat de opleidingen door middel van een examen moesten worden afgerond ter verkrijging van het certificaat van Oracle en niet slechts met een certificaat van deelname van het betreffende opleidingsinstituut. Bij twijfel lag het bovendien op de weg van appellant om de precieze inhoud van deze afspraak bij zijn leidinggevende te verifiëren, wat hij heeft nagelaten.

4.4.2.

Het college heeft aannemelijk gemaakt dat appellant in het verbetertraject passend werk aangeboden heeft gekregen. Daarmee is tegemoetgekomen aan de door de bedrijfsarts vastgestelde beperkingen ten aanzien van het persoonlijk functioneren. Bovendien behoefde appellant vergeleken met zijn directe collega’s een kleiner deel van het werk te doen. Weliswaar heeft het college de aanvangswerktijd in eerste instantie niet aangepast, maar zij heeft het ongeschiktheidsontslag niet gebaseerd op het niet nakomen door appellant van de gemaakte werktijdenafspraak. Hoewel aan appellant kan worden toegegeven, dat uit het deskundigenoordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van

10 januari 2014 is gebleken dat het vanuit medisch oogpunt niet redelijk was om vast te houden aan het aanvangstijdstip van uiterlijk 9.00 uur, is niet gebleken dat dit de druk op het inhoudelijke werk zodanig heeft beïnvloed dat appellant reeds daarom niet de verlangde verbetering heeft kunnen laten zien. Daarbij komt dat appellant zelf heeft verklaard dat voor hem een aanvangstijdstip van 10.00 uur wel akkoord zou zijn geweest en het is de Raad niet gebleken dat het college aan het herhaaldelijk te laat komen, anders dan het benoemen ervan, enige consequentie heeft verbonden.

4.4.3.

Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat voldoende rekening is gehouden met de medische situatie van appellant. Op 23 juli 2014 heeft de bedrijfsarts bericht dat, hoewel appellant vanwege een chronisch ziektebeeld gevoelig is voor spanningen, er geen beperkingen voor zijn arbeid zijn. Het advies van de bedrijfsarts van 14 mei 2015 wijkt hier niet wezenlijk van af, nu volgens hem appellant gewoon, zonder beperkingen, inzetbaar is voor zijn eigen werkzaamheden; alleen bij het opvlammen van zijn chronische ziekte kan appellant tijdelijk niet of minder inzetbaar zijn. Ook de door appellant in dit hoger beroep overgelegde contra-expertise van verzekeringsarts H.J. Hullen van 8 november 2016 wijst niet in een andere richting; hij acht appellant aangewezen op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken, maar acht hem in staat gemiddeld acht uur per dag, 40 uren per week te werken. De Raad komt daarom tot het oordeel dat niet is gebleken van een medische oorzaak die ten grondslag ligt aan het onvoldoende functioneren van appellant. Onder deze omstandigheden behoefde het college geen (verder) medisch onderzoek in te stellen. Evenmin kan op grond van het ziektebeeld en de omvang van het daarmee samenhangende ziekteverzuim gezegd worden dat de verbeterkans niet reëel was.

4.5.

Nu appellant meermalen duidelijk is gemaakt dat en op welke punten zijn functioneren tekortschoot, hij voldoende kansen heeft gekregen om zijn functioneren te verbeteren en hij deze kansen niet heeft benut, terwijl daarbij met zijn ziektebeeld voldoende rekening is gehouden, was het college bevoegd aan appellant ongeschiktheidontslag te verlenen. Er is geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn ontslagbevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en H. Lagas en R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2017.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) J. Smolders

JL